'Samen op Weg' - een positiebepaling
Referaat, gehouden op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op 22 mei 1985 te Nijkerk.
Referaat, gehouden op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op 22 mei 1985 te Nijkerk.
Inleiding
Wat ik deze middag tot u ga zeggen heeft in de eerste plaats iets voorlopigs. Dat is tot uitdrukking gebracht in de ondertitel van dit referaat over 'Samen op Weg' (S.O.W.), namelijk een positiebepaHng, niet kortweg positiebepaling of de uiteindelijke positiebepaling.
Maar wèl is het zo dat wat ik zeggen ga gedragen wordt door het hoofdbestuur, zij het dat ik mijn eigen persoonlijke toonzetting aan dit verhaal geven zal. Met gedragen worden door het hoofdbestuur bedoel ik dan dat ik in datgene, dat aan de orde komt, probeer door te geven wat in de véle, véle gesprekken, die over S.O.W. in het hoofdbestuur zijn gevoerd, de revue passeerde; terwijl ik bovendien, wat de conclusies betreft, ook mede terugga op de laatst gehouden vergadering van het hoofdbestuur, die speciaal met het oog op S.O.W. enkele weken geleden gehouden werd. Verder spreek ik uiteraard vanuit mijn persoonlijke ervaring; een ervaring die ik opdeed zowel in de Raad van Deputaten Samen op Weg, waarvan ik vanwege correspondentie tussen het hoofdbestuur en het moderamen van de Generale Synode deel uitmaak, alsook in de vele spreekbeurten in den lande, waarin ik kon peilen hoe S.O.W. in de gemeenten leeft of niet leeft.
Onomkeerbaar
Het eerste, dat gezegd moet worden is dat het proces 'Samen op Weg onomkeerbaar' is. Althans zo heet het te zijn. De feiten tot nu toe bevestigen deze stelling.
In 1961 werd het proces van S.O.W. opgeroepen door een actie van de zogenaamde achttien, die - het waren negen theologen uit de Gereformeerde Kerken en negen uit de Nederlandse Hervormde Kerk - uitriepen dat de gescheidenheid van beide kerken niet langer kon worden geduld. Het gaat namelijk om twee kerken uit dezelfde reformatorische traditie, zo werd gezegd. Aanvankelijk leek het, dat de beweging van de achttien zou verzanden, maar in 1971 was er opeens een combi-synode, die werd gevolgd door het in het leven roepen van een Raad van Deputaten S.O.W. in 1972, met aanverwante werkgroepen. Deze raad en deze werkgroepen hebben nu reeds ongeveer 13 jaar intensief gewerkt, nota's ge-
produceerd, bezinningsmateriaal aangedragen. Dat gebeurt niet voor niets. Dus vóórdat er in de gemeenten besef ontwaakte dat het met S.O.W. ernst begon te worden was er al heel wat serieus voorwerk gedaan. Het resultaat, dat uiteindelijk naar buiten is gekomen, was: de éne combi-synode na de andere, met steeds korte tussenpozen. De combi-synode van 1982 kwam daarin het meest geprofileerd naar buiten, omdat toen voor het eerst een planning wat betreft de jaartallen werd gemaakt. Het jaar 1986 werd daarbij als een magisch jaar voorgesteld. Niet dat dan de samenvoeging van beide kerken een feit zou moeten zijn - hoe zou het kunnen! - maar wel dat dan, honderd jaar na de Doleantie, duidelijk uitgesproken zou zijn dat S.O.W. onomkeerbaar is. Want dat is namelijk de bedoeling van de intentieverklaring, die op de laatst gehouden combi-synode, namelijk die van 1984 werd aangenomen en waarover van de zijde van classes en gemeenten thans instemming wordt gevraagd.
Men lette er goed op, de onomkeerbaarheid van het proces is thans aan de orde. De intentieverklaring bedoelt deze onomkeerbaarheid.
Intussen is het echter al wel zo dat de besluiten van de combi-synode, een hchaam dat zélf geen rechtspositie heeft, door de afzonderlij ke vergaderingen van de hervormde synode en de gereformeerde synode zijn bekrachtigd. De synoden zeggen van stap tot stap met de onomkeerbaarheid in te stemmen. En daarom zijn we nu terecht gekomen in de fase van het beraad over de kerkordelij ke bepalingen. Wat thans aan de orde is, zowel in de Raad van Deputaten, als in de combi-synoden, die in het vooruitzicht liggen, is het beraad over de vraag hoe het verder moet. Het gaat thans om de vraag van de zogeheten 'tussenorde', waarin allerlei geregeld wordt voor gemeenten, die in federatief verband al samen op weg zijn. Daarbij gaat het echter wel om deze zaak: wat nu tussenorde is schuift langzaam maar zeker, naarmate er meer federatieve samenwerkingsverbanden in de gemeenten komen, op naar een gewone orde. Dus is het niet onbelangrijk om betrokken te zijn bij de bezinning op de tussenorde, waarom het nü gaat.
Van bovenaf
Het S.O.W.-proces, zoals zich dat tot heden voltrekt, vindt intussen plaats van bovenaf. Natuurlijk, er is ook sprake van een beweging van onderop, namelijk vanuit die gemeenten, waar men al langere of kortere tijd samen op weg is, zeg de zogeheten gefedereerde gemeenten. Maar het eigenlijke beraad vindt plaats in de Raad van Deputaten en in de afzonderlijke werkgroepen. Daar wordt het proces geleid, gestuurd. De synoden volgen in de beraadslagingen over de aangereikte stukken, waarvoor de eigenlijke deskundigheid binnen de genoemde organen ligt. De classes zijn nog weer verder van de beleidvoering verwijderd. En wannéér en hóe het beraad over S.O.W. ook een zaak van de gemeenten wordt laat zich raden. Het zal duidelijk zijn dat hier ook een moeilijk probleem ligt. Want hoe kan men de gehele kerk, met zoveel gemeenten en zoveel kerkeraden, adequaat bij zo'n proces op een zinnige wijze betrekken? Er zal mandaat gegeven moeten worden aan uiteindelijk een beperkt aantal mensen, die zich intensief met alle vragen van beleidsmatige, belijdende en kerkordelijke aard inlaten. ^4/5 zij dan maar rekening houden met de signalen, die vanuit de gemeenten worden uitgezonden. Het mag niet zó worden, dat een zo belangrijke en diep in het leven van de kerk ingrijpende zaak als S.O.W. bepaald wordt door deskundigheid bij enkelen en inspraak van weinigen.
Dr. R. J. Mooy heeft op de combi-synode van 1982 terecht gewaarschuwd tegen de overhaasting van bovenaf. Die overhaasting zal in de gemeenten niet alleen niet worden begrepen maar op den duur grote spanningen oproepen. In bepaalde kerken kent men een zodanige structuur voor het bijeenkomen van een synode, dat deze zich uitstrekt over een bepaalde tijdsduur. Een synode wordt op een bepaalde datum geopend en geruime tijd later pas afgesloten. Er zou in het kader van S.O.W. gedacht moeten worden aan zo'n langgerekter structuur voor bijeenkomen van synoden, combi-synoden en in respons daarmee ook de classes. Zodat de zaken niet bijna dwangmatig van bovenaf aan de orde komen en er eigenlijk geen tijd is voor grondige bezinning op het vlak van de classicale vergaderingen. Zoals het nu toe gaat staan de classes in feite buitenspel. Men krijgt op de classes niet voldoende tijd voor echt beraad en moet dan in korte tijd ook veel te veel materiaal verwerken, waaraan door 'deskundigen', als ik dat belaste woord dan mag gebruiken, lange tijd gewekt is.
En in de gemeenten? Het is opvallend hoe weinig aandacht er in de plaatselijke en regionale kerkbladen aan S.O.W. gegeven Wordt. En in het kerkblad ligt toch de belangrijkste mogelijkheid om de gemeente te informeren! Weet men niet hoe men de zaak in het kerkblad aan de orde moet stellen, omdat er veel te veel stukken worden geproduceerd? Of is er ook sprake van laksheid en onverschilligheid? Tot heden is er in veel gemeenten vaak sprake van grote onkunde. Tegelijkertijd is er echter ook sprake van grote, vaak onbestemde zorg. 'Men doet maar, van bovenaf', heet het dan vaak.
Er is nog een andere factor, die hier genoemd moet worden. De laatste jaren is de Raad van Deputaten zo samengesteld, dat met name de inbreng van hervormde zijde evenwichtiger geworden is. In de breedte van de Hervormde Kerk is de zorg ten aanzien van het proces de laatste jaren beduidend groter dan binnen de Gereformeerde Kerken. Stemmenverhoudingen bij de ratificatie der besluiten van de combi-synoden op de hervormde synode en de gereformeerde synode spreken voor zichzelf. Het is daarom structureel gezien onjuist, dat de sleutelposten in de Raad van Deputaten in handen van gereformeerden üggen. Met dit te zeggen bedoel ik niet hun persoonlijke integriteit ter discussie te stellen. Het gaat me om de zaak zelf. Toen bovendien recent een nieuwe tweede voorzitter gekozen moest woorden - een functie die thans aan een hervormde is toebedeeld - werd dit iemand, die zélf een S.O.W. gemeente dient en destijds één van de achttien was. Waarmee ik maar zeggen wil, dat de kritische reserve, die thans t.o.v. het S.O.W.proces heerst in de Hervormde Kerk, in het moderamen van de raad géén stem heeft. Ik voel mij vrij dat hier te zeggen, omdat ik het ook ter bevoegder plaatse heb gezegd. Op deze wijze wordt een uitgezette koers welhaast dwangmatig veilig gesteld en komt de zorg van de hele kerk onvoldoende tot uitdrukking.
Leeft het in de gemeenten?
Als ik zegt dat S.O.W. het vlak van de gemeenten maar moeilijk bereikt dan is dat een feitelijke constatering. We mogen echter ook dieper vragen. Namelijk, lééft de zaak echt in de gemeenten? Met léven mag dan bedoeld zijn: ééft het geestelijk? Zo'n vraag mag ook een appellerende vraag zijn, Is de nood van de kerkelijke gescheidenheid op zich een levende, een geestelijk-levende zaak in de gemeenten? In het geschrift '5ezinning en Appèl', dat kort geleden onder verantwoordelijkheid van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond werd uitgegeven wordt gezegd: de nood van de kerkelij ke gescheidenheid en verdeeldheid mag ons zwaar wegen. Hebben we in onze tijd niet méér dan ooit nodig aan de wereld te tonen wat "eenheid des geloofs" is, die ook geken merkt is door het in ootmoed, zachtmoedig heid en lankmoedigheid verdragen van elkaar in liefde (Ef. 4 : 2). Is het niet zo dat we juist in onze tijd zien dat de liefde verkoelt en daardoor de eenheid des geloofs zo weinig zichtbaar wordt? '
Maar daarbij wordt ook gezegd: 'de vraag dringt zich onweerstaanbaar op of we in het huidige oecumenische streven wel voldoen de op het oog hebben, dat de verscheiden heid in de kerk te maken heeft met geestelijke gaven door en van dezelfde Geest. Is het huidige streven naar kerkelijke eenheid geestelijk of modieus? Lééft het geestelijk ook in de gemeente? Als van het laatste geen sprake is zal elke poging tot kerkelijke eenheid menselijk maakwerk betekenen Ze zal ook het hart van de gemeente niet raken. Is echter de Geest in de raderen, dan zal de Geest ook de liefde aanwakkeren het onderkennen van wettige verscheidenheid leren, maar ook leren onderkennen wat zich niet verdraagt met de reinheid van het Evangelie. De mens maakt geen een heid, de Geest gééft die'. Tot zover 'Bezinning en Appèl'.
Hóe leeft S.O.W. in de gemeenten? Natuurlijk is er sprake van vergaande samenwerking in allerlei gemeenten. Ik noemde al de gefedereerde gemeenten. De vraag mag hier echter worden gesteld of er ook sprake is van confessionele herkenning of dat hier inderdaad het woord modieus moet vallen. We leven nu eenmaal in een tijd van oecumenische toenadering. Gescheiden heid van hervormd en gereformeerd mag dus niet langer geduld worden. Maar hóe we samen komen is de vraag. Komt men samen omdat men nu elkaar gevonden heeft op die punten, waarop de vaderen uiteen gingen (ik bedoel dan ten tijde van Afscheiding en Doleantie)? Dus omdat men niet meer gescheiden mag zijn en dus gescheidenheid zonde is voor God? Nog afgezien van het feit dat op vele plaatsen economische in plaats van oecumenische motieven de doorslag geven, moet toch met zorg worden vastgesteld, dat zicht op het belijden der kerk, zoals dat in de belijdenis voorhanden is, zó spaarzaam wordt in de kerken dat men elkaar vaak vindt op vele punten, behalve op het punt van de belijdenis. Ik herinner mij een uitspraak van dr. C. Augustijn op een synodevergadering van de Gereformeerde Kerken, namelijk dat hem in een grote straal rondom Amsterdam, waar hi) 's zondagsmiddags preekte, in geen kerke-
raad ook maar enige belangstelling gebleken was voor de kwestie van de belijdenis. Waar zó S.O.W. gestalte krijgt zal één en ander tot onvruchtbaarheid gedoemd zijn. Deze kwestie is intussen echter ook bepalend voor de vele zogeheten 'witte plekken', recent omgedoopt tot 'zwarte' plekken, in S.O.W., dat wil zeggen gemeenten of gebieden waar van enige vorm van samengaan geen sprake is. Ik behoef hier nu niet meer uitvoerig in te gaan op de vele verschilpunten, die in de loop der jaren ontstaan zijn tussen gereformeerden en hervormd-gereformeerden. Deconfessionalisering is in de Gereformeerde Kerken aan de orde van de dag. Dat heeft consequenties voor het zicht op de aard van het Schriftgezag, het al of niet aanvaarden van het gezag van de Heilige Schrift in heel concrete ethische zaken, in de politiek-maatschappelijke betrokkenheid van de kerk in deze wereld. Was er vroeger ingrijpend verschil in de wijze van betrokkenheid van de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in maatschappelijke vragen, omdat Gereformeerden die betrokkenheid vooral zagen via de christelijke organisaties, vandaag zien we - en ik citeer nu weer 'Bezinning en Appèl', dat een gedeconfessionaliseerd apostolaat treedt in de plaats van gedeconfessionaliseerde organisaties. Daarin raakt de gereformeerde wijze van apostolair bezig zijn die van de Nederlands Hervormde Kerk, maar daarin markeert zich juist ook de steeds breder wordende kloof tussen gereformeerde hervormden en de kerkelijk gereformeerden. Reden waarom er vaak meer sprake is van herkenning tussen gereformeerde kerken en hervormde gemeenten van midden-orthodoxe dan van gereformeerde signatuur. Dat wordt manifest onder de prediking. Hierin zien we de bittere ironie van de kerkgeschiedenis van de laatste eeuw.
Het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond heeft in een verklaring ooit gezegd, dat samengaan van de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken thans geen versterking van het gereformeerde karakter van de kerk zou betekenen. En dat zou toch, gezien de motieven van Afscheiding en Doleantie, verwacht mogen worden. Anderzijds denk ik dat het nodig is hier met onderscheid en onderscheiding te spreken. We zullen elkaar, als het gaat om trouw aan Schrift en belijdenis eerlijk, voor Gods Aangezicht hebben te toetsen. Met kreten en generaliseringen is de kerk niet gediend. Bovendien keert de vraag naar trouw aan Schrift en confessie zich immer ook naar onszelf. Maar dat neemt niet weg dat we de gevolgen van de losweking van de belijdenis en daarin van de reformatorische traditie in de Gereformeerde Kerken allerwegen kunnen signaleren. Krijgt juist daarom S.O.W. in bepaalde gemeenten zulke goede kansen en is er juist daarom niet sprake van witte plekken, die samen een harde kern vormen in de hele ontwikkeling?
Zal S.O.W. een geestelijk levende zaak zijn in de gemeenten, dan zal er sprake moeten zijn van geestelijke herkenning. Is die er niet dan blijft een harde kern over, waarop het proces stuk loopt. Dan zal het proces blijken kerkscheidende en vooral gemeentescheidende factoren te hebben.
Blijdschap over eenheid
Over kerkelijke eenheid en kerkelijke vereniging of hereniging zouden we ons zeer moeten verblijden. Hoezeer het bijbels gegeven uit Johannes 16 - 'opdat zij allen één zijn' - ook misbruikt is in oecumenische gedachtengangen, waarin de kernmerkende noties van het kerk-zijn naar de Schriften ontbraken, het gaat hier wèl om een woord der Schrift. De kerkelijke verdeeldheid is schuld voor God en daarom wezenlijk kenmerkend voor de nood der kerk. Maar ontrouw aan de waarheid der Schriften is dat eveneens.
Waarheid en eenheid zijn nu eenmaal onlosmakelijk verbonden. De eenheid is evengoed een aspect van de waarheid als de waarheid een wezenskenmerk van de eenheid is. Wat daarbij echter van extra nood in de huidige verdeeldheid getuigt, is dat wij zo vaak onze waarheid tot dè Waarheid hebben gemaakt, dat we die twee in onze kerkelijke praxis hebben laten samenvallen. Zodat hier het scherp woord der Schrift geldt, dat ieder loopt voor eigen huis, terwijl het huis des Heeren woest gelaten wordt. Maar juist omdat we in de kerk immer weer het gevaar lopen Gods Waarheid met de onze te vereenzelvigen heeft de kerk toch een accoord van belijden! Samen met alle heiligen mogen we belijden. En om dat accoord van belijden, ons in de geschiedenis der kerk door de leiding van de Heilige Geest gegeven, gaat het ook vandaag. In 'Bezinning en Appèl' wordt gezegd: 'Wij lijden aan de belijdenisontrouw in de kerken, ook daar waar men aan de belijdenis formeel een plaats toekent. Daaruit spreekt enerzijds gemis aan eerbied voor het Woord, waarheen de belijdenis immers verwijst. Daaruit spreekt ook geringschatting van de gemeente, die vaak stenen voor brood krijgt, omdat de prediking gespeend is van de religie der belijdenis.
In het loslaten van de belijdenis is sprake van een verloochening van de leiding van de Heilige Geest in de geschiedenis van de kerk, waarin ook het ontstaan van de belijdenisgeschriften een plaats heeft gehad'. Toegespits op S. O. W. wordt verder gezegd: 'De in het "Samen-op-Weg"-proces van gereformeerde zijde ingebrachte "dynamische binding" aan de belijdenis, doet ons vrezen dat de belijdenis als spreekregel voor de kerk in verkondiging en dienst nog meer vervaagt en dat juist daardoor het samengaan van beide kerken mogelijk is geworden. Tegenover een louter juridische hantering van de belijdenis mag zulk een "dynamische binding" bevrijdend lijken, het gaat echter om de "kracht (dunamis) Gods tot zaligheid", waartoe de belijdenis als (s)preekregel der kerk blijvend actueel is'. Het is een miskenning van de rijke Historie der kerk - en bewust zeg ik nu van de vaderlandse kerk, van de kerk der vaderen - wanneer de confessie niet meer is de spreekregel der kerk, weliswaar ondergeschikt aan de Schrift als regel voor geloof en leven, maar toch: gezamenlijk accoord van belijden. Het mag opmerkelijk heten dat alle pogingen om de belijdenis aan te vullen, een nieuwe belijdenis op te stellen of een revisie van de belijdenis tot stand te brengen tot heden niet dat resultaat hebben gehad dat de vonk der herkenning van kerk tot kerk is overgesprongen. Is het echter ook niet het manco in het
Is het echter ook niet het manco in het S.O.W.-proces, dat het ontbreekt aan een krachtig gezamenlijk nabelijden van wat de belijdenis voortbelijdt en een van daaruit actualiserend spreken in de vragen van vandaag, terwijl wat nu in de zogeheten Verkla ring van Overeenstemming gezegd toch de naam van belijdend spreken en getuigen niet verdiend?
Het gaat in het kerkelijk geding vandaag om de belijdenis naar haar inhoud en naar haar religie. Die twee mogen nooit tegen elkaar worden uitgespeeld. Nadruk op de religie der belijdenis houdt ook zeker niet in een onderscheiden van geest en hoofdzaak. In de Nederlandse Geloofs Belijdenis wordt telkens met kracht gezegd: 'Wij geloven met het hart en belijden met de mond'. Het waarachtige belijden komt uit het hartelijk geloven voort. Een kerk, die de inhoud der belijdenis niet meer de hare weet, komt in spanning te staan met het geloof, van de vaderen overgeleverd; komt op gespannen voet met het geloof van de kerk van alle tijden en alle plaatsen. Het gaat om het geloof van de ene heilige, algemene, christelijke kerk. Het loslaten van de belijdenis betekent in feite een breuk met het verleden der kerk. Juist ook in de wijze waarop de belijdenis het gezag der Schrift belijdt, klinkt de religie der belijdenis door: 'Wij geloven zonder twijfel al wat de Schriften ons openbaren, omdat de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten dat ze van God zijn' (art. 5 N.G.B.).
De inhoud van onze belijdenis hangt aan de Schriften en wat zo in onze belijdenis geloofd wordt - met het hart geloofd wordt - zal manifest worden in de prediking. Daarom gaat het vandaag in de kerken om de vraag of we geloven wat daar geloofd wordt of dat we anders geloven en andere dingen geloven. Wil de beweging S.O.W. organisch een plaats hebben in de kerk, dan zal ze de inhoud der belijdenis, niet als dood leer maar in haar geestelijk gehalte, tot basis moeten hebben. Anders zal S.O.W. in het organisatorische opgaan en ondergaan.
Het is zaak hier nog een keer de uitdrukking vaderlandse kerk te onderstrepen. Hoezeer ook dit begrip is verminkt en ook gesmaad, we willen ermee bedoelen de plaats die onze God, de Gods des Verbonds, haar heeft gegeven als planting van Zijn hand in deze landen. Haar gestalte in de geschiedenis onlosmakelijk verbonden met de worsteling om de Waarheid Gods, waarvan haar belijdenis getuigt. Vaderlandse kerk is voor ons geen zaak van 'kerkelijke ras, bloed en bodem', maar een onderdeel van ons geloof en belijden zelf. Wie na Afscheiding en Doleantie desalniettemin gereformeerd wilde zijn in de Nederlandse Hervormde Kerk deed dit om trouw te zijn aan het voorgeslacht, neen aan de God van het voorgeslacht, die in deze kerk Zijn trouw getoond heeft dwars door menselijke ontrouw heen. Wat is er riiet gestreden om oprichting van deze kerk uit haar diep verval, de geslachten door. Wat is er niet gebeden en gestreden om haar herstel in belijdende zin. Hoe is er ook niet vreugde geweest toen de kerk onder het juk van de reglementenbundel vandaan kwam en weer in vrijheid reformatorische kerk kon zijn. We moeten zeggen dat er ook sprake is van teleurgestelde verwachting. Maar daarom weegt het 'hen die bleven' - om de titel van het boekje 'zij die bleven' (toen anderen heengingen) te gebruiken - zwaar hoe in S.O.W. de confessie wordt gehanteerd. De uitdrukking 'dynamische binding' aan de belijdenis is naar onze diepste overtuiging een alibi om aan de binding aan de belijdenis en daarin aan het onvoorwaardelijke gezag van de Schrift te ontkomen. Zal anderhalve eeuw strijd om
kerkherstel toch tevergeefs zijn geweest? Maar, hoe dan ook, het kerkelijk besef, dat opkomt voor het goed recht van de Hervormde Kerk als vaderlandse kerk, zal ook vandaag moeten functioneren. Het zal op de puinhopen misschien van ons kerkelijk leven bewaard worden door hen die weten wat het treuren om haar gruis betekent. Zou in het proces, dat nu op gang gekomen is, zelfs maar de naam der hervorming uit de naam van de kerk verdwijnen of ook de naam van de gereformeerde reformatie dan is daarmee getekend hoe we met het verleden, met de rijke historie van onze kerk omgaan.
Gereformeerde religie is bindend
Als we nu enerzijds kritisch op S.O.W. reageren, omdat we ons namelijk realiseren dat de gereformeerde belijdenis en de religie daarvan niet het bindend ferment vormen, dan moet ook omgekeerd gevraagd worden of daar, waar (de religie) van de belijdenis wèl gehonoreerd wordt, althans met de mond geprezen wordt, deze ook inderdaad bindend werkt. Moeten we niet met schaamte constateren dat het met name Gereformeerde Gezindte aan binding in de belijdenis en de religie daarvan ontbreekt? Ik denk dat er alle reden is om ook kritisch naar eigen kring te kijken. Als één gevaar ons ook in de beoordeling, om niet te zeggen de veroordeling van S.O.W. bedreigt is het de zelfgenoegzaamheid.
Dezer dagen is een fundamenteel boek over de tijd van de Doleantie uitgekomen van de hand van dr. W. Balke, getiteld 'Gunning en Hoedemaker-samen op weg'. Het is hier niet de plaats om fundamenteel op de inhoud van dit boek in te gaan. Maar één ding loopt als een rode draad door dit boek heen, namelijk de oproep tot boete en schuldbelijdenis, waartoe Gunning en Hoedemaker opriepen, toen Kuyper van separatie de oplossing van het kerkelijk vraagstuk verwachtte. 'Kuypers beweging begon zonder boete en bekering', hebben zij gezegd. Toen Kuyper hovaardig Jan Rap en z'n maat losliet waren zij bereid om de nood en de schuld van de kerk der vaderen, in haar aan Schrift en belijdenis ontzonken gestalte, te dragen.
Nu valt er bepaald wel af te dingen op de visie die met name Gunning op de belijdenis had. Hoedemaker was méér geworteld ook in de belijdenis als zodanig, waarvan Gunning zei dat de belijdenis drie eeuwen later nog zó naspreken als toen deze opgesteld werd, in feite een andere positiekeuze in hield dan die van de vaderen, namelijk omdat de tijd niet stil gestaan heeft. Zulk een omgaan met de belijdenis vindt men vandaag ook terug in de visie van hen die gemeenschap met de belijdenis liever achten dan 'in overeenstemming' met de belijdenis. Hoedemaker was daarin belijnder gereformeerd, hoe onbelijnd hij ook in zijn verwoordingen kon zij n. Maar op één ding hebben zowel Hoedemaker als Gunning de nadruk gelegd, namelijk dat de schuld der vaderen geëigende schuld moet worden en dat schuld altijd een zaak is van de héle kerk. Allen zijn we afgeweken, samen zijn we onnut geworden! Wij en onze vaderen hebben gezondigd!
Terecht heeft Balke erop gewezen - en die stem heeft de afgelopen jaren ook één en ander maal op de synodevergaderingen geklonken - dat wanneer schuldbelij denis ontbreekt S.O.W. een geestloze zaak zal zijn. Wanneer we vandaag niet dat historisch besef hebben, dat we met onze vaderen - hervormden en die van de Doleantie - staan in een proces van losweking van God en Zijn Woord dan gaan we onder aan de zelfgenoegzaamheid. Wanneer men dan tegenwerpt dat zulk een schuldbelijdenis ook al te gemakkelijk een pro-memoriepost kan worden, een zinloze, lege formule, dan valt dat niet te ontkennen. Maar dan hadden de profeten ook wel kunnen zwijgen. Ze hebben daarentegen niet aflatend opgeroepen tot schuldbelijdenis en boete. 'Ik zal heengaan en keren weder tot Mijn plaats, totdat zij zichzelf schuldig kennen en Mijn Aangezicht zoeken', zo luidt het woord des Heeren door de profeet Hosea (Hos. 5 : 15). Wij staan vandaag niet buiten en boven de schuld der kerk. Geen kerk en richting staat buiten de oordelen Gods, die thans over kerk en volk gaan. Waar wordt de ontkerstening van kerk en volk vandaag wel gekeerd? Moet dat ook niet onder de meest getrouwe arbeid en prediking geconstateerd worden, dat het verval der kerk toch doorzet? De grote steden zijn - als God het niet verhoedt - alleen maar voorposten voor het geheel van de gemeenten in ons vaderland. Zien we ook in de meest orthodoxe, de meest gereformeerde gemeenten het proces van verwereldlijking niet doorwerken? De halvering van de zondag, als het gaat om de meelevendheid onder de eredienst, is vaak het begin. Maar wordt ergens de gelijkvormigheid aan de schema's van de wereld écht gestuit? En verder, waar is de liefde als bindend cement, opkomend uit het doorleven van de belijdenis? Recent heb ik geschreven over dat ene zinnetje in onze belijdenis, waarin verkilling in 'vroom en heilig leven' als schuld wordt aangewezen en afgewezen.
Wat ik met dit alles maar zeggen wil, is dat ieder zichzelf, persoonlijk, in eigen gemeente, in eigen kring voor Gods Aangezicht heeft te doorzoeken of en hoe we meelijden aan de kerk in haar nood en verval. Toen de Gereformeerde Bond werd opgericht werd als één van de punten in de doelstelling genoemd 'om de kerk op te richten uit haar diep verval'. Dat verval geldt niet een déél van de kerk, het geldt de kerk en we moeten vandaag constateren dat het verval alleen maar verder doorgegaan is.
Ook Afscheiding en Doleantie hebben kennelijk het verval niet kunnen keren en hebben het herstel van de vaderlandse kerk in nationale zin niet kunnen bewerken.
De vraag is dan ook of we nog weten wat het is om de schuld der kerk mee te dragen. Als we als hervormd-gereformeerden over de vaderen spreken dan bedoelen we de vaderen van de Reformatie en bepaalde vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie. Maar moet ook niet gedacht worden aan de vaderen dichtbij in de tijd, die aan de conrete nood van de kerk hebben geleden, aan het breken van het verbond naar zijn inhoud en in zijn eenheid? Dus aan de verlating van God en Zijn Woord, alsook aan de breking der kerk in haar zichtbare gestalte? Ook de erfenis van deze vaderen zal telkens opnieuw verworven moeten worden om haar ook vandaag te bezitten.
De vaderen stellen, vanuit het Woord Gods, aan ons vandaag de vraag of wij nog weten van het dragen van de schuld en nood van de vaderlandse kerk. De liefde tot z'n kerk is ieder aangeboren. We kunnen haar echter ook verspelen. Dat kan langs een heel subtiele weg gaan, een weg waarop de kritiek zó de overhand krijgt, dat 'der Geist der immer verneint' het voor het zeggen krijgt.
Laten we ons tenslotte de vraag stellen hoe de kerk eruit zou zien, die we als hervormdgereformeerden vandaag bijv. samen zouden moeten vormen. Die vraag kan gesteld worden aan de Gereformeerde Gezindte. We kunnen haar ook als een spiegel onszelf voorhouden. In het proces van S.O.W. is dat best een ontdekkende, wezenlijke vraag.
Wat ons te doen staat
Intussen is de vraag voor ons onontkoombaar: 'Wat staat ons te doen? '
We hebben als hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond steeds gezegd, dat we dit proces niet begeerd hebben, maar dat we er wel in 'meegenomen' worden. Tot heden is onze plaats er echter volledig één in de Nederlandse Hervormde Kerk. Er is wat dit betreft, wat de principiële keuze van ons als hervormd-gereformeerden voor de kerk der vaderen betreft, nog niets veranderd. De kerk, die wij liefhebben om Gods wil, mag ook vandaag aanspraak maken op ons gebed, onze inzet, op het dragen van verantwoordelijkheid. En mag juist in dit tijdsgewricht, een tijd van ontwrichting, neergang en ook nu van moeite vanwege het proces, dat op gang gekomen is, niet tot uitdrukking komen wat het zeggen wil: trouw moet blijken?
Die verantwoordelijkheid geldt allereerst de eigen gemeente. Wie het daar laat afweten geeft verantwoordelijkheid prijs en heeft niet veel meer te zeggen wanneer de dingen 'over ons, zonder ons' worden be-i slist. Het is een slechte zaak wanneer gemeenteleden de verantwoordelijkheid voor de eigen gemeente niet meer verstaan en ook niet wanneer predikanten steels of openlijk, over de grenzen van eigen gemeente heenkijken of heenwerken.
De verantwoordelijkheid, die gedragen moet worden, zal echter ook blijken in ambtelijke trouw op de ambtelijke vergaderingen. Het is een bekend gegeven dat de classical vergaderingen van de Gereformeerde Kerken beter functioneren dan die van de Hervormde Kerk. De absentie van ambtsdragers op de classes is - al mag hier bepaald niet generaliserend gesproken worden - groot. Maar wat hebben we nog over het voortgaande beleid inzake S.O.W., dat (zeggen we) zo sterk van bovenaf bepaald wordt, te zeggen, wanneer we de plaats op de classis leeg laten?
In het S.O.W.-proces is er momenteel een sterke tendens de centrale kérkeraad of (bij de gereformeerden) de 'kérkeraad algemene zaken' te doen verdwijnen. Alle verantwoordelijkheid komt dan bij de classis. Welnu, dan wordt de hotelkerk een feit. Wijkgemeenten van hervormde en gereformeerde signatuur voegen zich dan in een plaatselijk los geheel onder de verantwoordelijkheid van de classis. Van de nood der gescheidenheid en verdeeldheid wordt dan een deugd gemaakt. Hoe 'aantrekkelijk' en 'gemakkelijk' - ik plaats deze woorden tussen aanhalingstekens - dit ook moge lijken, omdat we dan immers zo weinig mogelijk 'last' hebben van elkaar, zo'n structuur is met geen enkele ecclesiologie te rijmen oi het moet een ecclesiologie zijn van elk-watwils. In 'Bezinning en Appèl' wordt daarover gezegd dat, als we toegroeien naar zelf-
standige (wijk)gemeenten onder de classis, in hoge mate tegemoet gekomen wordt aan de plurale kerk. 'Naar onze diepste overtuiging zal dat de deur voor de ketterij verder openen en de doodsteek betekenen voor tuchtoefening binnen de gemeente, doordat het acht geven op onszelf - als totale gemeente - en op de leer (1 Tim. 4 : 16) naar achter zal worden gedrongen.'
Héél praktisch komt daar nog bij dat, gezien het feit dat de gereformeerde classis veel beter functioneert dan de hervormde, we als hervormden, als het gaat om de structuur van de kerk, het heft vooral in handen van de gereformeerden leggen. Maar ondertussen is er alle reden om een appèl te doen op de hervormde gemeenten om de eigen classis niet te verwaarlozen, maar integendeel onze verantwoordelijkheid daar te verstaan. Wie de verantwoordelijkheid op de classis niet verstaat is monddood gemaakt als het gaat om een beoordeling van wat de synode doet, juist ook in S.O.W.
Verder heeft het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond ook sterk beseft dat het niet aangaat om als hervormd-gereformeerden alleen aanwezig te zijn in de eindfase van het proces. Ook in de voorbereidende fase dienen we aanwezig te zijn. Vandaar de presentie van leden van het hoofdbestuur in de 'Raad van Deputaten S.O.W.' en de werkgroep 'Kernen van belijden'. Inmiddels hebben echter ds. J. Maasland en dr. S. Meyers bedankt als leden van de werkgroep 'Kernen van belijden', zodat ik nog alleen ben overgebleven.
Wat hebben wij intussen nu te zéggen in al die verbanden, waarin we verantwoordelijkheid dragen? Van de Gereformeerde Bond wordt - zo blijkt telkens - een duidelijke uitspraak verwacht. Nu is het zo dat het hoofdbestuur, onzes inziens, in de loop van de tijd niet-onduidelijk zich heeft geuit over het proces van S.O.W.
Ik citeer ds. B. J. Aalbers, secretaris van S.O.W. uit 'Kerknieuws' van Scheps, als hij - als onverdachte getuige - zegt: 'Er zou bijv. met veel meer leden van de Gereformeerde Bond veel meer land te bezeilen zijn, als het hoofdbestuur en de persorganen van deze organisatie minder antithetisch zouden spreken tegen andere groepen in eigen kerk en in andere kerken, ook een objectiever voorlichting zouden geven over het beeld van de ander, de ander ook meer zouden laten horen en minder alleen het eigen standpunt zouden vertolken'. 'Ik denk' - aldus nog steeds ds. Aalbers - 'dat veel gemeenteleden veel meer samen op weg willen dan bangelijke kerkeraden in hun beleid vaak tot uitdrukking durven brengen'. Welnu, ik denk dat ds. Aalbers zich in zijn taxatie vergist. Maar blijft wél staan het feit, dat hij de 'witte plekken' in S.O.W. wijt aan de kritische opstelling van het hoofdbestuur. Zo duidelijk Hgt dat kennelijk.
Wat intussen velen in eigen kring wensen is dat een duidelijk nee wordt uitgesproken. Helaas moet worden gezegd, dat het dan voorkomt dat men weinig op de hoogte is van wat er in de loop van de tijd gezegd en geschreven is vanuit de Gereformeerde Bond over S.O.W. en dat men soms - en dan denk ik aan de kerkeraden - ook heeft nagelaten om, door middel van het kerkblad of op gemeenteavonden, de gemeente echt te informeren. Bovendien moeten we telkens weer voor ogen houden, dat het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond bestuur is van een vereniging en geen ambtelijke vergadering. Maar wél reahseren we ons dat we, hoewel vereniging zijnde, stem mogen geven aan wat in de gemeenten in eigen kerk leeft en dat de gemeenten van ons ook een eigen geluid en voorlichting mogen verwachten. Dat schept - zo beseffen we zeer wel - grote verantwoordelijkheid. Het vraagt beslistheid en het vraagt voorzichtigheid. Welnu, wat die beslistheid betreft, duidelijk is uitgesproken dat het ons zal blijven gaan om de vaderlandse kerk en het goed recht van de belijdenis daarin. Het uitspreken van een 'nee' inzake het proces, dat zich nu voltrekt, zal daarom altijd een 'nee-tenzif dienen te zijn. Mogen en moeten we niet altijd in de kerk rekening houden met, bidden om en hopen op bekering; waar die dan ook begint? En dat 'tenzij' mag dan toch ook slaan op de mogelijkheid - liever nog de voorwaarde - dat de vaderlandse kerk blijft voortbestaan en we als hervormd gereformeerden daarin onze rechtmatige plaats naar Schrift en Belijdenis mogen en kunnen blijven innemen? Zal zo'n nee-tenzij niet op alle niveau's van verantwoordelijkheid moeten worden uitgesproken? Maar dan ook juist is er de roeping om daar aanwezig te zijn, waar S.O.W. aan de orde is. Men kan geen absoluut nee uitspreken en tegelijkertijd de oproep doen om ambtelijk in de kerk present te zijn. We zullen ook vandaag met onze vaderlandse kerk tot aan de grenzen gaan.
Ik besef intussen dat er vandaag ook sprake is van een torso, een onontwarbaar probleem. Konden we enige tijd geleden nog spreken van 'meegenomen' worden in het proces, thans is er veeleer sprake van 'meedoen'. Ik besef dat dit zo te zéggen kwetsbaarmaakt. Maar feitis, datwemetS.O.W. langzaam maar zeker in de fase van de regelingen, de bepalingen, de kerkordelijke structuur inschuiven. Meeberaadslagen betekent bijna meedoen, dus medeplichtigheid. Ik zeg 'bijna'. Want méér dan ooit zullen we daarom vandaag in onze kerk - hoezeer we ook willen staan voor haar presbyteriaal-synodaal karakter - ons moeten inzetten voor het goed recht, het eigen recht van de plaatselijke gemeente. Zodat niet van bovenaf S.O.W. over de gemeente komt en deze in een harnas komt, waarin ze niet gaan kan.
Als het dan onverhoopt toch tot een afhaken moet komen dan zal de kerk, de verenigde kerk, af moeten haken van die gemeenten, die zich niet voegen willen onder een synodaal beleid, dat weer de trekken krijgt van een synode, die we in het verleden hebben gehad en die mede schuldig heeft gestaan aan bepaalde afscheidingen. Dan zullen de gemeenten er zich wel op voor moeten bereiden een consistent verband te vormen.
Het zou echter-zo hebben ds. C. den Boer en ikzelf in een interview met het R.D. gezegd - voor ons de zwartste dag van ons leven zijn als dit zou gebeuren. Mét die mogelijkheid moeten we wel rekenen, maar we zullen die mogelijkheid niet toe een program maken. We zullen ook niet vluchten op de weg van vroegtijdige organisatie, al zal wel voor de bestaande herv. gereformeerde organisaties en organen in de nabije toekomst grote waakzaamheid geboden zijn, vanuit het beginsel, bij de ontwikkelingen, die zich voordoen. Al te gemakkelijk zien we vandaag kerkelijke organen bijv. al geruisloos de weg van S.O.W. opgaan. Dat zal in toenemende mate vragen om duidelijke beleidvoering naar de kant van die gemeenten, waar S.O.W. in de sfeer van de 'witte plekken' blijft. Want er zal nog heel wat water door de Rijn stromen voor de vele 'witte plekken' in het proces gemeentelijk meekomen.
Belofte
Intussen weten we dat het de Heere Zelf is, die Zijn gemeente in de Hand heeft en die beloofd heeft met haar te zijn tot aan het eind van de tijd. Dat sluit echter onze verantwoordelijkheid niet uit maar in. En daarom mogen we elkaar oproepen tot trouw, trouw aan de Heere en Zijn dienst; trouw aan de gemeente, waarin wij èen plaats kregen en waar de verbondstekenen zijn: trouw aan de kerk, waar het God behaagt ook vandaag door Woord en Geest te werken. De weg van kerk en gemeente gaat niet over rozen, maar is toch vandaag een gebaande weg in de wildernis van de tijd. God zij gedankt!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1985
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1985
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's