Globaal bekeken
Dezer dagen is door het Christelijk Lektuurkontakteen boekje uitgegeven, getiteld 'De koningin sprak - proclamaties en radiotoespraken van H. M. koningin Wilhelmina 1940-1945'. Het boekje (144 pag.) is verkrijgbaar op het adres 'Ds. Waardenburgstraat 1, 4311 AT Bruinisse; aktieprijs tot 1 juli ƒ 9, 90, daarna ƒ 17, 50. In een Woord Vooraf schrijft dra. M. G. Schenk.
'Ik acht dat een uitstekend initiatief, niet alleen omdat daarmee recht wordt gedaan aan de unieke dokumentaire waarde van deze toespraken, maar vooral vanwege de nauwelijks te overschatten betekenis die de figuur van Koningin Wilheimina en haar bezielende houding voor de Nederlanders in bezet gebied hadden. Een bezieling die nergens duidelijker tot uiting komt dan juist in deze toespraken, waarin zij haar onwrikbaar geloof in de overwinning van de democratische krachten in onze nationale en internationale samenleving op zeer persoonlijke wijze heeft verwoord. Daarmee is al aangeduid dat ik het inhoudelijk karaktervan deze toespraken van blijvende aktualiteit acht.'
Hier volgt een deel van de kersttoespraak voor radio Oranje op 25 december 1943.
'(...) nog herdenken wij ons kerstfeest onder de schaduw van het schrikbewind. Ongetwijfeld heeft menigeen van u vaak gezongen:
Er is een kindetje geboren op d'aard.
Er is een kindetje geboren op d'aard,
't Kwam op de aarde en 't had er geen huis,
't Kwam op de aarde en 't droeg al zijn kruis.
Gij hebt dit wellicht aangeheven zonder er u rekenschap van te geven, dat in die enkele woorden heel Gods ontfermende liefde en macht om ons te verlossen besloten liggen. En men noemt zijn naam: Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der Eeuwigheid, Vredevorst... Ja, Sterke God! Vergis ik mij niet, dan is de weg naar Bethlehem, die met onze geestesgesteldheid van dit ogenblik het meest overeenkomt, die, welke ons voert langs des Heilands kruis. Dat Hij zich zozeer met ons vereenzelvigd had dat Hij reeds bij zijn komst op aarde het kruis droeg, geeft ons de zekerheid, dat Hij ons nabij is, of zal zijn, in de donkerste uren van ons leven en in onze diepste verlatenheid. Zelfs als wij tijdelijk niets van zijn nabijheid merken, ja, als het is of Hij onze gebeden niet hoort, ook dan heeft zijn liefde ons niet verlaten en als wij niet versagen maar volhouden zo zullen wij ons weldra gedragen voelen door het kruis en opgeheven boven ons zelf uit, en boven al hetgeen ons dreigt te verslinden. Ongetwijfeld hebben zij, die bereid waren hun leven te geven voor hun volk en voor de heilige zaak die zij dienden, gelijk de velen die hen in vroegere tijd op het martelaarspad zijn voorgegaan, onder hun weergaloze folteringen, lijden en sterven, ondervonden, dat zich een wonder voltrokken heeft, waardoor alles is veranderd, en door God is omgezet in heerlijkheid voor hen. Wij danken God daarvoor. Hun leven en hun sterven zij ons tot een lichtend voorbeeld. Hoe meer berichten mij langs verschillende wegen bereiken over al hetgeen deze tijd in u heeft doen ontstaan en groeien, des te meer deel ik in uw blijdschap daarover Uw eensgezindheid en vastberaden staan als één man voor één en hetzelfde doel, uw grote liefde tot de naaste en zo gul betoon van onderlinge hulpvaardigheid, uw gemeenschapszin en het opsporen van dat wat gij gemeenschappelijk bezit en u saambindt, waardoor vele scheidsmuren wegvielen en gij elkander leerdet begrijpen en de hand reiken... en nog zo veel meer zijn u en mij zovele bewijzen, dat God zelf in onze harten werkt teneinde al datgene uit ons te doen voortkomen waaruit wij een betere toekomst kunnen bouwen. Mochten wij God ook voor dit alles danken. Daarvoor is rijke stof! Mocht het besef van de veelomvattende taak welke voor de jongeren is weggelegd bij het vorm geven aan de toekomst en van hun roeping daarbij, ook in geestelijk opzicht, de geheime bron van hun kracht zijn, nu, en als zij eenmaal aan de slag gaan. Alvorens te eindigen wil ik nog eens met u terugkeren tot de kerstnacht. In minder bewogen tijden reeds worden wij door de heerlijkheid, die daarvan uitgaat, gegrepen. Dichters hebben hem bezongen, op aangrijpende wijze, en zij hebben weergegeven wat in ons leefde. De indruk, die hij op ons maakt, neemt een blijvende plaats bij ons in. Zelfs heeft iemand eens gezegd, van de meest innige en diepste persoonlijke ervaringen van Christus' nabijheid: dan is het kerstnacht voor mij. En toch, nu wij leven in een duisternis, die ons door mensen wordt opgelegd, waarin een ieder reikhalzend uitziet naar uitredding, daar is de kerstnacht, indien mogelijk, nog meer in het middelpunt van het leven komen te staan. Het feit, dat in de nacht waarin de wereld thans verzonken is, het licht uit die andere wereld, die wereld van God, doorbreekt, met zijn heilsboodschap aan een uitgeputte, afgematte mensheid, is in geheel bijzondere zin het teken, dat God geeft aan de volken in hun huidige nood, aan de volken en aan ieder persoonlijk. In mensen een welbehagen, ook in deze door mensen veroorzaakte nacht. Het licht van de kerstnacht, dit is Gods liefde en Gods leven zoals deze in Christus tot ons inkomen. Het is of wij iets meer begrijpen van de grote blijdschap, waarvan de boodschapper op Bethlehems velden kond doet; of die blijdschap dieper tot ons doordringt. Zij vindt haar oorsprong in diezelfde innige bewogenheid en dankbaarheid, waarmee één, die een moeilijk lijdenspad, waar telkens kruisen stonden, gegaan is, 't persoonlijk kan nazeggen: dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede. Dat Gods liefde, zelfs uit het kwade, heil en zegen voor mensen wil doen voortkomen, daarvoor dankt en jubelt heel, zijn hemel mede. In afwachting van moeilijke ogenblikken, die wellicht nog komen zullen, doch bovenal van het ogenblik, dat wij weer vrije mensen zijn, een ogenblik in uw en mijn leven dat niemand vermag te beschrijven, mocht het ons gegeven zijn, dit kerstfeest te herdenken in het diepgaand besef van zijn betekenis voor ons, en mocht mijn wens in vervulling gaan: dat het voor u en voor mij in heel persoonlijke zin kerstnacht zij.'
***
In De Wekker, orgaan van de Chr. Geref. Kerken, schreef dr. C. J. Verplanke, burgemeester van Ridderkerk, een aardig stukje onder de titel 'Het orgel speelt'.
'Bekend is het verhaal van de organist, die in een bijzondere dienst zou spelen, tijdig naar de orgelbank toog en daar een exemplaar van de orde van dienst aantrof. Als eerste agendapunt was vermeld: het orgel speelt. De organist ging daarop rustig in een bank zitten en wachtte de loop der gebeurtenissen af. De kerk stroomde vol, maar het orgel zweeg. Toen vlak voor de dienst een ouderling kwam kijken, waar de organist was, trof hij deze in een bank aan en vroeg hij wat er aan de hand was. De organist antwoordde, dat hij het ook niet begreep, want dat hij al geruime tijd met spanning zat te wachten tot het orgel zou gaan spelen!
Zelf heb ik lang geleden eens beleefd, dat de dominee In het kerkblad de kerkgangers mededeelde, dat de plaatsen vrij zouden zijn, zodra het orgel ging spelen. In het volgende nummer heb ik toen medegedeeld, dat de plaatsen bezet behoorden te wezen, zodra de kansel ging preken. Organist zijn is een ondankbaar werk. Men hoort hem, maar meestal ziet men hem niet. En dat laatste is soms maar goed ook, want in de gevallen, dat voor in de kerk een positief staat opgesteld en men de organist kan zien zitten spelen, verbaast men zich niet zelden over de (volstrekt overbodige) lichaamsbewegingen die daarbij plegen te worden gemaakt: diepe buigingen, armgezwaai, hoofdgeschud en andere vormen van kamergymnastiek, terwijl juist de meest primaire eis is: doodstil zitten met hoofd en lijf. Men maakt zelfs organisten mee, die voordat zij aanvangen, hun schoenen uittrekken alsof zij een heilige plaats gaan betreden. Men vrage dan ook niet, wat er terecht komt van het noodzakelijke punt-hak-gebruik van het pedaal! In het algemeen ziet men echter de organist niet, want, als het goed is, staat het orgel tegenover de kansel, zodat het de gemeentezang ruggesteun kan geven, en bovendien gaat de organist niet zelden ook nog schuil achter een rugwerk of achter groene gordijntjes. En wellicht om die reden verkeert hij in vele kerken in een wat verwaarloosde positie. Meestentijds wordt hij zodra hij voor de dienst op de orgelbank plaats neemt, voor het eerst geconfronteerd met de liturgie. Hij heeft geen gelegenheid gehad zijn begeleiding voor te bereiden of zich te bezinnen op enigszins toepasselijk spel voor de dienst. Hij moet zich dus beperken tot door hem ingestudeerde neutrale muziekstukken, die de muzikaalgeïnteresseerde gemeenteleden kunnen boeien, maar voor de niet muzikaal geïnteresseerden alleen fungeren als stilteverdrijvers. In hoeveel gevallen wordt niet alleen de koster, maar ook de organist daags tevoren door de predikant ingelicht over tekst en te zingen Psalmen? De verwaarlozing van de organist blijkt ook niet zelden uit de vergoeding, die hem toch zeker toekomt voor het volgen van muzieklessen en de aankoop van muziekboeken. Die vergoeding ligt vaak beneden de minimale grenzen en laat de aanschaf van koraalboeken niet toe, zodat niet weinige gemeenteleden er naar zitten te snakken te worden verlost van de eindeloos herhaalde, overjarige voorspelen van Worp, die men zo langzamerhand zit mee te neuriën. Verschaf in elk geval de organist, als hij zelf niet kan improviseren, enkele koraalboeken met minder afgezaagde voorspelen dan van de versleten Worp.
Kortom, de organist verzorgt een wezenlijk onderdeel van de eredienst. Hij bereidt de gemeente voor de dienst voor op de prediking, hij stelt de gemeente in staat de opgegeven psalmen op de juiste toon en in de juiste maat te zingen, hij vult de stilte op die zou ontstaan als de collecte een wezenlijk onderdeel van de eredienst zou zijn, hij zorgt voor een toepasselijk naspel als de gemeente het kerkgebouw verlaat, hij staat klaar voor trouw- en begrafenisdiensten, hij moet niet zelden de tongwerken van het orgel bijstemmen, hij kan niet bij zijn gezin zitten, hij moet zeker een kwartier voor de dienst aanwezig zijn en hij welft tenslotte ieders lachlust op, als hij de laatste verzen van verschillende psalmen niet halveert (om van Psalm 18:15 maar te zwijgen), maar eenzaam doorspeelt. Dat anderzijds de organist zich dient aan te passen, behoort te studeren, er geen show van moet maken, spreekt vanzelf. Welnu, hij heeft er recht op, tijdig over de liturgie te worden geïnformeerd, in het gebed om een zegen over de dienst te worden betrokken en niet alleen op Nieuwjaarsmorgen te worden vermeld, van muziekboeken en muzieklessen te worden voorzien, kortom, de aandacht te krijgen die zijn positie toekomt. Vandaar dit artikeltje. Niet het orgel, maar een organist speelt'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's