Ambt en Avondmaal onlosmakelijk verbonden
Synoderapport
Wij zouden 'veel begrip willen vragen voor schroom voor het Heilig Avondmaal, een schroom die de eeuwen door telkens is voorgekomen en dan zeker niet alleen binnen één zeer bepaalde sector van de Kerk. Men kan de problemen rond de avondmaalsmijding zeker niet oplossen door de schroom weg te wuiven. Avondmaalsmijding door gebrek aan belangstelling of door oppervlakkigheid is net zo goed of misschien nog veel méér een probleem! En hoewel het verheugend is wanneer er een ruime deelname is aan het Avonds maal, kan men het gehalte van echt geestelijk leven in een gemeente niet zonder meer aflezen aan het aantal avondmaalgangers. De Kerk behoort veel begrip te hebben voor avondmaalsschroom en veel geduld bij avondmaalsmijding'.
Wij zouden 'veel begrip willen vragen voor schroom voor het Heilig Avondmaal, een schroom die de eeuwen door telkens is voorgekomen en dan zeker niet alleen binnen één zeer bepaalde sector van de Kerk. Men kan de problemen rond de avondmaalsmijding zeker niet oplossen door de schroom weg te wuiven. Avondmaalsmijding door gebrek aan belangstelling of door oppervlakkigheid is net zo goed of misschien nog veel méér een probleem! En hoewel het verheugend is wanneer er een ruime deelname is aan het Avonds maal, kan men het gehalte van echt geestelijk leven in een gemeente niet zonder meer aflezen aan het aantal avondmaalgangers. De Kerk behoort veel begrip te hebben voor avondmaalsschroom en veel geduld bij avondmaalsmijding'.
Deze uitspraak is te lezen in een rapport 'Ambt en avondmaalsmijding', dat dezer dagen op de vergadering van de generale synode wordt behandeld. De kwestie is opnieuw onder de aandacht van synode gekomen omdat in enkele gemeenten spanningen ontstonden vanwege ingediende bezwaarschriften tegen candidaatstelling of verkiezing van gemeenteleden voor het ambt van ouderling, die niet deelnamen aan het Heilig Avondmaal. Reeds in 1958 verscheen een synodaal rapport over deze kwestie, getiteld 'Rapport van de generale synode rondom de viering van het Heilig Avondmaal' en ook in het in 1960 verschenen geschrift 'De deelname aan het Avondmaal' kwam de zaak aan de orde. De commissie, die het huidige rapport samenstelde (dr. S. Gerssen, dr. C. P. van Andel, ds. P. van den Heuvel, ds. A. Kool, ds. G. J. Wisgerhof en G. de Klerk), wilde terecht niet meer meer herhalen wat in die geschriften aan de orde kwam. Wèl sluit de commissie uitdrukkelijk aan bij de conclusie van het rapport van 1958, namelijk 'dat het onmogelijk is een scheiding te maken tussen het ambtsdrager zijn en het deelnemen aan het Heilig Avondmaal'.
Onderbouwing
De commissie onderbouwt deze conclusie intussen nog wel grondig op grond van de Schrift en de geschriften van Reformatie en Nadere Reformatie.
Uit het klassieke avondmaalsformulier wordt geciteerd dat wij niet tot het Avondmaal komen omdat wij daarmee betuigen dat wij in onszelf volkomen en rechtvaardig zijn ('God is meerder dan ons hart', 1 Joh. 3 : 20).
Verder wordt gesteld dat alle verontschuldigingen hun geldigheid verliezen als de uitnodiging van Christus klinkt.
Op de synode van Dordrecht nu werd gesteld: 'Men zal geen avondmaal uitreiken waar geen ouderlingen en diakenen zijn, die op de aanneming en regering dergenen, die toegelaten worden, acht hebben'. Hoe zou dat 'acht hebben' immers op de juiste wijze kunnen plaats vinden wanneer men zelf niet deelneemt? 'Wie niet zelf aangaat - stelt het rapport - is niet in staat de gemeente op gepaste wijze te leiden en voor te gaan.' Voor gemeenteleden kan het dan zelfs extra vrijmoedigheid vragen om toch aan te gaan. En verder: 'wie geen goddelijk recht heeft om aan het Avondmaal aan te gaan, heeft ook geen goddelijk recht tot het ambt. Zou de Heere het onmogelijke vragen van hen, die Hij roept in Zijn dienst? Als Hij iemand tot de ambtelijke dienst roept, dan tot de hele ambtelijke dienst en niet tot een stukje daarvan'.
De conclusie is dat wie scheiding maakt tussen ambt en sacrament het ambt 'verburgerlijkt (...) tot een menselijke bestuursfunctie in de gemeente'.
Historische motieven?
Het is de commissie niet gelukt - aldus het rapport - om in de geschriften van Reformatie en Nadere Reformatie enig aanknopingspunt te vinden voor een legitimering van de scheiding tussen ambt en avondmaal. Christen-zijn en avondmaal vieren hangen daar nl. samen.
Uit de Catechismus van Calvijn worden de volgende vragen en antwoorden opgenomen.
Vraag: 'Is het dan vereist een volmaakt geloof en volmaakte liefde te hebben? ' Antwoord: 'Zij moeten beide echt zijn en niet geveinsd. Maar zo volmaakt te zijn, dat er niets op te zeggen valt, dat vindt men niet onder de mensen. Dan zou ook het Avondmaal tevergeefs ingesteld zijn, wanneer niemand het mocht ontvangen, tenzij hij geheel volmaakt was'.
Vraag: 'Verhindert onze onvolmaaktheid ons dus niet om aan te gaan? ' Antwoord: 'Integendeel, het Avondmaal zou ons tot niets dienen, indien wij niet onvolmaakt waren, want het is een steun en troost in onze zwakheid'.
Vraag: 'Hoe zou men dus moeten oordelen over iemand, die er geen deel aan wenst te nemen? ' Antwoord: 'Men zou hem niet voor een Christen mogen houden. Want door zo te doen, weigert hij te belijden en verloochent hij als het ware zwijgende Jezus Christus'.
Verder wordt gezegd dat in een geschrift van Willem Teehnck 'Het geestelijk Cieraet van Christi Bruyloftskinderen' (1620) de uitvluchten om zich van het avondmaal te onthouden uitvoerig worden bestreden. Ds. D. J. Budding (Nederhemert) komt ook in een studie over o.a. de avondmaalsopvatting van F. J. Ridderus (de voorganger van W. a Brakel in Rotterdam) tot de conclusie dat 'er bij hem een gezonde spanning bestaat tussen de heilige plicht voor ieder lidmaat om aan het Heilig Avondmaal deel te nemen en de absolute noodzaak dit met een oprecht geloof te doen. Er is bij Ridderus geen ruimte om onbekeerd en ongelovig te zijn'.
Verder wordt in het rapport stilgestaan bij de opvatting van Wilhelmus à Brakel in deze in zijn Redelijke Godsdienst. Letterlijk geciteerd: geleerdheid kan een predikant of ouderling niet baten 'zo hijzelf door de Heilige Geest niet is verlicht en bekeerd, zodat hij de zaken die hij in het Woord leest, zelf in zijn hart bevindt, dat hijzelf door ondervinding weet wat bekering, wat bidden, wat geloven in Christus, wat worsteling des geloofs, wat listige omleidingen en aanvechtingen des duivels, wat duisternis, wat verzegeling, wat verloochening, wat doding van de zonde, etc., wat dit alles is'.
En over het avondmaal zélf: 'Als iemand zich dan onttrekt aan het gebruik van het Heilig Avondmaal, zo onttrekt hij zich aan de belijdenis van Christus, van zijn leer en van zijn kerk'.
Ook als in de natijd van de Nadere Reformatie meer nadruk op de subjectieve gesteldheid van de mens valt, wat samen kan hangen met sterkere avondmaalsmijding, dan is uit de stukken zeker niet aan te tonen dat dat ook geleid heeft tot een verruiming van de voorwaarden voor de toelating tot het ambt.
Het wordt echter anders als men zó'n scherp onderscheid gaat maken tussen het levende volk Gods en de feitelijke gemeente (als uitwendige kerk) dat men het ambt louter als een bestuursfunctie gaat beschouwen. Maar dan heeft men de banen van Reformatie en Nadere Reformatie verlaten.
Beleid
Intussen pleit de commissie voor een pastorale en niet voor een louter juridische benadering, al hoeft het pastorale het juridische niet uit te sluiten. Verder wordt wel gewezen op het gevaar van verstarring en verkramping, daar waar zich de problematiek voordoet en er sprake is (geweest) van bezwaarschriften.
'Sommige kerkeraden geven de indruk dat zij zich erg bedreigd voelen. Zij verdedigen de ontkoppeling van ambt en Avondmaal als was dat een groot goed. Anderzijds kunnen er in die situatie gemeenteleden zijn, die op principiële gronden bezwaarschriften hebben ingediend en die ontdekken dat het allemaal niets uithaalt: de kerkeraad blijft op de oude voet doorgaan. Zij dreigen moe en bitter te worden.'
De kwestie mag echter geen wapen worden in de (gemeentelijke) strijd. Kerkeraden kunnen overigens door een bepaald beleid avondmaalsmijding ook meer stimuleren dan overwinnen. Zelfs kan men van de nood een deugd gaan maken.
Hoewel de commissie pleit voor begrip met betrekking tot hen, die met schroom vervuld zijn ('voor mensen die twijfelen en aangevochten worden, voor bekommerde zielen') en benadrukt dat die schroom ook in de Bijbel voorkomt en dat de Schrift zegt dat wie op onwaardige wijze eet en drinkt zichzelf een oordeel eet en drinkt, heeft de commissie géén begrip voor het feit dat mensen, die deze schroom hebben ten aanzien van het avondmaal 'intussen met grote zekerheid en zéér vastberaden het recht claimen ambtsdrager te mogen worden'. 'Wij hebben moeite met deze vreemde vrijmoedigheid'.
Ten besluite
Concluderend kunnen we niet anders zeggen dan dat de commissie een goed en evenwichtig stuk op tafel heeft gelegd. Eerder hebben we in ons blad uitvoerig aandacht gegeven aan deze zaak en gesteld dat aan het geheel duidelijk pastorale kanten zitten, zodat een formeel juridische oplossing geen oplossing is. Anderzijds kan en mag de kerk niet anders stellen dan dat ambt en avondmaal onlosmakelijk verbonden zijn. Niemand mag onwaardig eten en drinken. Om het met Ridderus - door ds. D. J. Budding geciteerd - te zeggen: geloof is absolute voorwaarde voor deelname aan het Heilig Avondmaal. Dwang tot het avondmaal mag niet. Appèl tot deelname en het ontnemen van alle verontschuldiging bij niet-deelname is eveneens bijbelse en dus pastorale noodzaak. Maar zoals geloof nodig is voor het aangaan aan de dis zo is het dit ook voor de vervulling van een ambt.
Terecht houdt de commissie in het onderhavige rapport wel enige ruimte voor benoeming tot ouderling van mensen, die hoewel zij (nog) niet deelnemen aan het Heilig Avondmaal, er ernstig mee bezig zijn. Als we ons niet vergissen zien we echter de laatste jaren wel een verschuiving optreden in de problematiek. Het feit dat ambtsdragers (nog) niet durven deelnemen aan het Heilig Avondmaal is in de loop der jaren allerwegen voorgekomen. En altijd weer zijn er ambtsdragers geweest, die tijdens hun ambtsbediening de eerste gang naar de tafel des Heeren maakten. Maar er is nu sprake van een zekere verharding, althans in bepaalde gevallen. Dan lijkt het een pré, een zaak van echte geestelijkheid te worden als men niet aangaat. Dat voorgangers hierin zelfs voorgaan, door zelf niet deel te nemen aan het avondmaal, moet als absoluut verwerpelijk worden gezien.
Als deze kwestie bovendien tot een kerkpolitiek middel wordt voor handhaving van de gemeentelijke status quo dan is er iets grondig mis. Het ambt wordt dan een kerkpolitieke functie en al naar gelang men een gemeentelijke situatie waardeert, waardeert men het ambt en de ambtsdragers. Het feit dat in allerlei gemeenten zomaar alternatieve diensten tegenover de plaatselijke kerkeraad worden belegd, markeert minachting van het ambt. Er is daarom ongetwijfeld sprake van een verschuiving in ambts- en sacramentswaardering, die ons als kerk grote zorg mag baren. Een zorg, die zich eveneens uitstrekt naar die kant van de kerk, waar het sacrament gedevalueerd wordt tot een onderonsje, in welke vorm dan ook.
Het zou echter te betreuren zijn wanneer tengevolg de van wanpraktijken, die zich thans voordoen in bepaalde situaties, ook diegenen de dupe zouden worden, die oprecht ook met het avondmaal bezig zijn en voor Gods Aangezicht zich af vragen hoe ze desalniettemin mee leiding mogen geven aan de gemeenten, juist ook in die situaties waar moeilijk ambtsdragers te vinden zijn. Want ook niet iedere avondmaalganger is bij voorbaat geschikt tot het ambt.
Rest nog op te merken dat onzes inziens het rapport op de juiste wijze adviseert als gesteld wordt dat bezwaren terzake niet zozeer bij de commissie voor 'bezwaren en geschillen' horen alwel bij 'opzicht en tucht'. Als kerkordelijk een verkiezing op de juiste wijze heeft plaats gevonden heeft de commissie voor bezwaren en geschillen geen taak. Wel die voor opzicht en tucht. De vraag rijst dan namelijk of iemand, die het sacrament veracht, ambtsdrager kan zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's