Uit de pers
Rectificatie
In de rubriek 'Uit de Pers' in het nummer van 6 juni is op blz. 361 (3e kolom) een gedeelte uitgevallen. Het betreft de passage over dr. Koopman. Hier volgt nogmaals het gedeelte dat weggevallen is: 'Zijn publicaties, met name zijn bundels preekschetsen, laten zien, hoe hij vanuit het hart van de reformatie evangelieprediking en aktualiteit wist te verbinden. In de oorlogsjaren heeft Koopmans in verschillende geschriften het koningschap van de God van Israël beleden tegenover de ideologie van het nationaal-socialisme. Zijn geschrift "Bijna te laat" (gericht tegen de Ariër paragraaf) is door Presser een van de voornaamste documenten in de strijd tegen de bezetters genoemd. Dr. G. W. Marchal schreef over Koopmans een (dik) boek, dat door zijn vele citaten uit Koopmans werk een goede inleiding vormt voor wie de geschriften van Koopmans niet kent'.
Tot zover de passage over Koopmans. Daarop liet ik volgen een gedeelte uit een artikel van ds. L. H. Kwast uit de Friese kerkbode waarin Kwast ingaat op de vraag, hoe het zover heeft kunnen komen. Op die vraag zijn, zegt hij, vele antwoorden gegeven. O.a., 'dat de Duitsers altijd al geneigd zijn de wereld aan hun voeten te willen zien'. Dan gaat de tekst van het artikel van Kwast op blz. 361 en 362 gewoon voort tot aan het einde van alinea 1 van de middelste kolom, waarop in het laatste stukje een beknopt commentaar van ondergetekende volgt.
***
Kerk en school in een multi-religieuze samenleving
Dit keer vraag ik graag uw aandacht voor een gedeelte uit de lezing van prof. dr. J. W. v. Hulst, die hij hield op de conferentie van de Conf. vereniging en die hij publiceerde in het nummer van 23 mei. Van Hulst schetst in het eerste gedeelte van zijn artikel de probleemstelling. De kerken hebben de opdracht tot evangelieverkondiging en barmhartigheidsbetoon aan ieder die op haar weg geplaatst wordt. Daarnaast is er de ontwikkeling van de burgerlijke samenleving waarin allerlei rechtsnormen en samenlevingspatronen zich gaan af tekenen.
'De Nederlandse rechter mr. W. J. Borgerhoft Mulder zag zich door een kort geding voor een heel moeilijke taak gesteld, want de iman van genoemde moskee was ontslagen en hij eiste van de rechter vernietiging van dit besluit. De rechter kon niet anders doen, dan zich baseren op de verhouding kerk en staat, zoals deze in het gecodificeerde recht en in het gewoonterecht is vastgelegd én op ons arbeidsrecht, inclusief het ontslagrecht. Ieder voelt nu de kortsluiting. De moskee is geen kerk in de vaderlandse zin van het woord. En ons arbeidsrecht heeft geen enkele relatie met islamitische gezagsverhoudingen in een moskee. We hebben hier niet slechts te maken met de koran maar ook met de sharia, het godsdienstige recht. "Voor de moslims gaat het hier om een wet die van goddelijke oorsprong is. Zij bevat niet alleen regels voor de verhouding tussen God en mens, zij bevat ook voorschriften voor allerlei facetten van de samenleving." Eigenlijk kan men precies hetzelfde zeggen van het hindoeïsme. Ook daar omvat het recht mens en kosmos "met inbegrip van alles wat de menselijke waarneming en het menselijk bevattingsvermogen transcendeert". Wat het islamrecht betreft herinnert u zich nu de Turkse vader die de onderwijzer van zijn dochter wilde doden. In het islamitische kader stond hij "in zijn recht".
Dr. J. van Raalte, de secretaris van de Pluriforme Samenleving van de Raad van Kerken in Nederland zegt, dat ons nu drie wegen open staan waaruit wij moeten kiezen: a. de aanpassing van onze rechtsorde aan de nieuwe situatie; b. de aanpassing van anders-gelovigen aan ons bestaande recht; c. een gedeeltelijke aanpassing van beide zijden.
Het lijkt mij toe, dat noch de politiek, noch de kerken om dit probleem heen kunnen lopen.
Wie nu meent, dat met een keuze uit deze drie mogelijkheden de problemen althans in principe zijn opgelost, vergist zich. Want dan gaan we voorbij aan het feit, dat én de islam- en de hindoegemeenschappen niet alleen op zichzelf ook alweer pluriform van aard zijn - in dit opzicht kunnen zij stellig wedijveren met het christendom ! - maar zij zijn door de intensieve contacten met de Nederlandse samenleving continu in een proces van evolutie gewikkeld, waarvan het eind nog volstrekt onvoorspelbaar is. In die zin zal een tendens van secularisatie, zowel bij de islam als bij de hindoes nauwelijks te keren zijn. Het is ook niet te peilen in welke richting een komende generatie van de islam zich in ons land zal ontwikkelen. Maar er is stellig een mogelijkheid, dat fundamentalistisch ingestelde jongeren zich overgeven aan religieus fanatisme. Dan nemen zij het islamrecht in eigen hand en dan zullen zij in eigen kring hun strafrecht pogen uit te oefenen. Dan behoort zelfs de handafhakmachine tot de mogelijkheden. Dan hebben we de staat in de staat.'
Juist het onderwijs is bij deze multi-religieuze samenleving ten nauwste betrokken. De onderwijsgevenden, aldus Van Hulst, waren toen buitenlandse werknemers in grote getale ons land binnenkwamen, niet op de huidige situatie voorbereid. Kennis van de wereldgodsdiensten is vaak minimaal. Nu begint dat te veranderen. Op allerlei wijze wordt gepoogd de achterstand in te halen. Ook is er diepgaand beraad over de vraag naar de identiteit van het christelijk onderwijs in de relatie tot leerlingen die een andere godsdienstige overtuiging zijn toegedaan dan de chr. school waar ze les krijgen. Drie schooltypen worden door Van Hulst geschetst. De problemen die zich daarbij voordoen, zijn niet gering.
'Wij moeten nu pogen te ontdekken welke oplossingen door de opstellers van de Nota Toelatingsbeleid gesuggereerd worden, om vervolgens eigen noties naar voren te brengen.
Als ouders die islam of hindoeïsme belijden in ons land voor hun kinderen de chr. school kiezen, dan mag men verwachten, dat zij het onderwijsaanbod in z'n totaliteit aanvaarden, inclusief het godsdienstonderwijs en de godsdienstige vormgeving. Een dergelijke zin is gemakkelijk neer te schrijven. Maar laten wij deze zin ook eens lezen door b.v. Turkse ogen. De islambelijder zal zeggen: ik vind in mijn omgeving geen bijzondere school op islamgrondslag, maar ik kies wel een school, waar het monotheïsme beleden wordt; en dat is de chr. school. Maar ik wens niet dat mijn kinderen elke dag horen, dat Jezus Christus de Zoon van God is...
In het eerste door mij geschetste schooltype zullen de islam-leerlingen de uitnodiging ontvangen, om distantie te nemen van het geloof, dat in hun gezin heilig is. Het conflict met de ouders staat dan levensgroot voor de deur.
In het tweede schooltype zal veel meer de nadruk vallen op de informatie over bijbel, kerk en christendom, maar de uitnodiging om tot het geloof in Christus te komen, zal toch niet ontbreken. Er zal zich wel een spanningsveld voordoen tussen getuigenis en dialoog. Maar als het getuigenis te luid klinkt, zodat de dialoog in de verdrukking raakt, dan zal men dit als ongeoorloofd, of zeker als minder geoorloofd beoordelen.
Het derde schooltype zoekt veel meer naar de samenklank van de verschillende godsdiensten. Hier domineert het respect voor elkaars overtuiging; spraak en tegenspraak zal men gelijkelijk waarderen.
Nu zal het in de meeste gevallen de schoolleiding zijn, die althans in hoofdzaak voor een van de drie geschetse typen zal kiezen; natuurlijk zijn er ook vele tussenvormen mogelijk, want geen twee scholen zijn hetzelfde.
Maar naar mijn opvatting mag de schoolleiding hierin niet het eerste en het laatste woord hebben. De Nederlandse ouders vertrouwen hun kinderen aan de school toe. Zij hebben er recht op , niet slechts te weten, wat er in die school, die dus een multi-religieuze samenleving is geworden, gebeurt, maar zij mogen en moeten hierin ook meebeslissen. De toch al zozeer gedevalueerde waarheid, de school aan de ouders, heeft hier een unieke kans, om weer tot gelding te komen.'
Van Hulst wijst er terecht op dat niet alleen scholen met deze problematiek te maken hebben, maar dat het christelijk organisatiepatroon in zijn algemeenheid voor grote vragen komt te staan. Van de kerk mag verwacht worden dat zij meedenken met en handreiking bieden aan de christelijke scholen. Dat vraagt studie en bezinning. Welke weg wil Van Hulst nu zelf gaan?
'Bij de weg die ikzelf voorsta, wil ik terugkeren tot het uitgangspunt van deze uiteenzetting; het zendingsbevel (Matth. 28) gekoppeld aan Christus' woorden, die er onmiddellijk aan voorafgaan en de opdracht die Petrus krijgt, alvorens hij een Romeins militair in z'n geloof gaat sterken. Bij Petrus zien wij heel duidelijk, dat aan de evangelieprediking twee zaken voorafgaan: hij moet de heidense slaven onderdak verlenen en hij moet de gast zijn van de hoofdman. Persoonlijk contact is blijkbaar van het grootste belang. Maar daarna vloeit de stroom van de evangelieprediking ook met volle kracht verder. De rivier Gods is vol water.
En in het Mattheüsevangelie lezen wij de ontmeetbare nood van de wereld; armoede, ziekte, naaktheid, vervolging, gevangenschap. Het zendingsbevel is gegeven in deze wereld. Laten wij er ook eens op letten, hoe menigmaal Paulus op zijn zendingsreizen bij de mensen thuis komt. Daar is op de meest intense wijze het zaad uitgestrooid. Daarin volgt Paulus zijn grote leermeester Christus na, die talrijke malen de gezinnen bezocht. Niet slechts de prediking op de velden en op de bergen. Vooral ook de stille woorden van mens tot mens. Denk maar aan Nicodemus; aan de Samaritaanse vrouw. U vergunne mij nog één bijbels getuigenis.
Wij kennen de geschiedenis van de verheerlijking op de berg; daar wil Petrus de tijd stil laten staan. Altijd samen met Christus, met Mozes, met Elia. Maar als zij van de berg neerdalen, staan zij midden in de nood der wereld: een vader weet geen raad met zijn maanzieke zoon. Er is concrete hulp nodig. Er is een gesprek van de Zoon des mensen met een mens in nood. Vanuit deze voorbeelden ga ik richtlijnen zien voor de chr. school. Ten eerste zal de school haar deuren voor de buitenlandse kinderen wijd open moeten zetten. Maar een veel te veel verwaarloosde opdracht rust hier bij de ouders. Nodig die kinderen bij u thuis. Behandel ze niet of ze schurft hebben, maar laat hen zien, dat het u een vreugde is, dat zij uw drempel overschrijden.
Hoe gaarne citeren wij het woord, dat het huis Gods een bedehuis moet zijn voor alle volkeren. Maar ons eigen thuis houden we voor andere rassen en religies 't liefst hermetisch gesloten. Maar juist die buitenlandse kinderen mogen en moeten zien, hoe het bij ons toegaat, wat de positie van de vrouw, van de moeder is, hoe ouders met hun kinderen omgaan. Uit deze contacten vloeit het volgende als vanzelf voort. Er is in veel gevallen in de buitenlandse gezinnen een enorme nood; meestal ligt deze nood niet in de eerste plaats in het financiële vlak. Maar men weet letterlijk en figuurlijk de weg niet. Letterlijk. Menigmaal komt in Amsterdam op straat een buitenlander (neen, geen toerist!) naar mij toe. Op een verfrommeld papiertje staat een adres. Hoe moet hij er komen?
Figuurlijk. Welke instanties zijn er om te helpen: ziekenfonds, dokter, apotheker etc. En soms is er ook inderdaad materiële nood. Een enkele maal kunnen wij met weinig, heel wat helpen. Ook hier stellen wij de vraag naar de handreiking door de kerken. In de door mij geschetste ontmoetingsmogelijkheden ontkomen wij niet aan de vraag of de christelijke gastgezinnen zelf nog essentiële bijbelkennis hebben én of zij althans enige noties hebben van boeddhisme, hindoeïsme en islam. Terecht heeft de bekende zendingsman dr. H. Kraemer gezegd: "Lang heeft het geleken, alsof kennen der godsdiensten een aangelegenheid van de studeerkamer en van boekenwurmen was. Een paradijs voor het specialistendom. Die tijd is onherroepelijk voorbij. De grote niet-christelijke godsdiensten en culturen zijn als levende werkelijkheden in onze westerse cultuurkring getreden en zullen dat steeds meer doen". Het is juist ons onderwijs, en het zijn onze gezinnen, die deze waarheid het hevigst ondervinden. Daarom is ta.v. ons chr. onderwijs het opereren met het begrip dialoog niet ongevaarlijk. Denk eens aan ons basisonderwijs. Welke kinderen van die leeftijd zullen in staat zijn een religieuze dialoog te voeren, terwijl t.a.v. hen een "theologische dialoog" ronduit ridicuul is. Gaat het over het voortgezet onderwijs, of over de ouders der leerlingen, "dan zullen wij ons eveneens moeten hoeden voor de illusie, als zou een door het christelijk geloof bepaalde visie op de religie(s) op zichzelf een waarborg zijn voor wetenschappelijke juistheid, of een excuus voor wetenschappelijke onbekwaamheid". U zult wellicht zeggen, dat ik het de onderwijsgevenden aan chr. scholen en onze gezinnen niet gemakkelijk maak. Dat is ook absoluut mijn bedoeling niet. Wie in deze tijd het beroep van opvoeder kiest, heeft wel een der zwaarste taken op zich genomen. Hij wordt geconfronteerd met een enorm stuk nood. En midden in deze nood zullen ouders en onderwijsgevenden hun moeilijke, maar onafzienbaar rijke opdracht niet moeten, maar mogen volbrengen.'
Terecht wijst hij er op dat de opvoedingstaak in een klas waar Vietnamese, Sri Lankese, Turkse en Marokkaanse kinderen samen met anderen bijbels onderricht ontvangen, onafzienbaar moeilijk is. Maar we dienen z.i. de smalle weg te gaan van onze opdracht om gastvrij en bescheiden dienend te getuigen, verlost van opvoedingskramp en kersteningskramp.
Terecht wijst Van Hulst op Handelingen 10. Reeds de engelse zendingsman Leslie Newbegin heeft er al op gewezen dat in dit verhaal ook Petrus een bekering ondergaat. Niettemin laat het verhaal ook zien dat Cornelius tot Christus gebracht wordt. Gastvrijheid en contact sluiten de oproep tot geloof en bekering niet uit (vgl. Hand. 10 : 42-43 en 11 : 18). Ook in de problematiek van onderwijs in een multi-godsdienstige samenleving gaat het om de mededeling van het totale evangelie aan de totale mens in getuigenis, gemeenschap en dienst. Binnen deze drieslag zal gezocht moeten worden naar concrete antwoorden op de vragen. Deze drieslag lijkt mij vruchtbaarder dan de ontmoetingsgedachte die in de praktijk wel moet leiden tot identiteitsverlies.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's