Bach, een bode van boete en geborgenheid (2)
Bach leefde in een spiltijd, een kenterend getij: de wending van Barok naar Verlichting.
Onbegrepen
Bach leefde in een spiltijd, een kenterend getij: de wending van Barok naar Verlichting. Hoewel de Verlichting betrekkelijk laat op Duitsland, met name op Leipzig vat kreeg, was het toch enkele tientallen jaren na Bach's dood ook daar zover. De eenheid des levens van de Lutherse orthodoxie, gedragen door het gezag van Woord en kerk, werd stukgebroken door de rede van de autonome mens. Het bovenwereldse en boventijdelijke (het metafysische) moest plaats maken voor het binnenwereldse van deze tijd en het geschiedproces. Het leven verloor zijn diepte en hoogte. Het speelde zich af in lengte maal breedte: aan de oppervlakte van wat direct bewijsbaar, aantoonbaar en voorhanden is. Begrijpelijk dat men Bach binnen zulk een levensbesef als te diepzinnig achter zich liet. Men noemde hem enigszins smalend: 'il matafysico', de metafysische...
Muziek moest niet diep, maar makkelijk, vlot en vrolijk zijn. Tot aan de Romantiek, zeg maar begin vorige eeuw, was Bach min of meer vergeten. Toen kwam een keer. De Romantiek had immers weer gevoel voor de werkelijkheid van het boventijdelijke en bovenverstandelijke. Het is niet toevallig dat in deze tijd een 'Bach-renaissance' begon. In 1829 kwam het o.l. van de jonge Mendelssohn tot de eerste heruitvoering van de Mattheüspassie, waarbij N.B. een Hegel, Schleiermacher en Heine aanwezig waren...
Toch vraagt men zich af, of de Romantiek het juiste kader is om Bach te verstaan. Ongetwijfeld was de Romantiek winst vergeleken met de wiskundige koelheid van de Verlichting, maar zomin Bach te volgen is voor het vernuft, zo min is hij het voor het pure gevoel. Bach was een bode, een boodschapper, zo men wil... een profeet. En profeten gaat het niet om schone vorm en diepe indruk alleen, maar om de uitdrukking van de inhoud. Zeker heeft Bach alle beschikbare middelen gehanteerd - en met een meesterlijk, beter, genadig charisma! - om de inhoud met gratie te kleden, maar het ging hem om de boodschap. Het is de boodschap van boete en geborgenheid, van vonnis en vrijspraak, van schuld en genade! Vandaar dat het toch enige achterdocht wekt, wanneer men leest van de 'wijding' die in 1829 jegens het gevoelige gezelschap uitging van de Mattheüs-Passion; vandaar de twijfels aan de verering die Bach in 1985 ten deel valt onder de scharen die onder de bekoring van zijn muziek geraken. Het ging Bach noch om wijding, noch om bekoring als zodanig. Het ging hem daardoor heen om de eer van God en de opbouw van het geloof. Wie van Bach de Lutherse genadeprediker aftrekt, doet hem (en zichzelf) te kort en wie hem slechts uit schoonheidsmotieven of om de reügieuze wijding geniet, heeft slechts een deel van Bach gehoord - weliswaar een waardevol deel, maar toch niet meer dan dat. De hele Bach is: Woord en muziek. En het wellicht unieke van Bach is dat deze tweeheid bij hem tot twee-eenheid is versmolten. De vorm is geheel van de inhoud doortrokken. De verklanking geheel met de inhoud eensgeestes. Dit is zo sterk het geval, dat ik de stelling zou durven wagen dat ook Bach's instrumentale muziek, zelfs bijv. een orgelfuga waaraan geen koraaltekst ten grondslag ligt, toch van de Boodschap is doorgloeid.
Ter ere Gods
Als Bach boven een compositie schrijft, J.J.' (Jesu juva, d.i. Jezus, help) of aan het eind 'S.D.G.' (Soli Deo Gloria) zijn dat geen vrome frasen, maar tekenen van diepe afhankelijkheid en aanhankelijkheid jegens zijn Meester. Echte vroomheid. In het Klavierbüchlein van zijn zoon Friedemann schreef hij: In Nomine Jesu', in naam van Jezus! Tekenend voor Bach! Men kan gerust zeggen, dat zijn Godsvreze de dragende ondergrond van al zijn werk is. Alle muziek, of het nu een koraal of orgelsonate, een fluitconcert of kerkcantate betrof, was voor Bach liturgie in de ruime zin van het woord, eerbetoon. Hij wilde zoals hij zelf zegt 'alleen tot Gods eer en tot recreatie (d.i. herschepping, verlevendiging) van het hart' musiceren. 'En waar dit niet in acht genomen wordt, daar is van geen eigenlijke muziek sprake, maar van duivels geblèr en gedreun.' Bach schreef geen 'wereldse' muziek. Kunst was voor hem dienst aan God, geen jacht naar roem en succes. Ook zijn niet-kerkelijke muziek stond onder de zeggenschap van Paulus' woord: 'Al wat gij doet, doe het al ter ere Gods' (1 Kor. 10 : 31 en Kol. 3 : 17). In de opdracht van zijn Orgel-Büchlein zegt hij het zo: 'Voor de hoogste God alleen ter ere, en voor de naaste om te leren'. Vandaar dat Bach's hele orgel-oeuvre in de kerkdienst thuis hoort. Althans ze mag daar zijn. En niet alleen het lieflijke 'Schmücke dich, o liebe Seele', of het boetvaardige 'O Mensch, bewein dein Sünde grosz' rond de Avondmaalsviering. Ook wanneer een organist bij het uitgaan van de kerk bijv. de sublieme Es-dur Fuga in al zijn majesteit uitstalt, dan is dat niet een dissonant, die per gratie en 'onder de toelating' van de kerkeraad tersluiks plaats vindt omdat het 'immers maar na de dienst' geschiedt, maar dan verkrijgt de eredienst veeleer haar volwaardig sluitstuk en vormt het orgelspel geen aanhangsel, maar het 'slotakkoord' op de lof van Gods Naam; dan vertelt het orgellied Gods eer en het kerkgewelf het werk Zijner handen! De organist volvoert nog zijn ambt, wanneer de predikant zijn ambtswerk voor ditmaal heeft verricht! En hoe komt het nu dat Bach's muziek daar mag zijn, i.t.t. zo eindeloos veel (ik zeg uiteraard niet alle) andere composities? Naar mijn overtuiging is daar maar één antwoord op: dat is de vrucht van Bach's geheim: de eer van God en de opbouw van het geloof. Hierdoor wordt zijn muziek beheerst. Dat maakt haar beheerst, ingetogen zelfs wanneer ze opgetogen is. Bach is diep en diepzinnig, maar nooit geheimzinnig. Uitbundig, maar nergens triviaal. Innig, maar nooit zwoel. Virtuoos, maar doorzichtig.
Bach's geloofsbelijdenis
H. van de Linde doet m.i. een goede greep, als hij op de vraag hoe men het best in Bach's geloofsbelijden binnenkomt, antwoordt: luister dan eens naar zijn Hohe Messe. Het is een compositie van vijf verschillende onderdelen, tot één samenhangend geloofsgetuigenis gebundeld. Het dateert van 1747, drie jaar voor zijn verscheiden. Er was geen opdracht toe. Bach bedoelde het óók niet voor de eredienst, daarvoor was het stuk te lang.
Het is zijn persoonlijke geloofsbelijdenis. 'Het is een eredienst op zich'! (Jan J. v. d. Berg) O.m. heel het Niceaanse Credo wordt er in verklankt. En nu citeer ik Van der Linde: 'Zodra de woorden "die om ons mensen en om onze zaligheid is nedergekomen uit de hemel" in zicht komen treedt de dalende figuur in de muziek al in bij de woorden "is nedergekomen". De muziek kleurt van majeur naar mineur, naar e-moll, dat staat voor het diepste punt der zelfontlediging'. Zo wil Bach de smart van Christus' zelf ontluistering articuleren. 'Deze interpretatie krijgt haar laatste, nog verdiepende bevestiging bij de woorden die nu volgen: "en ook voor ons gekruisigd is". Twaalf maal herhaalt zich in een smartelijk zuchten de klaagmelodie die op een hardnekkig bas door gaat. De eerste sopraan is weggevallen, dat licht geluid misstaat in deze omgeving. Fluiten klagen boven violen die in de lage ligging gehouden zijn. De laatste maal, de dertiende, zwijgen ook de instrumenten. Alleen de menselijke stemmen gaan door, gedragen door de continuo. Driemaal herhalen zij fluisterend de woorden: "Hij heeft geleden en Hij is begraven". Dan valt de stilte. Nooit is aangrijpender vertolkt om welk onpeilbaar mysterie het hier gaat. Het diepste punt van de goddelijke zelfontlediging is bereikt.
'De Zoon is één voor één de trappen van het Credo afgegaan, tot op de laatste.' En dan moet men na deze huiver de jubel horen die losbreekt bij het: 'Resurrexit', opgestaan! (De wanden zouden er onder bezwijken!) Of de snijdende spanning in: 'Ik verwacht de opstanding der doden en het eeuwige leven'. Hier voelt men, hoe Bach onder de dwinglandij van de dood heeft geleden. Elfmaal heeft in zijn huis een doodskistje gestaan van nog nauwelijks ontloken leven!
Het is met de handen te tasten in zijn Hohe Messe en in vele van zijn andere werken. Maar meer nog. Telkens weer stijgt het nochtans van het geloof boven de aanvechting uit. Zo ooit Luthers 'nochtans' verstaan en vertolkt is, dan in de muziek van Bach.
Komaf
Aan wie is dit geloofsbelijden van Bach ontsprongen? Aan God alleen. Van Hem kwam zijn geloof en zijn musicaliteit. Maar beide zijn hem om zo te zeggen met de paplepel ingegeven. Wat zijn geloof betreft: van huis uit was hij in de leer en de geest van Luther opgevoed. Van de Lutherse orthodoxie is hij levenslang een trouw vertegenwoordiger en getuige geweest. En dan niet alleen in de objectieve zin, maar de leer was in zijn leven ingegaan, de liefde in zijn ziel gezonken. Luther kruistheologie was voor hem geen voorwerp van bespiegeling, maar waarheid en beleving. Het valt af te lezen aan zijn muzikale scheppingen. En het is hier en daar te merken in zijn brieven. Hij weet van boete en overgave, van gebedsvertrouwen en geborgenheid in Gods barmhartigheid. Een kleine proeve daarvan lezen we in een brief over een van zijn zoons, van wie hij veel verdriet had: 'Daar geen vermaning, ja zelfs geen enkele liefderijke zorg en bijstand meer toereikend zou zijn, moet ik mijn kruis geduldig dragen en mijn afgedwaalde zoon louter aan Gods barmhartigheid toevertrouwen, niet twijfelend dat Hij mijn droevig smeken zal verhoren, en tenslotte naar Zijn heilige wil aan hem zal werken, zodat hij leert erkennen hoe de bekering enkel en alleen aan Gods goedertierenheid is toe te schrijven'. En al zou er geen brief van Bach voorhanden zijn, 'wat Bach was en beleefd heeft, staat in zijn muziek' (Schweitzer).
Spiritualiteit
Als we Bach een Lutheraan noemen zeggen we niet te veel. Alleen, we doen er goed aan hem een spirituele, zo men wil, bevindelijke Lutheraan te noemen. In de twee eeuwen die Luther van Bach scheiden was het Lutheranisme voor een niet gering deel verstard en verstrakt. Zo niet bij Bach. Bij hem treft ons die authentieke verwondering over Christus' kruis en de vergeving der zonde, die warmte van de persoonlijke deelname ian het heil, die hunkering naar de eeuwige leerlijkheid. Evenals Luther wist hij van Gods goede scheppingsgaven in het leven met vreugde en dankbaarheid te genieten, maar op de bodem ook van zijn ziel sluimerde het diep besef van de ontoereikendheid en gebrokenheid van het aardse leven. In Bach's muziek klinkt verwondering en verlangen door. Schweitzer noemt Bach mystiek. De term is aanvechtbaar. Mystiek suggereert een opgaan in God, versmelting, en daardoor vergoddelijking. Daarvan is bij Bach geen sprake. Maar als men onder mystiek verstaat de innige omgang tussen Christus en Zijn bruidsgemeente, de allerpersoonlijkste vertrouwelijkheid tussen Christus en de ziel, dan mag men deze Bruidsmystiek volledig en gerust op Bach van toepassing achten. Met dien verstande dat 'innigheid' hier niet de betekenis heeft van lief en aandoenlijk, maar van innerlijk en binnenwaarts. Het gaat hierbij om de unio mystica, de verborgen vereniging van Christus en het hart door Woord en Geest, waarvan trouwens niet alleen Luther, maar niet minder Calvijn zo gloedvol heeft getuigd. Bach's belijdenis is niet zelden een liefdesverklaring: 'Jesu, Du mein Hebster Leben, meiner Seelen Brautigam, der du dich für mich gegeben, an des bittern Kreuzes Stamm' (Jezus, Gij mijn liefste leven, mijn zielebruidegom, Die U voor mij hebt gegeven, aan het bittere kruishout). De bruid kan in Bach's werken de gemeente zijn, bijv. in de koralen - maar ook de enkele ziel - zoals in de aria's, waar de ontboezeming klinkt van het enkelvoudige hart. Bach's eeuwigheidsverlangen - en nooit is hij inniger dan wanneer hij daarvan zingt - berust maar niet op gemis, maar ontspringt aan 'bezit': die ontmoeting met Christus, die de hunkering naar de volkomenheid teweegbrengt. De Geest was hem inderdaad voor-schot: voor-spel van wat weldra komen gaat, voorbode van Hem die te komen staat.
In zijn 'Wachet auf' trilt de hunkering... Toetssteen van het christelijk geloof!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1985
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1985
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's