De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geestelijk en overgeestelijk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geestelijk en overgeestelijk

14 minuten leestijd

Wij hebben er allen wel een vage voorstelling van wat met de termen 'geestelijk' en 'overgeestelijk' wordt bedoeld.

Wij hebben er allen wel een vage voorstelling van wat met de termen 'geestelijk' en 'overgeestelijk' wordt bedoeld, maar het zal niet gemakkelijk zijn ze nauwkeurig te bepalen en af te grenzen tegen wanbegrip. De lezer moet het ons dan ook niet euvel duiden, wanneer wij in deze bijdrage hier en daar wat vaag blijven. Het hangt er ook van af onder welke gezichtshoek men het onderhavige probleem beziet. Het kan derhalve voorkomen, dat wat de ene mens beslist overgeestelijk acht, de ander juist de uiting van een intens geestelijk leven meent te zijn. Men moet deze onhelderheid in de begripsbepaling maar voor lief nemen. De bedoeling in dit artikel is oprecht deze, op fijngevoelige manier te tasten naar een afbakening van beide aanduidingen. Op deze wijze kan het mogelijk zijn de lezer te helpen bij de beoordeling van een verschijnsel, dat concreet tegenwoordig is, maar juist uitermate zwaar is te schilderen.

Als uitgangspunt kiezen wij voor ditmaal de geestelijke mens. Natuurlijk hadden wij ons betoog ook minder abstrakt kunnen houden. Maar juist om den wille van de klaarheid is het noodzakelijk van een tastbaar punt uit te gaan. Welnu dan, wat is een geestelijke mens? Niemand beter dan de apostel Paulus heeft dat naar onze mening geschetst in Romeinen 12 vers 1. 'Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige, Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst.' Wij gaan voor ditmaal voorbij aan de bijzondere plaats van dit vers in de brief aan de Romeinen. Wij zwijgen ook over de details van uitlegkundige aard. Geredelijk zou daar veel over te zeggen zijn, maar wij laten dat voor ons doel nu rusten. Er is oorzaak om op wat anders te wijzen. Heel de raad des vredes en die daden der genade, in de brief beschreven, en door de lezers ervaren - het zijn openbaringen der ontfermingen Gods, die beantwoording vragen van de zijde der beweldadigden. Wat Paulus nu van zijn lezers begeert, drukt hij uit in een woord, dat de ganse roeping van een christen omvat, alzo dat alle volgende vermaningen slechts ontwikkelen, wat in dit ene besloten ligt: ik bid u, dat gij uw lichamen stelt tot een offerande. Het woord wijst terug op de eredienst van het Oude Testament, die eigenlijk geheel en al uit het brengen van offers bestond. Paulus wijst hier niet op zoenoffers, maar op dankoffers. De zoenoffers van het oude verbond zijn in het nieuwe verbond vervangen door dat éne werkelijke zoenoffer, gebracht op Golgotha's kruis. De offers, die thans nog te brengen zijn, kunnen niet anders dan dankoffers wezen. Maar niet alleen kunnen deze offers puur dankoffers zijn, zij zijn ook nog van de offers van het oude verbond wezenlijk onderscheiden. 'Stelt uw lichamen tot offerande'. De tegenstelling is hier niet de zo vaak voorkomende tegenstelling van ziel en lichaam, maar 'uw lichamen' staat hier tegenover de dierenoffers. Die offers gingen buiten de persoonlijkheid van de offeraar om. Het komt nu aan op het feit, dat de beweldadigde zichzelf tot offer geeft. Hun eigen lichamen, niet meer de lichamen van dieren moeten zij offeren.

Voorts - die offeranden moeten zijn: heilige, van zondevlekken gereinigde, werkelijk God toegewijde offeranden; levende offeranden, omdat het hier aankwam niet op het zich overgeven in de uitwendige dood, maar op het zich toewijden in de arbeid en de strijd van het dagelijks leven. Daarin moet met voortdurende zelfverloochening de wil van God betracht worden. En zo is dan die offerande vanzelf een 'Godewelbehagelijke', omdat daarin de liefde zich openbaart, die het hart bezielt, dat zulk een offer brengt. Zulk offeren noemt de apostel nu: 'een redelijke godsdienst'. De bedoeling daarvan is niet: een godsdienst, waarvan de stellingen zich rechtvaardigen voor de uitspraken van de menselijke rede. Godsdienst is niet in de eerste plaats een stelsel. Het is een leven, dat eerst achteraf en slechts ten dele voor beschrijving vatbaar is. Dan eerst is de godsdienst een redelijke godsdienst, wanneer die beantwoordt aan wat het wezen Gods eist - geen vormen of schaduwen, maar werkelijk leven, dat terugwijst op van God ontvangen leven. Eerst de christenen, die, ingeplant in de Zoon van God, dat waarachtige leven deelachtig zijn, kunnen zodanige levende offeranden brengen, die niet maar een ceremonie of voorafschaduwing, maar een werkelijke verheerlijking God zijn. De dienst aan God beperkt zich nu niet tot het terrein van de innerlijkheid. Ze wil zichtbaar en tastbaar worden in de wereld van het lichaam. Met deze beschrijving staat nu de levende verloste geestelijke mens vóór ons. Wat let ons daarin u voor te stellen de apostel Paulus zelf? Gebonden aan het Woord Gods, levende door de Geest der genade, in nauwe geloofsbinding met Christus? Een mens, die ons in de eerste zondag van de Heidelbergse Catechismus tegenkomt, vol van warmte, visie en vaart.

Een echt Christen!

Zulk een geestelijk mens is nooit mateloos en bandeloos. Dan hebben wij een dweper voor ons. Een fanaticus. Neen, zulk een mens is aan zijn God gebonden, aan het Woord, aan zijn geschapen lichaam, aan de orde van de wereld. Aan de natuurwetten. Wanneer dat niet het geval is verschijnt voor ons de overgeestelijke mens in het beeld. Overgeestelijk zijn is dan ook een kenmerk van de valse mystiek. De overspannen, ziekelijke mysticus wil God onmiddellijk genieten, werpt alle uitwendige genademiddelen weg, wil van geen kerk, geen belijdenis, geen ambt, geen Woord, geen sacrament en geen onderwijzing, noch tucht weten en laat zich drijven op 'inwendig licht'. Hij verlegt de bron van de Openbaring Gods van het uitwendig woord, dat is de Heilige Schrift, naar het inwendig woord, dat de Heilige Geest onmiddellijk spreekt in 's mensenhart. De valse mystiek slaat aan de ene zijde over naar de zinnelijke kant. Kiest zij de zinnelijke doorvloeiing, dan vervalt zij tot de meest onbeteugelde onzedelijkheid zoals de naaktloperij of de veelwijverij. Men denke niet dat zulke uitwassen in de geschiedenis van de kerk nimmer zijn voorgekomen. Integendeel - helder voor de geest mag voor de kenner staan de tonelen van de Wederdopers in Munster ten tijde van de beginnende hervorming. De dweepzucht vertoont zich wel het meest en het sterkst op religieus gebied. De dweepzieke lijdt bepaalt aan een zielkundige afwijking: Hij heeft een bewustzijnsvernauwing ten opzichte van hetgeen door hem voorgestaan wordt. Zijn uit het evenwicht getrokken geest laat geen rustige overweging, geen toetsen van ingebrachte bezwaren toe. Andere opvattingen kan hij niet dulden, tegenspraak of twijfel van anderen windt hem dermate op, dat hij zijn stuur verliest, alle goede trouw bij zijn bestrijders buitensluit, hun oppositie als belediging opvat en beantwoordt met felle haat. ledere nederlaag maakt hem des te bitterder en hartstochtelijker, terwijl overwinningen hem hatelijker en overmoediger maken en het vuur bij hem in laaiende gloed doen opvlammen. Politiek gezien is Hitler een voorbeeld geweest van dweepzucht ten aanzien van de Joden. Bloed en tranen zijn er het gevolg van. Ja, volkerenmoord en rassenwaan. Ook in bescheidener mate kunnen dwepers een secte tot wilde orgieën aanvuren. Trouwens, de lezer heeft ongetwijfeld wel eens gehoord van een godsdienstwaanzin die regelrecht leidde tot het vermoorden van een tegenstander. Men doet er goed aan niet lichtvaardig hierover te denken.

Aan de andere kant slaat de valse mystiek naar het geestelijke over. Dan verlaagt zij zich in overgeestelijke en daarom juist in ongeestelijke overleggingen. Het gevoelsleven is overgevoelig, het verbeeldingsleven overprikkeld, het gemoedsleven overspannen. Geen band aan het Woord, maar alleen vrije geesteswerking, met ingevingen, inwerpsels, voorkomende wilde opwellingen, aandoeningen, gezichten, inblazingen, verrukkingen en tenslotte wilde fantasieën - daar hebt u enige van de kwade vruchten van de geestelijke dweepzucht. Pogen wij het wat in kaart te brengen, dan loopt de geestelijke zijde van de dweepzucht dóór naar de vereenzijdiging van het algemeen ambt der gelovigen op één bepaald punt. Laten wij ons klaarder uitdrukken. Het ambt der gelovigen is een drievoudig ambt. Profeet, priester en koning. Welnu, dan kunnen wij spreken van een drietal eenzijdigheden.

Vooreerst het intellectualisme. Het intellectualisme legt eenzijdig de nadruk op het profetisch ambt. De kennis wordt verheerlijkt. Voor de intellectualist is Christus een voorbeeld, de dogmatiek een dor systeem, de ethiek een ingewikkeld samenstel van geboden en regels, die zij op de schouders van anderen leggen en zelf met hun vinger niet aanraken. Een levend gevaar van deze richting is, dat de aanhangers er van gaan zweren bij de vaderen. Er komt hier geen worsteling met het Woord, maar een verheerlijking van een bepaald tijdperk in de historie, dat men zelf met een gouden glans overhuift. Ook onderkent men hier een aanhalen van bepaalde schrijvers, die men schier stelt boven de Heilige Schrift. Een algehele rationele verstarring van het geloofsleven is hier te bespeuren. Het boude redenerende en speculerende verstand zit op de troon. Het begrip verdringt het warme hart.

Daarop volgt het mysticisme. Daarbij gaat de eenzijdigheid in de priesterlijke richting. De aanhanger van deze richting laat zijn godsdienstig leven extreem door het gevoel beheersen. Dat er een diepe, heilige mystiek op godsdienstig en christelijk terrein denkbaar, ja, van het geestelijk leven in zekere zin onafscheidelijk is, zal zeker niemand ontkennen. Hoe diep kan een Johannes spreken, hoe diep een Paulus! Denk ook eens aan Thomas à Kempis. De innerlijke levendigheid van de religie is te allen tijde mystiek. Maar van zulk een teer, verborgen gemoedsleven moet een nevelig en ziek mysticisme wel onderscheiden worden, dat gevoel en bevinding ten koste van rede en geweten laat spreken. Het gevoel beslist wat waar en onwaar, wat goddelijk en menselijk is en tegenover deze rechtspraak is ook de bondigste redenering tevergeefs. Licht kiest men het gezelschap tegenover de kerk. De aanhanger van het mysticisme oordeelt al gauw, dat het bij velen een voet te hoog zit, ofschoon Christus toch duidelijk heeft gezegd, dat wij God ook moeten liefhebben met het verstand. De christenprediking vindt hier applaus. Voor hem is: 'er viel met kracht in mijn ziel' veel meer dan het Woord. Treedt nu het overprikkeld gevoel in verbond met de ontvlamde fantasie, dan laat weldra een teugelloos fanatisme zich gelden. Het zou wezenlijk niet moeilijk zijn hier voorbeelden te geven uit de kerkgeschiedenis. Reeds in de eerste eeuwen treffen wij het aan bij de Montanist, in de Oosterse kerk, later bij de Wederdopers en in het Labadisme. Men gevoelt over het algemeen weinig voor de kerk als kerk des Heeren. Men bemint de conventikels of gezelschappen. Men scheidt zich gemakkelijk af van de kerk, wanneer conflicten komen. Voor ambtelijke bediening ontbreekt de nodige achting. Tal van jongeren worden in deze kringen schromelijk verwaarloosd. Er heerst een tweespalt tussen natuur en genade. Het stoffelijke en het natuurlijke wordt minderwaardig geacht. Werken doet men wel, maar men ziet het niet als een goddelijke roeping om de aarde te heiligen.

Een derde eenzijdigheid is het moralisme. Dat legt eenzijdig alle nadruk op het koninklijk ambt. Zij willen zijn de mensen van de daad en stellen het leven boven, zelfs los van de leer. Het godsdienstig leven wordt hier bij voorkeur als een zaak van de wil begrepen. Het vraagt meer naar de uitwendige vorm dan naar het innerlijk beginsel van het leven. Op deze linie wordt aan het godsdienstig begrip of gevoel slechts weinig betekenis toegekend, maar des te meer aan het doen. Er moet altijd wat! Je moet geloven. Je moet aan het Avondmaal. Je moet - er ontstaat een verschrikkelijke wettische dwang in plaats van een evangelische vrijheid. De hulpmiddelen der godzaligheid worden met de godzaligheid zelf verward. Zo kan het gebeuren, dat in een gemeente de genade uit het oog wordt verloren; dat de Doopsbediening en het Avondmaalgebruik vereenzelvigd wordt met het ontvangen der genade. Een methodistische eenvormigheid schrijft allen dezelfde bekeringsweg voor. Of een schuwe wereldverachting verbiedt ook het geoorloofd genot van natuur en kunst. In een gemeente kan deze geest heersen, maar ook een charismatische groep weet er van. Het einde van deze weg is de kloosterpoort.

Wij tekenen deze verkrommingen uiteraard als eenzijdigheden. Maar dat neemt niet weg dat wij toch rekening hebben te houden met de verschillende nuanceringen die met het ambt der gelovigen in verband staan.

Er is een grote verscheidenheid van gaven. Wij worden niet, als in een fabriek, naar een en hetzelfde model gemaakt. God werkt organisch. In de rijke verscheidenheid zien wij de eenheid van Christus. Er zijn kinderen Gods, die vooral ontvangen hebben de gaven van verstand en wijsheid. Zij hebben de gave ontvangen uit de Schrift te putten en anderen te leren. Ze doorlichten wereld en tijd met een profetisch inzicht. Er zijn ook kinderen Gods, die vooral bezitten de gave van de liefde van hart. Door hun liefdevolle arbeid winnen zij anderen voor Christus. Door een bemoedigend woord stellen zij tegenover de afbrekende kritiek hun opbouwende kritiek. Zij houden door hun spontane aard een gemeenschap dicht aaneen. Houd dezulken in waarde. Een gewone gemeente kan het langer uithouden met de zodanigen dan met elke andere gave. Want deze gave troost in nood en dood.

Dan zijn er nog anderen, die altijd klaar staan, wanneer er iets gedaan moet worden in de zaak van Gods Koninkrijk. U kunt immer op hen rekenen. Ze stellen nooit teleur. Ze geven hun kracht en tijd graag voor de dienst des Heeren. Zij verrassen door hun stuwkracht - maar moeten ook wel eens worden geremd.

In een harmonische samenleving komt de onderscheiden gave op onderscheiden tijd tot uiting. De godsdienst moet de gehele mens bezielen. Wanneer evenwel deze godsdienst uitsluitend door één vermogen van de menselijke natuur wordt beheerst, daar wordt ten gevolge van die eenzijdigheid het ontstaan van ziekteverschijnselen in deze sfeer onvermijdelijk. Uit die ziekte­ verschijnselen komen sekten tevoorschijn, die weer de kiemen van nieuwe ziekten in zich dragen. De onbelemmerde ontwikkeling van die ziekten kan voor het individueel en gemeenschappelijk leven zo dodelijk worden, dat de godsdienst zelf eindelijk in goddeloosheid ontaardt.

'Geestelijk' dreigt dan telkens naar 'overgeestelijk' over te hellen of naar ongeestelijk. Verbastering kan immer gebeuren. Daarom mag het godsdienstig leven niet aan zichzelf alleen worden overgelaten. Het moet door een onbedrieglijk richtsnoer worden geleid. De beste bescherming tegen geestelijke overdrijving is een gedurig bewust zijn, dat het hart van ons mensen steeds aan de Schrift maar gebonden blijve door de werking van de Geest. Woord en geest dienen samen te gaan. Naarmate de werking des Geestes in het hart wordt losgemaakt van de Schrift, komt zij ook losser te staan tegenover de persoon van Christus en heel het historisch Christendom. De geest van de mens wordt vrij van de Geest des Heeren. Hij wordt autonoom. Verliest alle controle en begrenzing en voordat wij het weten schieten wij door. Hetzij naar het begrip, hetzij naar het gevoel, hetzij naar de wil. Het komt ons vóór, dat de neiging tot overgeestelijkheid in ons land zijn duizenden verslaat op het terrein van het gevoel. Wie diep in het volksleven geblikt heeft, weet hoe oneindig ver in het verleden emoties hun kracht putten. Met ons Nederlandse volksleven komt het mysticisme het meest overeen. Maar laat ons ook niet gering denken over de overtrekking van het begrip en de wil. Een overgeestelijk mens is een onharmonisch mens. Ook ten aanzien van de krachten van zijn lichaam of van de natuur weet hij geen maat. In die zin waarschuwt Paulus ons voortdurend tot matigheid. Wij moeten ons stellen onder de tucht van Gods Woord. Anders vliegen wij door en hollen wij voort.

Geestelijk en overgeestelijk. Te zeer weten wij wel van allerlei mallotigheden en bijzonderheden in het geestelijk leven. Te vaak ook worden sensuele gebeurtenissen in de godsdienst voor overgeestelijk verklaard. Met name ook sexuele afwijkingen. In feite komt overgeestelijkheid veel meer voor en veel wijder dan wij denken. Het enige geneesmiddel is een levende binding aan Gods Woord, door een levende bediening van Gods Geest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1985

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Geestelijk en overgeestelijk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1985

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's