Het heeft de Heilige Geest en ons goedgedacht...
In Handelingen 15 maakt Lucas melding van een bijeenkomst van de apostelen en oudsten van de gemeente van Jeruzalem.
In Handelingen 15 maakt Lucas melding van een bijeenkomst van de apostelen en oudsten van de gemeente van Jeruzalem, een bijeenkomst die doorgaans aangeduid wordt als het 'apostelconvent', en die, zoals prof. dr. J. F. Versteeg ergens zegt, een sleutelpositie in het geheel van het boek Handelingen inneemt.
Het punt in kwestie was, of heidenen die tot het geloof in Christus kwamen en toe-traden tot de gemeente, ook besneden moesten worden. Ons mag dit punt vreemd voorkomen, maar we moeten bedenken dat in de sfeer van het Jodendom dit een aangelegen punt was. Wanneer een heiden als proseliet toetrad tot de joodse gemeente was de besnijdenis een noodzakelijke eis. Met de toename van het aantal heidenchristenen, waarvan Lucas in de voorafgaande hoofdstukken melding maakt, werd dit discussiepunt urgent. Terwijl Paulus, zoals ook uit de brief aan de Galaten blijkt, met grote klem verdedigde dat alleen het geloof in Christus genoegzaam was, waren er, zoals we in Hand. 15 : 1 lezen 'sommigen uit Judea', die deze prediking bestreden en de eis van de besnijdenis stelden. Terwille van de waarheid van het Evangelie verzette Paulus zich tegen deze mensen. Er stond immers geweldig veel op het spel. Niet alleen het Evangelie van Gods genade in Christus als de enige weg tot redding, maar ook de zekerheid van het heil. Zouden de judaistische tegenstanders van Paulus gelijk krijgen dan werd voor de heidenchristenen de zekerheid van hun deelgenootschap aan het heil aan het wankelen gebracht. Bovendien werd het samenleven van Joden en heidenen binnen één gemeente door dit drijven van de Judaisten onder sterke druk gesteld.
Op het apostelconvent koos de gemeente van Jeruzalem na scherpe discussies de zijde van Paulus. Met name Petrus en Jacobus spraken op dit punt beslissende woorden, die tot strekking hadden dat men de heidenchristenen niet met het juk van de wet moest lastig vallen. Het enige wat van de heidenchristenen gevraagd werd, was dat zij zich zouden onthouden van enkele praktijken die hun broeders uit de Joden aanstoot gaven en enkele regels te onderhouden, die het samenleven binnen de ene gemeente mogelijk moesten maken.
Versteeg (Gij die eertijds verre waart, blz. 43) spreekt van een uiterst belangrijk besluit waardoor de deur voor het zendingswerk onder de heidenen pas goed geopend werd en de kerk er voor bewaard werd te worden tot een joodse secte. Ik laat dat alles nu verder rusten om uw aandacht te vragen voor de formulering waarmee het besluit van het apostelconvent wordt ingeleid; 'Want het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht, ulieden geen meerdere last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen' (vs. 28).
De Heilige Geest en ons... Dat is een curieuze woordverbinding, die ons plaatst voor de vraag: Hoe hebben we de relatie te zien tussen het werk van de Geest en de arbeid van ambtsdragers en gemeenteleden. Is het gevaar niet groot dat we de woordverbinding lezen als een simpele nevenschikking waarbij het nog maar een kleine stap is naar een opvatting waarbij nevenschikking tot onderschikking wordt, de Geest de gevangene van de kerk wordt en de kerk (leiding, instituut, synode) meent over de macht van de Geest te, kunnen beschikken? Juist als reformatorische christenen zijn we daar beducht voor. Was de hervorming niet een protest tegen een kerk, die zich gedroeg alsof zij de Geest in pacht had?
Toch lezen we de tekst verkeerd als we er een nevenschikking in zien. Het mag ons al veel te zeggen hebben dat er niet staat: wij en de Heilige Geest... Neen, met nadruk wordt de Geest als eerste genoemd! Reeds Calvijn wijst er op, dat Lucas met deze spreekwijze alleen wil zeggen dat de leiders en de gemeente van Jeruzalem bij hun besluiten de leiding van de Geest gevolgd hebben. En Calvijn grenst dit dan af naar twee kanten: enerzijds snijdt dit woord diegenen de pas af die zich beroepen op Gods leiding zonder erkenning van de dienaren door wie God spreekt, anderzijds verzet dit woord zich tegen hen die zich beroepen op het gezag van de kerk zonder zich te willen voegen naar wat de Geest gebiedt.
Wie zich verdiept in het boek Handelingen, ontdekt keer op keer hoe het werk van de zending, het getuigenis van de apostelen in de wereld, maar ook de vorming en de leiding van de gemeente, haar opbouw en versterking niet plaats vinden uit eigen aandrift of willekeur van mensen, maar geschieden door de kracht van en onder de leiding van de Heilige Geest. Verschillende commentatoren verwijzen bij Hand. 15 : 28 naar Hand. 5 : 32, waar Petrus in zijn verweer voor het Sanhedrin over de opstanding van Christus sprekende, zegt: 'En wij zijn Zijn getuigen van deze woorden en ook de Heilige Geest, Welke God gegeven heeft degenen die Hem gehoorzaam zijn'. Ook uit deze tekst blijkt, dat het niet gaat om een gelijkstelling van de Heilige Geest en de mensen. Petrus spreekt immers over de gave van de Geest die slechts in het geloof ontvangen wordt. Maar deze Geest bevestigt dan ook het getuigenis der apostelen. Zij spreken niet op eigen gezag, maar geleid door de Geest.
Dat de Geest de gelovige en de gemeente leidt blijkt ook uit Hand. 13 : 4: de uitzending van Barnabas en Paulus, alsmede uit Handelingen 16 : 6, waar de Geest Paulus verhindert het woord in Asia te spreken.
Nu komt de vraag boven: oe moeten we ons deze leiding van de Geest in de besluitvorming waarvan Hand. 15 spreekt, voorstellen? Prof. Grosheide wijst er in de Korte Verklaring op Hand. 15 op, dat we moeten letten op de bijzondere heilshistorische positie van de apostelen, die van Christus de belofte van de Geest ontvangen had die hen in alle waarheid zou leiden. Anderen zijn van oordeel dat we moeten denken aan hetgeen in het huis van Cornelius was gebeurd (Hand. 10) en aan wat Paulus en Barnabas verteld hadden: doordat de Geest op heidenen was uitgestort, was het aan de gemeente en hun leiders duidelijk dat men niet de last van de besnijdenis op de tot geloof gekomenen mocht leggen. Deze opvatting heeft in het licht van vs. 8 veel voor. Al kan men tegenwerpen dat nu juist het bericht van de apostelen door hun tegenstanders in twijfel getrokken werd. Weer anderen denken aan het in Handelingen zo vaak genoemde verschijnsel van de profetie. Het profeteren is voor Lucas dé werking van de Geest (Hand. 2 : 18). De Geest sprak door de profeten, die de woorden van de Schrift toepasten op Christus en de situatie van en in de gemeente. De profetie als door de Geest geïnspireerde uitleg staat in nauwe relatie tot het onderwijs van de apostelen. Hebben we in het beroep van Jacobus op de profetie van Amos (Hand. 15 : 16-17) zo'n voorbeeld van profetische Schriftuitleg? Het besluit van de Heilige Geest staat niet los van de Schrift. Dat is altijd weer de hoogste norm in de ordening en opbouw van de gemeente. Noordmans heeft met het oog op het Schriftberoep in verband met de orde der kerk eens gezegd: 'De traditie is een draad die breken kan. De Schrift is een fundament, waarop men altijd weer bouwen kan' (V.W., blz. 393).
Het mag duidelijk zijn, dat de vergadering in Handelingen 15 in de volle overtuiging leeft te handelen overeenkomstig Gods wil. Daaraan weet men zich gebonden. Men heeft in allerlei discussies wel eens gesproken over het hogere gezag van de moedergemeente van Jeruzalem, ten opzichte van Antiochië. Met Bronkhorst ben ik van mening dat we alleen maar kunnen spreken van 'hoger gezag' als we daarbij denken aan het gezag van de Heilige Geest, sprekende door de apostelen en de profeten. Zijdelings merk ik nog op, dat hoewel Petrus op deze vergadering de eerste woordvoerder is, hij toch niet alleen beslist. Petrus poogt de broeders te overtuigen, hetgeen wat anders is dan een uitspraak ex cathedra zoals in later eeuwen gedaan is door hen die pretenderen de stoel van Petrus te bezetten.
De Heilige Geest en ons... Van een nevenschikking is geen sprake, zeiden we hierboven. Toch - en dat is de andere kant - mogen we het 'en ons' niet verwaarlozen. Het staat er met nadruk bij. De Geest staat het werk en de activiteit van de gelovige niet in de weg, maar opent juist tot dat werk de weg. De Geest schakelt de gelovige als mens in vrijheid en verantwoordelijkheid in in zijn eigen werk. Het is ten onzent met name Van Ruler geweest die voor dit aspect van het werk van de Geest aandacht heeft gevraagd. Firet en Rebel hebben dit gegeven vruchtbaar pogen te maken voor het pastoraat, de dienst van de pastor aan mensen. Maar we kunnen het ook toepassen op de vragen van gemeenteleiding, orde en opbouw. De leiding van de Geest gaat niet buiten de gelovige en dus buiten menselijke overwegingen en argumenten om. Er vallen besluiten na broederlijk overleg. Mensen worstelen om de rechte weg van het geloof en de liefde te vinden, in broederlijke verbondenheid, luisterend naar de Heere en naar elkaar. Om zo samen te onderkennen wat de wil des Heeren is. En vrijmoedig zegt men: Het heeft de Heilige Geest en ons goedgedacht... De Geest maakt gebruik van de gaven van tact en wijsheid, van helder inzicht en fijngevoeligheid. De vrijheid in Christus wordt beleden, maar ook de broederlijke saamhorigheid betracht, die zorg heeft voor de zwakheden van de ander en ongezonde polarisatie zoekt te voorkomen.
Zou hier niet een hint liggen met betrekking tot het in onze zo verdeelde kerk moeilijke vraagstuk van het spreken van de kerk naar binnen en naar buiten? Tastend en zoekend, luisterend naar het apostolisch en profetisch getuigenis en in broederlijke verbondenheid zullen we hebben te beproeven, wat de wil des Heeren is. Ook in Handelingen 15 lag het antwoord op het punt in kwestie kennelijk niet voor het oprapen. Er is diepgaand gesproken. Maar op deze weg, de weg van het gehoorzaam luisteren, gaat de belofte van de Heere dat Hij door Zijn Geest ons in alle waarheid wil leiden, in vervulling.
Tenslotte: Er is in Handelingen 15 duidelijk sprake van leiding. Er worden besluiten genomen waaraan de gemeente gebonden is, omdat de Geest die Christus verheerlijkt, haar regeert. Maar de besluiten zijn geen starre regels, geen paragrafen uit een wetboek. Ze dienen de opbouw van de gemeente, de verdieping van de geloofsblijdschap. De brief van het apostelconvent wordt dan ook, zo lezen we in vs. 31 ontvangen als een vertroosting, of, zoals we ook mogen vertalen als een bemoediging. Dat is tekenend en veelzeggend. Onder het regiem van de Geest wordt de vrijheid in Christus gehandhaafd, de onderlinge liefde beoefend, de eenheid gediend. Zo dient de orde van de gemeente haar opbouw en versterking.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's