Boekbespreking
H. J. van Unen, Prodeonisme, 493 biz., Pro Deo Pers, Muiderberg
Men mag dit boek gerust indrukwekkend noemen, een benaming die slechts aan weinig boeken toekomt. Enerzijds heeft het mij sterk geboeid, anderzijds moet ik de grondgedachten van dit boek afwijzen.
Het boek bestaat uit twee delen. Het eerste is getiteld De wijsbegeerte van grond en zijn, en het tweede Theologie van God en Zijn rijk. De beide delen zijn elk als afzonderlijk boek te lezen maar dan wordt hun samenhang doorbroken. Het eerste deel bepaalt de uitgangspunten waar de schrijver langs een filosofische weg toe komt, en het tweede deel werkt die uitgangspunten op het gebied van de theologie uit. Het blijkt dan, dat deze 'onderlaag' waar de kerkelijke traditie op gezet wordt, die traditie dusdanig filtert, dat er allerlei wegzakt wat tot het in de bijbel aan ons geopenbaarde erfgoed behoort. Het christendom blijkt niet zo wezenlijk te verschillen van enkele andere godsdiensten, en de persoon van Christus blijkt niet van dusdanige doorslaggevende betekenis dat Hij onmisbaar, onvergelijkbaar en heilsnoodzakelijk is in Zijn werk.
Dit boek is typisch een boek uit de tijd na Karl Barth. De schrijver wil de zin van het bestaan op het spoor komen langs de weg van zelfstandig, van de bijzondere openbaring onafhankelijk, denken. Nu heeft de filosofie dit altijd al geprobeerd, maar zij leerde in het verleden ook altijd dat de zin van het bestaan lag in iets buiten onszelf, in iets wat goddelijk genoemd werd, of God. Met deze gedachte breekt de schrijver. Hij wil echter evenmin met de eigentijdse mode mee, die, uit reactie, breekt met iedere zin van het leven die wel eens boven de mens uit zou kunnen gaan, daarom alles verwerpt wat boventijdelijk is, en de zin van het bestaan zoekt in het bestaan van de mens zélf. Tussen deze twee uitersten wil de schrijver een eigen weg gaan. Enerzijds verwerpt hij hartgrondig filosofen als Kant of een christelijke filosofie als de Wijsbegeerte der Wetsidee, anderzijds verzet hij zich, als christendenker, tegen de geest van het nihilisme dat alleen zichzelf maar heeft.
Prodeonisme betekent dan, dat de mens weliswaar zijn grond in zichzelf heeft, iets waarin de moderne tijd ons inziens meeklinkt, maar dat dit 'zelf' van de mens tegelijkertijd nooit los te denken is van zijn relaties, van zijn staan in verhoudingen, tot zijn omgeving uiteraard, maar niet het minst tot God. Deze God is dan, net als de mens, óók grond in zichzelf, óók in relatie. Nu is het waar dat God grond in Zichzelf is, maar het wonder van de openbaring is ons inziens, dat deze God Zich te kennen geeft en zonder ons niet zijn wil. Aangezien de schrijver het voor het christendom wezenlijk acht dat God Zijn grond in Zichzelf heeft, komt de openbaring op het tweede plan, zodat het christendom zich niet wezenlijk onderscheidt wat het Godsbeeld betreft van dat in de Koran of in de joodse traditie. Van deze drie godsdiensten is dan het christendom de hoogste openbaring.
De schrijver doet ons inziens de christelijke traditie die zich met de inhoud van de openbaring heeft verstaan, geen recht, met name geen recht aan Athanasius, Augustinus en Thomas, die hij in feite vanuit een 'natuurlijk' uitgangspunt aantast.
Nochtans hebben we er waardering voor dat het iemand lukt zo doordacht zijn uitgangspunten voor ogen te stellen, in een bestek waarbinnen de hele filosofie en theologie inhoudelijk aan de orde komen, ook al wijzen we de resultaten slag op slag af. Moeten we de schrijver plaatsen, dan zetten we hem in de filosofische natuurrechtelijke traditie waarin het natuurrecht helemaal tot een natuurlijk geschieden geworden is, sterk situationistisch gekleurd, en dus historiserend, en bij dit alles komt dan een duidelijk evolutionistische touch.
S. Meijers
W. Dekker, 'Vaste grond', werkboek bij de Dordtse Leerregels, Boekencentrum, 's Gravenhage 1984, 192 blz., prijs ƒ 25,90.
Ds. W. Dekker (Rotterdam) heeft een helder en leerzaam boek geschreven over de Dordtse Leerregels. Op de kansel in Loenen aan de Vecht in leerdiensten aan de gemeente voorgehouden, heeft hij de heilzame en vertroostende boodschap van dit belijdenisgeschrift in een hem eigen pakkende schrijftrant, in 21 korte hoofdstukken verdeeld, aan het papier toevertrouwd. Het is een handzame en fraaie uitgave van het Boekencentrum geworden van 192 pagina's, getiteld 'Vaste grond'. Elk hoofdstuk besluit met een aantal gespreksvragen, geschikt voor gebruik in kringen in de gemeente. Ik ben blij, dat hiermee weer een keer te meer de door ons vaak vergeten en door anderen verguisde Dordtse Leerregels voor het voetlicht zijn gehaald. Ik ben ds. Dekker ook erkentelijk voor de pastorale wijze, waarop hij de leer van Dordt weghaalt uit de sfeer van verstard dogmatisme en versteende scholastiek, waardoor Dordt zo vaak is geannexeerd. Ds. Dekker schrijft in fijne affiniteit aan dit kardinale stuk van het lofprijzend belijden onzer kerk. Dat de laatste tijd een groter aantal predikanten in de leerdiensten de Dordtse Leerregels behandelen dan vroeger het geval was, acht ik een zegen. Ook al omdat de vragen, waarop Dordt in de Leerregels zo indringend en pastoraal inging, tenslotte geen vragen zijn, die slechts bij het voorgeslacht horen en bij een twistgeding met Remonstranten, die allang niet meer bestaan. De vragen, die hier aan de orde zijn, hebben te maken met de meest centrale dingen van de Schrift, nl. met de verhouding God en mens. En remonstrantisme is tenslotte niet uitgestorven. We zijn er onder bedolven tegenwoordig.
Eén ding onderstreep ik dubbel in het boek van ds. Dekker. Ik onderstreep het en zet van daaruit gelijk een vraagteken. Op de laatste bladzijde zegt de schrijver nl. dat hij 'de belijdenis van de predestinatie (dubbele verkiezing) consequent wil verstaan als nadere ontvouwing van de lofprijzing van de drieënige God...' Het vraagteken, dat ik plaats - als een vraag aan de schrijver - heeft te maken met het laatste: lofprijzing van de drieënige God. De Dordtse Leerregels zijn metterdaad consequent trinitarisch. Dat wil zeggen, dat er volle aandacht is voor de souvereiniteit van God (eeuwig welbehagen) zowel als voor verkiezing in Christus (voor de grondlegging der wereld) als ook voor de daadwerkelijke uitwerking daarvan in het hart en leven van de zondaar door de Heilige Geest. In deze trinitarische verbanden wordt het stuk van de verkiezing beleden. Inderdaad lofprijzend. Welnu, dat trinitarische had in de behandeling en de wijze van aanpak van de Dordtse Leerregels door ds. Dekker m.i. beter uit de verf kunnen komen. Ik zou met Van Ruler willen spreken over de oprichting van het recht Gods in het hart van een zondaar. Wedergeboorte als een gedurige vrucht van de rechtvaardiging van de goddeloze of ook wedergeboorte als een diep ingrijpende en daadwerkelijke genade, waardoor de natuur van de mens wordt vernieuwd, hebben voluit met die inscherping van het recht Gods in het hart des mensen te maken. Het is in die verbanden, dat Christus als Middelaar gestalte krijgt.
Barth, Woelderink en Miskotte (over wie ds. Dekker nog al eens spreekt in zijn boekje) mogen ons waarschuwen voor een verzelfstandigd geestelijk leven, waardoor de levende Christus begraven wordt in de mens met zijn geestelijke vermogens en ervaringen. Hoezeer hun strijd te verstaan is, zij hebben evenwel aan de daadwerkelijkheid van de genade in bovenbedoelde zin, geen recht gedaan, omdat zij de dingen uit hun trinitarische verbanden haalden. Het wordt nu weer eens hoog tijd, dat wij de nadruk leggen op die daadwerkelijkheid der genade. Dat houdt tevens in, dat het onderscheid wordt gezien tussen die, die God vreest en die, die Hem niet vreest; als een tegenstelling tussen gelovigen en ongelovigen (ondanks Miskotte's bewering, dat daarmee de idee der kerk is prijsgegeven). Artikel 29 N.G.B, spreekt niet anders. Wellicht dat wij op deze wijze ook een antwoord kunnen vinden op de vraag vanuit het Jodendom aan de christelijke kerk, waar in die kerk de verlossing zichtbaar is geworden.
Overigens blijft de worsteling van ds. Dekker om de verhouding tussen rechtvaardiging en heiliging recht te kunnen verstaan ook de mijne. Daarin zijn de Dordtse Leerregels juist in onze tijd hoogst actueel en richtingwijzend. Juist omdat ze zo lofprijzend zijn.
C. den Boer
Vrouw-Religie-Macht: Onder redactie van Denise Dijk, Wim Haan, Marja Meerburg en Allard Willeniier Westra. Een uitgave van Meinema, Delft, 1985, 137 blz. (prijs onbekend).
In de wandelgangen van de Theologische Faculteit van de V.U. in Amsterdam werd het plan voor de bundel 'Vrouw-Religie-Macht' geboren. Het zou een serie studies moeten worden over de wijze waarop religie de machtsrelatie tussen mannen en vrouwen beïnvloedt. Ontlenen vrouwen inspiratie aan haar religie om daarin de nodige verbeteringen aan te brengen? Of is religie een sta in de weg als het erom gaat een grotere machtsgelijkheid in de verhouding tussen de seksen te bereiken? Vier theologen en zes sociale wetenschappers, waaronder zes vrouwen, zorgden voor het interdisciplinair karakter van de groep. Ik vind de vraagstelling en dan ook de antwoorden die gegeven worden zo eenzijdig en beperkt, omdat het geheel in het kader van machtsdenken wordt behandeld. Zo wordt ér gesproken over mindermachtigen en meermachtigen, waarbij mannen beschikken over machtsmiddelen, al zijn vrouwen niet volkomen machteloos. De religieuze macht brengt een re-Hgieuze melodie voort. Deze is getoonzet door de meermachtigen. Maar wie goed luistert. hoort ook variaties en tegenstemmen. Mindermachtigen vinden in hun religieuze tradities telkens weer aanknopingspunten om hun visie op de werkelijkheid te laten doorklinken. In de bundel staan verhalen over vrouwen uit verschillende delen van de wereld, die in uiteenlopende culturen en religieuze tradities leven. Deze verhalen maken twee dingen duidelijk. In de eerste plaats laten ze zien dat mannen die de sleutelposities in de samenleving innemen, niet bepalen óf vrouwen ernaar zullen streven verbetering te brengen in haar ondergeschikte positie. In de tweede plaats laten de verhalen zien dat mannen die tot de kerngroepen behoren, wel in belangrijke mate bepalen of het streven van vrouwen haar positie te verbeteren ook resultaten oplevert. Een eenzijdige en beperkte bundel verhalen dus, waarbij het verlangen bovenkomt naar een gefundeerd bijbels kader, waarbij man en vrouw in eigenheid en wederkerigheid elkaar onderdanig zijn in de vreze Gods. Een kader... niet van macht... maar van de vreze des Heeren, dat het beginsel is van wijsheid en wetenschap, met name wel die van het beginsel van de ware Theologie.
C. van Sliedregt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's