Uit de pers
In de voorbije weken kregen twee zaken veel aandacht in de kerkelijke pers: allereerst de herdenking van de bevrijding voor 40 jaar uit de terreur van de Nazi's, en in de tweede plaats het bezoek van paus Johannes Paulus II aan ons land in het kader van een bezoek aan de Benelux.
Symboolfunktie
De media hebben ons uitvoerig ingelicht over het bezoek van de paus. En in de komende week zullen de effecten van dit bezoek nog wel geëvalueerd worden. Runia wees er in het Centraal Weekblad op dat dit bezoek de rooms-katholieken in ons land zo verdeeld heeft. De democratiseringsgolf van de zestiger jaren heeft ook de gezagsstructuur zoals de roomse kerk die sinds eeuwen kent onder kritiek gesteld. Velen verlieten de kerk; onder hen die bleven is duidelijk een tweespalt zichtbaar. Runia spreekt van een kritische loyaliteit bij vele rooms-katholieken. Hij schrijft in het nummer van 17 mei:
'De kritische loyaliteit concentreerde zich met name op zijn symboolfunctie. De paus is het symbool van de hele hiërarchische en autoritaire structuur van de kerk. Als zodanig hebben de protestanten hem altijd al gezien. Verschillende reformatorische belijdenisgeschriften richtten zich dan ook tegen het pausschap. Aanvankelijk gebeurde dat vaak indirect. Artikel 31 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (1561) noemt Jezus Christus nadrukkelijk "de enige algemene bisschop en het enige Hoofd van de Kerk". De Westminsterconfessie (1647) gaat veel verderen noemt in hoofdstuk 25 de paus de "anti-christ"! Het is opmerkelijk dat in onze tijd veel rooms katholieke theologen hier begrip voor blijken te hebben. In een recent nummer van NRC-Handelsblad schreef de Tilburgse hoogleraar J. A. Bornewasser: "De kerk van Rome kent een voor protestanten onaanvaardbare beschikking over het goddelijk heil, zichtbaar in de bemiddelende functie van een hiërarchisch instituut. In die optiek fungeert de paus als een symbool...". Uiteraard zullen de meeste rooms-katholieken, ook de kritischen onder hen, een uitspraak als van de Westminster Confessie (de paus is de antichrist) niet overnemen. Trouwens ook veel protestanten zullen momenteel geen behoefte hebben om het zó te zeggen. Maar het verbaast ons toch niet dat de kritiek binnen de Rooms Katholieke Kerk zich ook vandaag speciaal richt op de paus als symbool van de autoritaire, over het goddelijk heil beschikkende kerk. Heel kort gezegd: Men wil wel een paus, maar dan iemand in de geest van Johannes XXIII.
Het bezoek van Johannes Paulus II aan ons land heeft bevestigd dat hij dat soort paus niet is. Hij is een beminnelijk man. Hij is een bekwaam kerkleider. Hij is iemand met een open oog voor de grote wereldproblemen, zoals armoede en honger, oorlog en bewapening, onrecht en onderdrukking. Maar hij blijft de kerkleider die zich bewust is, niet alleen van zijn verantwoordelijkheid, maar ook van zijn gezag als opvolger van Petrus.'
Dat laatste houdt in, aldus Runia, dat het pausschap één van de grote struikelblokken blijft in de oecumene, en de oecumene wel eens onder sterke druk kan zetten. In de rooms-katholieke theologie zijn er verschillende geleerden die niet spreken van een pausschap, maar van het Petrus-ambt ten dienste van zijn broeders. Zoals Petrus een leidende rol speelde temidden van de broeders als eerste onder zijns gelijken, zo zou in een oecumenische kerk een van zijn onfeilbaarheidspretenties en bestuursmacht ontdane bisschop van Rome deze wereldwijde Petrus-dienst kunnen en moeten bewijzen. Met name iemand als Hans Küng denkt in deze richting. Hoe aannemelijk dit ook mag klinken, ik blijf hier toch grote vraagtekens zetten. Vooreerst blijkt nergens uit het Nieuwe Testament dat Petrus, die in de gemeente van Jeruzalem temidden van de apostelen een leidende plaats heeft ingenomen in de eerste tijd, mondiaal zo'n Petrusdienst heeft uitgeoefend. Na Handelingen 15 verdwijnt hij min of meer uit het vizier. Bovendien, waar blijkt in de Schrift dat zulk een ambt in Rome gelocaliseerd moet zijn? Kan men bovendien de analogie van Petrus in de apostelkring doortrekken naar het niveau van wereldkerk? Laten twintig eeuwen kerkgeschiedenis niet zien dat hoe meer leiding in één hand komt te liggen - en bij een charismatisch leider op wereldniveau is daar niet aan te ontkomen - hoe meer de poort openstaat naar machtsmisbruik. Alle mooie woorden over genadegaven ten spijt! Valt een dergelijke positie ooit met het begrip 'genadegave' dat bij Paulus in 1 Kor. 12-14 juist funktioneert in de plaatselijke gemeente, te rijmen? In een nog altijd lezenswaardige brochure uit 1973 heeft prof. dr. G. P. van Itterzon er op gewezen, dat de geschiedenis laat zien hoe de overgang van Petrus-dienst naar Petrusmacht uitermate gemakkelijk verloopt (Naar een Petrusdienst? blz. 50). De geschiedenis dient voor ons een baken in zee te zijn.
De Kerk in de oorlogsjaren
Ook de herdenking van de bevrijding heeft op allerlei wijze aandacht gekregen. Woord en Dienstkwam op 27 april uit met een nummer 'Veertig jaar Hervormde Kerk', waarin in een aantal artikelen de ontwikkeling geschetst wordt van allerlei initiatieven die in 1945 van start zijn gegaan na in de oorlog te zijn voorbereid. In Scheps Kerknieuws schrijft Jaap Aleman over het verzet van de kerken in de oorlogstijd. Over de kerkelijke pers schrijft hij:
'Eigen aan dictatuur is een pers die meewerkt aan de propaganda. Indien ze dit niet doet, dan zorgt de dictatuur wel voor regels, die de niet collaborerende pers langzaam maar zeker uit het beeld doet verdwijnen. Dit nu was het lot dat de kerkelijke pers in de oorlog onderging. Snel nadat de bezetter hier was gekomen begon het proces van de gelijkschakeling van de pers. Kerkelijke bladen, gericht op de zending onder de joden, werden snel verboden. Datzelfde lot onderging de gehele kerkelijke pers, die in deze situatie niet wilde zwijgen.
Om de pers te kunnen knevelen, werd het Departement van Volksvoorlichting opgericht, waar de voorbereidingen voor de strijd tegen de vrije media werden getroffen. Naast de regelingen, die er van dit departement uitgingen, was er ook nog de Sicherheits Polizei, die reeds in een vroeg stadium van de bezetting het ene na het andere kerkelijk blad verbood dat publiceer de wat in strijd was met de wensen van de bezetter.
Ook trachtte de bezetter de pers, dus ook de kerkelijke, op allerlei wijzen te beïnvloeden. Soms richtte men het één of andere verzoek tot de pers, soms waarschuwde men de pers en soms dwong men iets af door dreigementen te uiten. In mei 1941 werd de eerste grote actie tegen de pers gestart. Het journalistenbesluit werd ingevoerd. De strekking van dit besluit was dat alle bladen voor 31 mei 1941 een verantwoordelijke hoofdredacteur moesten aanwijzen, welke lid moest worden van het nationaal-socialistische "Journalistenverbond". Ook de kerkelijke pers kreeg de mededeling dat ze verantwoordelijke hoofdredacteuren moest aanwijzen. De kerken hebben zich hiertegen verzet door te stellen, dat het journalistenbesluit voor de kerkelijke pers niet opging. Volgens het departement echter was dit wel degelijk het geval. Alleen als kerkelijke bladen zich beperkten tot het doen van mededelingen, dus geen meditaties en dergelijke opnamen, zouden zij misschien niet onder het journalistenbesluit vallen. De kerk kon dus kiezen tussen geen pers of een pers, die zich aan het journalistenbesluit hield. De kerk bood weerstand en ging gewoon op de oude voet voort. In het najaar van 1941 echter werd dit onmogelijk gemaakt doordat de kerkelijke bladen geen papier meer kregen op grond van de ''papierschaarste".
Af en toe kon toch dan weer het ene, dan weer het andere blad verschijnen, omdat men hiervoor toestemming van het departement had gekregen. Het was echter allemaal vrij chaotisch. Een poging om aan deze chaos een einde te maken, werd door het Departement van Voorlichting ondernomen. Men stelde een commissie in, die de opdracht kreeg de kerkelijke pers te concentreren.
Deze commissie wilde voor de kerk trachten te redden wat er nog te redden viel. Daartoe trof zij een regeling, waarbij een groot aantal kerkelijke mededelingsbladen zouden worden opgericht.
De kerken gingen niet akkoord met deze regeling, omdat ze niet afkomstig was van de kerkelijke instanties, maar van een commissie die was ingesteld door het departement.
De kerken kregen op 2 maart 1942 toestemming van het departement de materie zelf te regelen. De kerkelijke bladen werden tot mededelingenorganen gedegradeerd, maar in ieder geval was de kerkelijke pers niet gelijkgeschakeld. Het was toch een overwinning: zij wilde geen instrument van de bezetter worden.'
Wie over de kerk in de oorlogsjaren leest komt vaak de naam tegen van dr. Jan Koopman, op 24 maart 1945 getroffen door een 'verdwaalde' duitse kogel. Zijn publicaties, met name zijn bundels preekschetsen, laten zien, hoe hij vanuit het hart van de reformatie evangelieprediking en aktualiteit wist te verbinden. In de oorlogsjaren heeft Koopmans in verschillende geschriften het koningschap van de God van Israël beleden tegenover de ideologie van het nationaal-socialisme. Zijn geschrift "Bijna te laat" (gericht tegen de Ariër paragraaf) is door Presser een van de voornaamste documenten in de strijd tegen de bezetters genoemd. Dr. G. W. Marchal schreef over Koopmans een (dik) boek, dat door zijn vele citaten uit Koopmans werk een goede inleiding vormt voor wie de geschriften van Koopmans niet kent.
Ds. L. H. Kwast gaat in de Friese kerkbode in op de vraag, hoe het zover heeft kunnen komen. Op die vraag zijn, zegt hij, vele antwoorden gegeven. O.a., 'dat de Duitsers altijd al geneigd zijn de wereld aan hun voeten te willen zien'.
Op sommige van die antwoorden kan wel wat afgedongen worden. Zo heeft de crisis van de jaren dertig in de Verenigde Staten nog wel harder toegeslagen dan in Duitsland. De Skandinavische landen hebben ook een Lutherse traditie maar hebben loepzuivere democratieën opgebouwd. En zeker tot 1848 is streven naar wereldheerschappij de Duiters altijd vreemd geweest. In dat opzicht hebben Fransen en Engelsen veel oudere papieren.
Ik ben het met die Duitse historici eens - Golo Mann, Karl Dietrich Bracher, Sebastian Haffner - die stellen dat noch de Duitse natie van 1933 noch de andere Europese volken voorbereid geweest zijn op het verschijnsel Adolf Hitler. Eerst Duitsland, daarna Engeland en Frankrijk, verkeerden in de veronderstelling dat zij deze Oostenrijkse barbaar geleidelijk konden omvormen in een gangbare en verdragelijke politicus. Dat is alle betrokkenen op een verschrikkelijke manier opgebroken.
Hitler maakte geen grappen als het om de macht ging. Hitler meende het als hij zei dat oorlog de enige oplossing was voor alle kwalen van de wereld. Hitler was het ernst toen hij - al in Mein Kampf - de praktijk van een onverzoenlijk antisemitisme aankondigde.
Al zijn tegenstanders, zowel binnen als buiten Duitsland, zeiden dat Hitlers woorden met een korreltje zout genomen moesten worden en dat de pap niet zo heet gegeten werd als ze werd opgediend.
En zo sloot de een na de ander een compromis. De Duits-Nationalen van 1933, de Katholieke Zentrumpartei, de Reichswehr, het overgrote deel van de Lutherse kerk, het Vaticaan, Frankrijk, Engeland, de Sowjet-Unie (1939!). Zo wist Hitler de ene na de andere partij aan zich te binden en daarna te overrompelen. Hij schreed tot de zomer van 1939 van triumf naar triumf. Alles lukte hem. Hij voerde zijn politiek als een oorlog, terwijl zijn tegenstanders geloofden in vrede en onder de bescherming van wetten te leven.
Toen die tegenstanders eindelijk open ogen kregen en besloten Hitler met gelijke munt te betalen, was Hitlers spel in beginsel verloren. Maar omdat Hitler inmiddels een militair-technische voorsprong had opgebouwd, kon hij Europa meesleuren in het lot waarop wij tot op de dag van heden met afgrijzen terugzien. De compromissluiters, allen geworteld in geloofsovertuigingen en tradities, hadden te laat ingezien dat zij met een ontwortelde geest te maken hadden.
Hitler overdreef tenslotte zo dat niemand meer met hem wilde onderhandelen: het trotse en diep-fatsoenlijke Engeland al sedert september 1939 niet meer en sinds juni 1941 niemand meer. Hij dreef alles zo op de spits dat hij bijna de hele wereld tegenover zich kreeg. Amerikanen, Engelsen, Russen, Indiërs. Deze onnatuurlijke alliantie bleef geen dag langer in stand dan Hitler het zelf volhield. Maar deze alliantie had maar één doel: zich van dit onverdragelijke schepsel definitief te ontdoen. Hitler ruïneerde zichzelf en Duitsland door dezelfde tactiek waarmee hij zich een weg naar de macht had gebaand. Genadelozer te zijn dan de anderen: dat was zijn simpele tactiek geweest. Daarmee had hij de macht over Duitsland in handen gekregen, daarmee had hij Europa aan zijn voeten gebracht. Toen zijn tegenstanders even genadeloos tegen hem en tegen het volk dat hem diende, gingen terugslaan, was zijn tactiek uitgewerkt. Hitler had wind gezaaid. Hij oogstte storm. In Churchill, Roosevelt en Stalin ontmoette hij tegenspelers die in wilskracht tegen hem opgewassen waren en gezamenlijk een veel groter arsenaal achter zich hadden dan hij ooit had kunnen opbouwen. Zichzelf overschatte hij, anderen onderschatte hij.
Met het bovenstaande is alleen een heel summiere beschrijving gegeven. Geen verklaring. Het raadsel blijft dat zo vele Europeanen die in eruditie en intelligentie Hitler verre de baas waren, zich tussen 1933 en 1939 aan hem gewonnen gaven. Het raadsel blijft dat tot 1938 aan toe compromissen met hem gesloten werden. Het raadsel blijft dat men niet wilde zien wat al in 1934, in 1936 en 1937 zichtbaar was: de waanzin van Hitlers ideologie.'
Over de historie blijft het raadsel liggen. Zal het ooit ontraadseld worden? Kwast oppert de mogelijkheid, dat zij die afstand kunnen nemen - een generatie in de 21e eeuw wellicht - tot helderder oordelen kunnen komen. Feit blijft dat een Hitler zijn sinister werk heeft kunnen doen op de akker van onze beschaving. Dat tekent de krisis van onze cultuur. Misschien is nog belangrijker dan het zoeken naar een verklaring de constatering dat dat kennelijk mogelijk is: dat politici en onderdanen zó in de greep van een demonische ideologie kunnen geraken en dat elk compromis wat dan gesloten wordt er naast is. Na veertig jaar is dat niet zo moeilijk in te zien. Pijnlijker is de vraag wat de toekomstige generatie zal zeggen over ons, over de compromissen die wij sluiten en de valkuilen waarin wij soms ongemerkt vallen. Een geest van verblinding kan ons benevelen, en het zicht op de ware stand van zaken ontnemen. Ook de Bijbel weet daarvan. In 2 Kor. 4 spreekt Paulus over de god van deze eeuw die mensen met blindheid slaat. Maar de Bijbel weet ook van een andere Geest, de Geest der waarheid die oog en hart verlicht, zodat we kritisch gaan onderscheiden en onderkennen waar het op aan komt. Ik schrijf deze persschouw kort voor Pinksteren. God heeft Zijn Geest uitgestort in de gemeente. Voor de toekomst van de kerk, van de volken, van de cultuur zijn we aangewezen op de werking van deze Geest. De gemeente die lijdt aan de nood van de wereld, in een diep besef van solidariteit, dat deze nood haar nood is, roept in het gebed Gods ontferming in over deze onze wereld. En dat gebed is tegelijk de roep om de Geest die Heere is en levend maakt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's