Synodale varia
Ds. A. W. Kranenburg
Op de hervormde synode werd afscheid genomen van ds. A. W. Kranenburg (Hoogeveen) als voorzitter van het college van visitatoren-generaal. Dit college heeft niet de gemakkelijkste taak in onze kerk. Van rechtsbevoegdheid is geen sprake, in die zin dat inzake problemen, waarmee men in de gemeenten wordt geconfronteerd, dwingende en bindende uitspraken kunnen worden, gedaan. Méér dan adviseren kan het college niet. In de vaak moeilijke verhoudingen ter plaatse tussen de onderscheiden modaliteiten worden de visitatoren geroepen te 'bemiddelen' zonder vaak veel merkbaar resultaat. We hebben er uitdrukkelijk behoefte aan hier onze grote waardering uit te spreken voor de wijze waarop ds. Kranenburg zijn werk in deze mocht verrichten. Zijn optreden in de meest moeilijke situaties was altijd gekenmerkt door een luisterhouding, evenwichtigheid, mildheid en geduld. We weten dat we namens velen spreken als we hem hier danken voor zijn bezig zijn op deze moeilijke post. De Heere zegene hem in zijn verdere arbeid in kerk en gemeente.
Mentoraat aan jonge predikanten
De Hervormde Kerk krijgt een aantal mentores (150) met een (part-time) coördinator ten behoeve van jonge predikanten. In een nota, die ter synode behandeld werd, wordt over het 'waarom' het volgende gezegd.
'Veel beginnende predikanten lopen stuk zowel in hun gemeentewerk als in hun gezinsleven, in hun persoonlijk leven en in hun geloof. Dat brengt veel verdriet en narigheid, evenzeer in hun persoonlijk leven als in dat van de gemeente.
Spanningen ontstaan doordat jonge predikanten vol energie en enthousiasme naar de gemeente gaan met een bepaald verwachtingspatroon van datgene wat hun te wachten staat. Dat verwachtingspatroon is veelal niet hetzelfde, als datgene wat in de gemeente gehanteerd wordt. De wortel van deze spanning is veelal de geïsoleerde positie van de predikant.
Vaak wordt deze spanning ervaren als een kritiek op een door hen gedane existentiële keuze en op de wijze van theologie bedrijven. Soms geeft een andere wijze van geloofsbeleving aanleiding tot spanning. (...) Dat betekent dat in het mentoraat gesprekken gevoerd zullen moeten worden over het omgaan met de agenda, het leren reageren op boodschappen, het stellen van prioriteiten. Het gaat om het leren samenwerken met kollega's in het gemeentewerk, het leren samenwerken met de kerkeraad, het leren omgaan met de gemeente en doen ervaren wat dit betekent. Kortom: het mentoraat heeft te maken met het leren omgaan met datgene wat de predikant al kan, al geleerd heeft, maar dat veelal in een efficiënt kader gezet moet worden en in praktijk gebracht.'
Het bedoelde mentoraat wordt verplicht voor alle pas bevestigde predikanten, om te voorkomen dat predikanten zélf dit mentoraat moeten aanvragen en zo in een uitzonderingspositie komen ('die het het meest nodig hebben vragen het niet').
Ter synode werd nog opgemerkt dat het wel voorkwam dat hoogleraren hun leerlingen bezochten wanneer ze in hun eerste gemeente stonden. Vooral de tournees van wijlen prof. dr. A. A. van Ruler werden genoemd.
Verder werd gewezen op het grote belang van de collegialiteit onder de predikanten. In de vroege Reformatie was het zo dat in een grote(re) gemeente de laatst bevestigde predikant de nieuwkomer bevestigde om zo alle hiërarchie te voorkomen.
En tenslotte is nog van belang te wijzen - zoals ter synode gedaan werd - op de belangrijke functie van de kerkeraad. Kan de beginnende predikant daar met zijn vragen terecht? Is de kerkeraad een kring rondom hem? Zijn er mensen in de kerkeraad die in liefde met raad en daad terzijde staan? In ieder geval is goede begeleiding broodnodig. In bepaalde gevallen en dat 'in toenemende mate' is er sprake van spanning tussen predikant en gemeente en ook van 'eenzaamheid in pastorieën'. Het is een goede zaak dat de kerk daarom dit mentoraat heeft ingevoerd. De pastor pastorum (pastor voor de dominees zélf), waarvoor enkele jaren geleden prof. dr. H. Jonker pleitte is daarmee toch enigszins gerealiseerd.
V. d. G.
'Kerk en school'
Zaterdagmorgen 15 juni besprak de generale synode het beleidsplan en verslag van werkzaamheden van de Raad voor de zaken van kerk en school 1981-1984.
Voor het begrijpen van de taak van dit orgaan moeten we naar artikel IX van de kerkorde waar we lezen in lid 2: 'Ook is de kerk medeverantwoordelijk voor de opvoeding van en het onderwijs aan de jeugd van het gehele volk in gezin en school, opdat ook daarin de gehoorzaamheid aan Gods geboden gestalte krijge'.
Dit artikel sluit aan bij artikel VIII over het apostolaat en de kerstening van het volksleven.
In de brochure 'Bezinning en appèl' wordt de vraag gesteld (pag. 22): 'Waar is het apostolisch getuigenis in de beleidsstukken van de Raad voor de Zaken van Kerk en School, waarin vaak van enig evangelisatorisch motief voor de arbeid onder de kinderen van het volk geen sprake meer is? In de benadering van kinderen uit gezinnen van hen, die een andere wereldgodsdienst zijn toegedaan (m. n. de Islam), wordt Jezus Christus niet meer als de Unieke, de Enige gezien'.
Dat is ernstige kritiek. Wat zei de synode? Ik geef daartoe enkele stemmen uit de synode door.
Oud. mevr. J. Salverda wees erop dat rand kerkelijke en niet-kerkelijke kinderen door de kerk niet meer bereikt worden. De praktijk van de kindernevendienst is hiervan de oorzaak. De kindernevendienst heeft veelal geleid tot het sluiten van de zondagsschool. Ook noemde zij de klacht van een leraar in het chr. middelbare onderwijs die klaagde over gebrek aan aandacht van de kerk. Is het verwijt van die leraar terecht, zo vroeg zij, verwijzend naar de opmerking in het verslag dat de Raad nauwelijks betrokken wordt bij het christelijk onderwijs (pag. 10)?
Dr. K. Blei stelde naast waarderende woorden ook indringende vragen over de visie van de Raad op het begrip kerstening. Wat bedoelt de Raad daar nu mee? Hij putte uit het verslag van een gehouden conferentie in 1982: 'Verstaat u kerstening alleen als humanisering in navolging', zo vroeg hij? Bestaat het unieke van Christus alleen hierin dat Hij hét model van de humaniteit is?
Ook ging hij in op wat op pag. 9 genoemd wordt 'de twee stromingen in de praktijk van het godsdienstonderwijs, die ieder hun legitieme plaats in de hervormde traditie hebben'. Deze twee stromingen omvatten dan de aanpak die gericht is op invoering van het kind in de eigen geloofstraditie en de aanpak die meer gericht is op kennis van de bijbel en christendom en de invloed die onze cultuur daarvan heeft ondergaan. Die laatste aanpak heeft meer het karakter van een algemene levensoriëntatie. Wie bepaalt of ze beide legitiem zijn, stelde dr. K. Blei en geeft u in de praktijk zelf niet de voorrang aan de tweede stroming?
Drs. R. H. Kieskamp vroeg o.a. naar de bedoeling van de opmerking in het verslag (pag. 11) dat als men in een school leerlingen van verschillende religieuze en niet-religieuze levensbeschouwing toelaat men op den duur de ouders van deze kinderen toch ook in de medezeggenschap en bestuur moet toelaten.
Is dit bedoeld als pleidooi of als waarschuwing?
De Raad stelde dat dit volgens haar noch als pleidooi noch als waarschuwing bedoeld is maar slechts als een logische conclusie! Diaken A. W. de Ronde vroeg naar de uitdrukking dialogische levensstijl (pag. 10). Moet het niet zijn een Schriftgebonden levensstijl? Ook (evenals diverse andere sprekers) stelde hij de brief gericht aan het CDA aan de orde (bijlage 4). Men had daarin kritiek geleverd op het standpunt van het CDA dat de christelijke school in haar benoemings- en ontslagprocedure niet aan de zgn. anti-discriminatie wet gebonden is. Dit is o.a. belangrijk voor de positie van de homofiele docent in het chr. onderwijs.
Ds. A. Tromp stelde zelfs de vraag of de Raad wel bevoegd is zich zo uit te spreken over homofilie aan het adres van het CDA. Kan dat kerkordelijk wel?
Ook vroeg hij naar de kontakten met een oudervereniging als VOCO en de reformatorische scholen. Uit het antwoord van de Raad bleek dat er grenzen waren aan de te leggen kontakten.
Niet onvermeld mag blijven de kritiek op het taalgebruik in de nota.
Diaken W. Stappenbelt wilde niet zo ver gaan als Festus (Hand. 26 : 24) die Paulus razernij wegens geleerdheid verweet maar vroeg zich af wat hij moest met 'cognitieve ontwikkeling', 'dropouts' en 'longitudinaal leerplan'. 'Dergelijke woorden zijn voor mij niet comprehensibel, ziet u'.
Een goede zaak uit de nota is de aandacht die geschonken wordt aan de bedreigde positie van het godsdienstonderwijs aan de openbare scholen. De subsidies worden verminderd of geheel ingetrokken en de invoering van het kennisgebied Geestelijke stromingen doet sommige gemeentebesturen besluiten tot afschaffing van het godsdienstonderwijs. De raad wil kerkeraden graag bijstaan in deze moeilijke situaties. Een verslag met meerdere kanten.
Bij stemming bleken 9 synodeleden tegen goedkeuring van beleid en verslag te zijn, de grote meerderheid stemde er mee in.
Rondvraag
Uit de rondvraag meld ik alleen de suggestie van dr. S. Meyers om de combisynode van 1 en 2 november a.s. te verschuiven. Immers de classes en kerkeraden zijn druk bezig met de beantwoording van de vraag of zij kunnen instemmen met de voortgang van het proces van hereniging. Psychologisch valt het dan niet goed als een combisynode moet praten over de toekomstige vormgeving van die herenigde kerk. Hoewel het bezwaar erkend werd door het moderamen, kan men de data niet meer verschuiven.
N. A. de Waal
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's