De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bach, een bode van boete  en geborgenheid (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bach, een bode van boete en geborgenheid (3)

7 minuten leestijd

Veelzeggend is de inhoud van Bach's bewaard gebleven, vooral theologisch georiënteerde bibliotheek. 

Bibliotheek

Veelzeggend is de inhoud van Bach's bewaard gebleven, vooral theologisch georiënteerde bibliotheek. Het is een aparte studie waard. In deze boekenrij stond een Lutheruitgave in 18 banden, dogmatische en polemische lectuur, vooral ook stichtelijke werken en niet te vergeten de driedelige commentaar op de Lutherbijbel van Calov, waarin belangwekkende aantekeningen van Bach's hand. Van grote betekenis voor Bach's geloofsbeleving moet geweest zijn 'Vom wahren Christentum' van Johann Arndt, een man die sterk gekant was tegen versteend orthodoxisme en verstandelijke theologie, en wie het ging om innerlijke vroomheid en persoonlijke navolging. Van hem is de thematische uitspraak: 'Ik moet in geest en geloof troostrijk ondervinden dat het zo is zoals de Schrift zegt'. De genoemde unio mystica is voor hem en voor velen die in de 17e eeuw in zijn spoor gingen, een van de hoofdaders in theologie en prediking. Hij schrijft daarover: 'Als de Bruidegom komt, verheugt zich de heilige ziel. Zij verheugt zich, dat Hij haar tot bruid heeft op- en aangenomen. O, welk een liefde... Dit geestelijk huwelijk gaat alle menselijk verstand ver te boven, ook alle eigen wil en alle huwelijksleven. Want het is een hemels geschenk, een genadewerk van de Verlosser, een neerbuigende wil van de Bruidegom, een verkiezing van liefde'. Wie Bach's cantates kent, zal deze taal herkennen. Hierin leefde hij. Het is het klimaat van het allegorisch verstane Hooglied. Een theologie, liever: een spiritualiteit waar gestaag en sterk de accenten vallen op wat de Heilige Geest door het geloof aan de binnenkant van ons leven verricht.

Niet individualistisch

Hoe persoonlijk, existentieel de aard van Bach's geloof en cantorambt ook is, men geve het niet uit voor individualistisch of subjectivistisch. Daartegen getuigen eenvoudig de feiten. Neem nu zijn cantatewerk. Dat is maar geen opwelling en ontboezeming van het gemoed! Integendeel, hoe zeer heel Bach's subjectiviteit daarin opklinkt, het is een subjectiviteit die zijn wortels ingeslagen heeft in het Woord van God en de traditie der kerk. Tekst en liederen waren geheel bepaald door de Bijbelpericoop waarover in de eredienst gepreekt werd. Bach was om zo te zeggen aan de liturgie van de kerk gebonden: aan de tekst van de prediking en de liederen daarbij behorend. Voor Bach's cantates geldt ten volle wat wel het principe van alle ware kerkmuziek genoemd is, nl. dat de liturgie de wet van de kerkmuziek is. Deze wet heeft ­Bach niet als een knellend juk ervaren, maar als een vreugdvolle, heilzame leidraad voor zijn scheppend vermogen. Hij stelde heel zijn artistieke begaafdheid en bekwaamheid gaarne in dienst van Gods Woord en Gods lof, middels de kerk en de (Luthers) liturgische regels.

Reformatorisch

Het is dan ook niet waar, dat Bach meer mystiek dan reformatorisch zou zijn geweest. In de eerste plaats al niet vanwege zijn overgave aan het Woord en zijn 'horigheid' aan de orde van de eredienst. Maar er is meer. Het is vooral de tekst zelf van zijn cantates en liedbewerkingen en de manier waarop hij deze teksten toonzet, waardoor zijn verworteling in het reformatorisch erfgoed wordt geïllustreerd. Als er één thema het centrale en vitale moet heten, dan is het zonder aarzeling het Kruis en de Gekruisigde. Met hoeveel ernst kan hij getuigen, in woord en toon, van de radicale verlorenheid van de mens, en hoe vreugdevol weet hij te zingen van het wonder der verlossing. En dan die onopgegeven nadruk op de rechtvaardiging van de zondaar sola gratia, waarbij telkens weer alle werkgerechtigheid weersproken wordt. Hoe innig Bach de vereniging van Christus en de ziel ook weet te vertolken, ze is vereniging door het geloof en is nergens los te denken van de rechtvaardiging door genade alleen. En geen ander fundament gold hem dan de Heilige Schrift: sola Scriptura. Dat te verkondigen en te verklaren kende hij als zijn opdracht. Heel zijn kerkelijke kunst en zijn kunde stonden in dienst van de Woordverkondiging.

Eredienst

M.n. voor de in de eredienst bestemde cantates kijkt men Bach in het hart. Daar lag ook zijn hart: hij wist zich verplicht aan de eredienst van zijn (Lutherse) kerk en haar stelt hij zijn gaven en bekwaamheid ter beschikking. Dit blijkt uit zijn levenskeuze. Het was om zo te zeggen een keuze tegen vlees en bloed. Reeds vroeg had Bach zich een onmiskenbare faam als organist verworven. Als het hem om roem te doen was geweest, zou hij die op de orgelbank gemakkelijk en in toenemende mate hebben kunnen oogsten. Maar alle voordelen ten spijt, ging zijn verlangen naar iets anders uit. Hij gevoelde het als zijn roeping en levensdoel (hij noemt het zijn 'Endzweck') om veel directer ten dienste te kunnen staan aan de verbreiding van het Evangelie. En daartoe moest hij geen organist blijven; orgelspel had immers in zijn tijd tijdens de eredienst slechts een zijdelingse functie: het leidde de zang meer in dan dat het die begeleidde. Nee, cantor-organist moest hij daartoe zijn. Want het was de taak - het ambt mogen wij wel zeggen - van de cantor om onder meer wekelijks een cantate te verzorgen die niet maar tot enige muzikale opluistering van de eredienst diende, maar een wezenlijk bestanddeel vormde van de kerkdienst; niet als omlijsting van de preek, maar als een gezongen Evangelievertolking die geheel op de preektekst van die zondag was afgestemd en de preek ondersteunde en accentueerde. Dit was Bach's levensroeping: de 'regulierte Kirchenmusik zur Ehre Gottes', de regelmatige beoefening van de kerkmuziek tot eer van God. Een roeping, die onmiddellijk verwant is aan de roeping van het predikambt! Daarom zag hij er ook goddelijke leiding in, toen hij in 1723 - hij was toen 38 jaar - naar Leipzig werd geroepen om Kuhnau, de cantor van de Thomaskirche, op te volgen. Zelf zegt hij ervan dat hij het waagde in 's Hoogsten Naam en dat God het zo bestuurde, dat hij met dit ambt bekleed werd. Zo gaf hij zijn talenten terug aan Hem van Wie hij ze ontvangen had.

Cantor

Vanuit onze gereformeerde traditie kost het ons enige moeite om positie en betekenis van een cantor op de juiste waarde te schatten. Hij was niet de man die zondags het organistenbriefje van de predikant ontving, maar die dat 'briefje' zelf samenstelde. Hij koos voor de eredienst de te zingen liederen uit. En vooral, hij componeerde de cantate, studeerde die in - vocaal en instrumentaal - en dirigeerde die tijdens de dienst. Dit betekent in het klimaat van de Lutherse traditie dat zo'n cantor mede-verkondiger van het Evangelie was, mede-liturg! Hij was een man van eigen stand en met een eigen gewaad. Van hem werd niet alleen muzikaliteit gevraagd, maar ook theologische kennis en diepgang, toewijding aan de Boodschap en trouw aan zijn ambt. Men moest in deze hoedanigheid de belofte afleggen van tuchtvolle levenswandel. En in Leipzig werd Bach voordat hij zijn cantoraat kon aanvaarden onderzocht op zijn geloofskennis en moest hij de lutherse eenheidsbelijdenis, de Formula Concordiae, ondertekenen. Op dit muzikale ambt is van toepassing wat iemand eens zo formuleerde: 'Alleen wanneer zich de muziek met het geloof en de schoonheid met de waarheid verbindt, ontvangt zij de volmacht tot de dienst in het heiligdom'. Dit nu is op de cantor van de Leipziger Thomaskirche volledig van toepassing. Muziek was voor hem eredienst. Schweitzer schreef terecht: 'Bach's kunstenaarschap en persoonlijkheid liggen in zijn vroomheid verankerd. Voorzover hij ooit begrepen kan worden, wordt hij het van hier uit. Kunst was voor hem religie. Daarom had zij niets met de wereld en niets met werelds succes van doen. Zij droeg haar doel in eigen wezen. Voor Bach sterven de klanken niet weg, maar stijgen zij als een niet uit te spreken lofzang op tot God'. Wat niet uit te zeggen is, valt slechts uit te zingen!

Catecheet-musicus

A. C. Honders heeft Bach ooit een uitgesproken catecheet-musicus genoemd. Hij heeft dan vooral het oog op Bach's 'Vorspiele' bij de catechismus-liederen. Daarin trachtte hij de wezenlijke bedoeling te ontdekken van wat Luther aangaande geloof, gebed en sacrament had geleerd en wilde hij die, gebruik makend van zijn muzikale mogelijkheden, op zijn wijze doorgeven. Bach wilde onderrichten in de heilige leer.

Hij wilde niets anders en niets liever dan het onderwijs van de Schriften en de belijdenis der kerk in de harten inprenten. Zo ook zijn Bach's cantates niet bedoeld als kunstwerken op zich, maar als prediking van het Woord en van niets anders. De dienst van God en de lof van Zijn Naam is de basis van heel zijn oeuvre.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1985

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Bach, een bode van boete  en geborgenheid (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1985

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's