Bach, een bode van boete en geborgenheid (1)
Toen de lente van 1685 inzette, op 21 maart, werd Johann Sebastian Bach geboren. Driehonderd jaar geleden.
Bachjaar
Toen de lente van 1685 inzette, op 21 maart, werd Johann Sebastian Bach geboren. Driehonderd jaar geleden. In datzelfde 1685 zagen overigens nog twee grote componisten het levenslicht: G. F. Händel en G. D. Scarlatti, en precies honderd jaar eerder Heinrich Schütz, de grootste meester van de Duitse kerkmuziek vóór Bach. Dat het recht en reden heeft om Bach dit jaar bijzondere aandacht te schenken - ook in de Waarheidsvriend - moge blijken uit wat volgt. Voordat we ons wat meer nadrukkelijk wenden tot Bach en zijn kerkmuziek, doen we er goed aan, ons te herinneren in welke tijd hij leefde. De Delftse organist P. van Amstel, die een waardig en waardevol geschriftje in het licht gaf t.g.v. dit Bachjaar, wijst op enkele samenhangen die we voor ogen dienen te houden. Ik geef er iets van door.
'Het geboortejaar 1685 (jaar ook van de opheffing van het "Edict van Nantes" hetgeen in Frankrijk opnieuw geloofsvervolgingen voor de Hugenoten bracht) ligt slechts 27 jaar verwijderd van het jaartal 1648 ("Vrede van Munster") waarbij een einde kwam niet alleen aan onze "80-jarige oorlog" tegen Spanje, maar ook aan de duitse "30-jarige oorlog", één der verschrikkelijkste uit de geschiedenis met zijn nasleep van hongersnoden en epidemieën, waardoor de duitse bevolking zelfs werd gedecimeerd van 20 millioen op 4 millioen, en die een onvoorstelbare maatschappelijke en morele ontreddering in Duitsland heeft gebracht. Ook tijdens Bach's leven nog is er voortdurend oorlogsgeweld in Europa geweest. In zijn vroegste jeugdjaren verwoestten franse legers de Palts, aan het einde van zijn leven maakt hij nog de 2e Silezische oorlog mee (1744-'45, met het beleg ook van Leipzig).'
Een tijd dus van dreiging, gisting en kentering. Maar hoe de werveling van de geschiedenis het volksleven ook in verwarring bracht, hele geslachten nog leefden binnen de bedding en de geborgenheid van de Lutherse traditie, vaak gekenmerkt door innige vroomheid en ongebroken trouw aan de confessie. Uit zulk een geslacht werd Bach geboren, een geslacht rijk aan muzikaal talent en aan Lutherse geloofsovertuiging.
Lutheraan
Bach moet men in een adem met Luther noemen. Bach werd weliswaar meer dan twee eeuwen later dan Luther geboren, maar ze horen bijeen. Is het toevallig dat Johann Sebastian het levenslicht zag in Eisenach, aan de voet van de Wartburg, Luthers 'Patmos'? Het was in die Wartburg dat Luther voor zijn eigen bestwil werd 'gevangen gezet' en het was tijdens deze ballingschap dat hij het Nieuwe Testament in het Duits vertaalde. Rond Eisenach waarde nog iets van Luthers geest. Gedoopt werd Bach in de Sankt Georgenkirche waar Luther ooit het Woord had bediend, en waar een neef van zijn vader, de beroemde Johann Christoph Bach, organist was.
Bach's vader speelde er zondags als stadsmusicus en Johann Sebastian zong er in zijn jongensjaren als sopraan mee in het schoolkoor. En de school die hij bezocht telde eertijds ook Luther onder haar leerlingen. Zijn vader was Luthers orthodox, zijn moeder kwam uit meer mystieke kring. Het 'lutherde' van meetaan rond Johann Sebastian! Heel het klimaat waarin hij werd geboren en getogen was van Lutherse vroomheid doorademd. En niet alleen van Lutherse vroomheid, maar ook van diens liefde tot de Musica.
Luther en de muziek
'Ik zou alle kunsten - zo schrijft deze liefhebber en beoefenaar van de muziek - en in het bijzonder die der muziek, gaarne in dienst willen stellen van Hem die haar geschapen heeft.' Hoe menigmaal ervoer hij er in zijn aangevochten leven niet de opbeurende kracht van. Hij wist wat het was, te musiceren de duivel ten spijt. Muziek richt verslagen harten op. Zij bergt een geestelijk geheim. Zij is van goddelijke komaf. 'Deze kunst is van het begin der wereld aan alle creatuur door God gegeven.' Johann Walther verhaalt: 'Ik heb met Luther menig aangenaam uur gezongen en dikwijls gezien, hoe deze beminde man van zingen zo vrolijk en welgemoed werd, dat hij het zingen bijna niet moe kon worden en van de muziek zo heerlijk wist te spreken'. En bij uitstek in fasen van geloofsbeproeving, wanneer een christenmens door het spervuur gaat, bewijst deze scheppingsgave haar helende kracht. Daar fungeert zij als geschut tegen de duivel, die daemon van zwaarmoedigheid. Luther vond en ondervond dat de muziek net zo goed in staat is om de duivel op de vlucht te jagen als de theologie.
Dit is goed beschouwd een heel opmerkelijke visie. Want aangezien het voor Luther vaststond dat alleen God Zelf tegen de duivel opgewassen is, ligt de conclusie voor de hand dat God ons in het verweer tegen de Boze evengoed wapent met de theologie als met de muziek. Beide zijn dus instrumenten in Zijn hand, beide zijn dus 'organen' van Zijn Geest om Zijn kracht in onze zwakheid te realiseren. Dit brengt ons gelijk al in aanraking met die voor de Lutherse eredienst kenmerkende notie, dat de muziek niet ondergeschikt is aan de theologie, maar nevengeschikt! De muziek is niet maar dienstmaagd van de theologie, maar zuster, tweelingzuster. Beide zijn zij van gelijken rechte. Beide zijn zij boden van Woord en Geest tussen God en Zijn volk... Om Bach's levenswerk enigermate te verstaan lijkt mij deze stelling fundamenteel. Zij werd in hem vlees en bloed.
Kenteken van de kerk
Luther bevorderde op de scholen niet alleen het Bijbelonderwijs, maar evengoed het muziekonderricht. Een schoolmeester die niet zingen kon, vond hij waardeloos. En mensen die een hekel aan muziek hadden, achtte hij lomperds, aan wier theologie ook wel het een en ander zou mankeren! Luther schreef geen commentaar op de Openbaring aan Johannes, maar hij had uit dit diepzinnige troostboek in ieder geval wel begrepen, dat de eeuwige heerlijkheid één grote 'cantate-dienst', één eindeloze liturgie voor God zal zijn! En hij begreep ook dat een leven waar de muziek uit is, en met name een eredienst waar geen muziek in zit, alles behalve een waardige voorbereiding op de eeuwigheid is. Bij de grondvesting van de aarde zongen de morgensterren. Israels cultus was een zangrijke. Boven Efratha zongen de engelen. Paulus wekt bij herhaling tot de lofzang op. En de heerlijkheid is ervan vervuld... Zou de kerk in haar wachtenstijd dan niet spelen en zingen? Luther rekende de zang, met het gebed, tot de kentekenen van de ware kerk. 'Waar je ziet en hoort dat men het Onze Vader bidt en ook psalmen en geestelijke liederen zingt, daar kun je er zeker van zijn dat daar een heilig christenvolk van God is.'
Het 'Hallelujah' is voor Luther - overigens geflankeerd door het 'Kurie, eleison' - de 'nimmer aflatende stem van de kerk'. Het Evangeliewoord en de Evangeliemuziek: komen bij Luther door dezelfde deur de wereld in, namelijk door onze mond (W. Mudde).
Dat bedoelde Luther toen hij eenjaar voor zijn sterven schreef: 'Wie in ernst gelooft dat God ons door Christus verlost heeft van zonde, dood en duivel, die kan het niet laten, die moet er vrolijk en met lust van zingen'.
Tussen eertijds en eerlang
In echte muziek ligt dunkt me iets van nasmaak en van voorsmaak. Haar harmonie herinnert aan het lied dat eertijds in Gods goede schepping weerklonk, het lied van wijsheid, schoonheid, vreugde en vrede, en tevens schenkt zij een vermoeden en voorsmaak van wat eerlang in de Herschepping zal opklinken. Muziek is niet zonder reden wel de taal van de hoop genoemd. In dit licht is het te verstaan dat Vondel naar Sweelincks orgelbespelingen ging in de Oude Kerk van Amsterdam. Hij wilde door het orgelspel heen 'de lieve pais der engelen horen en zijn ziel opheffen uit het slik van deze wereld'. En van Heinrich Schütz is bekend, dat hij verlangde om eerlang toegevoegd te worden aan 'de hemelse kantorij'.
Echte muziek verheft het hart, maakt beschaamd over het lage en het lelijke, vervult met heimwee naar het Heilige, is doorbraak van het hemelleven, kortom, zulk een muziek staat in het teken van Paulus' woord: 'Al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat wel luidt, zo er enige deugd is, en zo er enige lof is, bedenk dat..., en de God des vredes zal met u zijn' (Fil. 4 : 8, 9). Wie bespeurt bij het horen van dit woord niet, hoe strak het verlangen naar de uiteindelijke volmaaktheid hier gespannen is? En toch, 'tussentijds' zal het er reeds zijn, als voorschot en voorsmaak. En nu was het Bach's overtuiging dat de muziek hierbij een bijzondere rol speelt. Waarom? Omdat 'bij een "andachtige" muziekbeoefening God altijd met Zijn genade tegenwoordig is'. Dat wil zeggen: waar gemusiceerd wordt in liefde, vreugde, ernst en godsvrucht, daar is de genade van God in het spel. Vandaar de heilzame, zuiverende werking van de muziek. 'Niets - zei Luther eens - niets op aarde is krachtiger om de treurigen vrolijk te maken, de versaagden te bemoedigen, de hoogmoedigen tot deemoed te lokken, de ongebreidelde hartstocht in te dammen, de haat te stillen... dan de muziek.'
Bach-waardering
De lof die Bach geoogst heeft is niet gering, en de liefde die zijn werk ontving en nog ontvangt ligt ver boven het gemiddelde. Begin en einde van de muziek is hij zelfs genoemd (Reger). Beethoven moet gezegd hebben: Niet Bach (beek) moet hij heten, maar zee, oceaan. En Goethe kreeg van een vriend te horen: 'Als je nu alles laat gelden wat vóór of tegen deze man gezegd zou kunnen worden, moet je zeggen: hij is een verschijning Gods, klaar en helder, maar onverklaarbaar'.
En toen Charles Marie Widor het grootse Bach-boek van Albert Schweitzer in 1907 van een voorwoord voorzag, eindigde hij zo: 'Wat Bach in zijn werken uitspreekt, is het pure religieuze besef... Het is besef van het verhevene en oneindige, waarvoor woorden steeds een inadequate uitdrukkingsvorm blijven en dat alleen in de kunst tot ware uitbeelding geraakt. Voor mij is Bach de grootste prediker. Zijn cantates en passionen bewerken een gegrepenheid van de ziel, waarin de mens voor al het ware en eenheidscheppende ontvankelijk en boven het kleine en scheidingmakende verheven wordt...'.
En Schweitzer zelf, die van jongsaf met Bach's muziek heeft geleefd en dat volhield tot in de binnenlanden van Afrika toe, typeert Bach met 'de synthese van Germaanse diepe innigheid en ideeënrijkdorri, die gekleed gaat in de volmaaktheid van romaans vormbesef...'. Men kan deze en soortgelijke loftuitingen rijkelijk lyrisch vinden. Ze zijn het ook. Maar wie z'n liefde tot Bach tot uitdrukking wil brengen, kan dat moeilijk anders dan lyrisch doen!
H. van der Linde, die kortgeleden een in grote trekken lezenswaardig boek aan de cantor van Leipzig wijdde, schrijft: 'Er gaat sterkende, louterende, zuiverende kracht van Bach's muziek uit... Er zijn mensen die ontdekt hebben dat deze muziek hen door ondiepten en stroomversnellingen, door allerlei crisissen in het leven heeft heen geholpen. Bach wist van het leed door geleden onrecht, maar kende ook de bitterheid van eigen schuld. Hij weet van val en opstanding, van omkeer en levensvernieuwing'.
En toch, Bach's faam was niet ononderbroken en zijn betekenis bleef niet onweersproken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's