Boekbespreking
B. Maarsingh, Numeri, Een praktische verklaring, 188 biz., ƒ27, 80, uitg. J. H. Kok, Kampen, 1984.
Het opschrift van het vierde boek van Mozes Numeri (getallen) stamt van de (lat.) Vulgata, die zich in deze keuze aansloot bij de Griekse vertaling (arithmoi). De kanttekenaren van de Statenvertaling tekenen bij deze naam aan: Omdat er zoveel tellingen in dit boek voorkomen. Maar zij haasten zich daarbij om eraan toe te voegen: boven deze tellingen zijn vele andere dingen in dit boek vervat en zij geven een samenvatting van de inhoud, die eindigt met: het boek bevat (begrijpt) de geschiedenis van 38 jaar en 9 maanden. De lezer wordt een beeld gegeven van de tijd, dat het uit Egypte verloste volk door de woestijn heentrok. Het was geen kleinigheid: men trok door de woestijn! De Hebr. Bijbel heeft als opschrift van Numeri: bammidbar, d.i. in de woestijn, een goed gekozen typering uit het eerste vers. Aan het eind van het boek staat Israël klaar om het beloofde land, het 'thuisland' binnen te trekken. Numeri laat zien welk een voorbereiding nodig was voor het gewone leven en veel meer nog, wat er geestelijk nodig was om te volharden. Het is beschamend voortdurend van de ontrouw en de murmureringen van het volk te horen: Is dat de dank voor de bevrijding uit Egypte? En anderzijds Numeri is een boek dat getuigt van Hem, die het werk van Zijn handen niet laat varen.
In een zevental bladzijden geeft de schrijver enige motivering van de vertaling. Hij kiest soms andere namen bijv. het heiligdom is ontmoetingstent (Stv. tent der getuigenis, tent der samenkomst); het woord offer wordt iets aangevuld tot naderingsoffer: het offer is nodig om tot God te naderen; het woord brandoffer wordt weergegeven met hoogheidsoffer (in verband met het Hebr. werkwoord). Op Schriftkritiek wordt weinig ingegaan. Wel zegt de schrijver, dat in het ene document gegevens van verschillende tijden zijn. Maar, voegt hij erbij: deze gegevens zijn alle door de hand van Mozes tot ons gekomen: door zijn bemiddeling, op zijn gezag, naar de regels die door God gesteld zijn.
Bij de tellingen is één van de moeilijkheden het grote getal van weerbare mannen, dat aan de tocht deelneemt, 603.550. Hierover is tot vandaag groot verschil van mening. Het woord elef (duizend) kan ook wel met groep worden weergegeven. Maar hier is dit wel zeer discutabel. De schrijver zegt: de betekenis is vooralsnog duister. Voor het leven van de Israëliet worden vele wetten en regelingen vastgesteld voor de eredienst, maar ook voor het gewone leven, bijv.: oneerlijk goed moet worden teruggegeven en bovendien moet twintig procent extra als smartegeld aan de benadeelde vergoed. Gods tegenwoordigheid verdraagt geen onreinheid. Dat schrijft de auteur boven een gedeelte waarin deze regeling wordt gegeven. De wet van de ijverzucht (naijver, h. 5 : 11) neemt een onschuldige vrouw in bescherming, een overspelige vrouw zal de verdiende straf niet ontgaan. In dit gedeelte is de priesterzegen opgenomen. Het is in het hebreeuws kunstmatig opgebouwd, het zijn drie beden van resp. 3, 5 en 7 woorden. Hier is geen sprake van een magisch woord, maar de Heere zegent, Hij doet het. Hij alleen. Een zegen van een onuitputtelijke rijkdom!
Uitvoerig wordt (h. 7v) geschreven over de voorbereiding voor het vertrek, samengevat o. a. in twaalf dagen, twaalf stammen, twaalf gaven (o.a. kandelaar, trompetten). De klemtoon valt op de leiding en het toezicht Gods, niets gaat buiten die leiding om. En Israël kan op de Heere aan. In de verklaring wordt op Gods grote zorg voor Israël gewezen. Israël zong Gods lof wel, maar al spoedig vergaten zij Gods werken, Ps. 105, 106 : 13. Ps. 78 getuigt van Gods grote liefde en daartegenover wordt verhaald van Israels onophoudelijke ondankbaarheid. Ps. 78 spreekt ervan, dat Israël den Heere verbitterde en verzocht. Er zijn vele beschamende taferelen, die hiervan getuigen en terecht voegt de uitlegger erbij: 'Men zij gewaarschuwd'. Ook Israël in de woestijn zondigde niet goedkoop. Bij Tabera klaagt het volk zonder ophouden. En als het vuur Gods nederdaalt is het Mozes, die als voorbidder voor het murmurerend volk intreedt. Men wil terug naar Egypte en haar rijkdommen, men schreeuwt om vlees. En dat alles betekent een diepe minachting van de verlossing uit het land van de slavernij. Het is te begrijpen dat Mozes soms diep moedeloos wordt. Felle verwijten komen over zijn lippen. Is dat Mozes? Hij staat niet alleen in de Schrift: denk eens aan Elia (1 Kon. 19), aan Jeremia (h. 15 : 10 e.e.e.). En toch hij bleef Gods knecht, getrouw in Gods ganse huis. Num. 12 : 7, instrument in Gods hand. Hij was toch de zachtmoedige. Als Mirjam en Aaron tegen Mozes murmureren, dan is Mozes straks de pleitbezorger van de melaatse Mirjam. Hij is de voorbidder voor het opstandige volk, dat de leiders wil stenigen, h. 14 : 10. Vele malen is hij het die voor het volk de handen omhoog heft, denk aan de geschiedenis van de koperen slang. En het is vele malen Mozes die de schuld krijgt van allerlei tegenspoed. Dat blijkt ook in de geschiedenis van de opstand tegen Mozes en Aaron, h. 16v. De verklaring gaat hier uit van de gedachte dat er minstens drie groepen zijn, die tegen Mozes en Aaron in opstand komen: en groep van Korach (hij wordt niet genoemd in Ps. 106 : 17), de tweede groep is die van Dathan en Abiram en van On, de derde (250 man) wordt gevormd door leiders van Israël, 'mannen van naam'. Korach en zijn groep (250 man) zouden door het vuur zijn omgekomen en Dathan, Abiram en On zouden levend verslonden zijn.
Benauwend is de geschiedenis van de zonde van Mozes en Aäron. Het volk twistte met Mozes en Aaron. Hier falen beide mannen. Alleen het woord, gesproken in opdracht des Heeren moet het doen: het water zal uit de dode rots voortkomen als een wonder Gods. Mozes en Aäron hebben God niet geheiligd voor de ogen van het volk. Zij hebben naar zichzelf verwezen. En de schrijver tekent hier aan: Waar mensen zo'n hoge roeping verzaken, is het hun niet toegestaan om hun taak af te maken. Aäron en Mozes zullen beiden sterven in de woestijn', Ps. 106 : 32v, 81 : 8.
Een aparte episode is het optreden van Bileam. Israël is Gods volk en Bileam mag het niet vervloeken. Balak mag denken, dat hij met geld alles gedaan krijgt, hij vergist zich: wars door menselijke plannen heen volvoert God vrijmachtig Zijn plan. Bileam heeft vele spreuken, die van grote kracht zijn tot de dag van vandaag aan de kerk nagelaten, profeet was hij tegen wil en dank, een valse profeet, die als zodanig in het Nieuwe Testament wordt veroordeeld. Een spreuk: God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensenkind, dat het Hem berouwen zou. Zou Hij het zeggen en niet doen? En zo zijn er vele. Bileam zelf sterft in de strijd tegen het volk Gods aan de kant van de Midianieten, h. 31 : 8. Hij was het, die in de eerste groep spreuken uitriep: Mijn ziel sterve de dood des oprechten...
Tussen de verhalen door (o.a. over de ontrouw van Israël en het optreden van Pinehas) zijn opgenomen tellingen, regelingen over taken en inkomsten van Levieten en priesters, in den brede over de feesten, en vooral ook over de offers. Het boek Numeri geeft belangrijke geschiedenissen ter lering van het volk, dat vandaag op weg is naar het beloofde land. Het bevat vele oude wetten, waarvan een prediking uitgaat voor het ethische leven van deze tijd. Vele malen wordt in Numeri onderstreept, dat de schuld verzoend moet worden (h. 5 : 8, 8 : 12 e.a.); het woord offer loopt door de gehele Schrift heen. In de geschiedenis van Pinehas geeft de Heere een verbond van vrede, een altijd durend priesterschap, omdat Pinehas voor God geijverd heeft en verzoening heeft gedaan voor Israël (h. 25 : 13). Daarbij tekent de schrijver aan: 'Is het een wonder, dat er eigenlijk maar één is, die priester kan zijn, Jezus Christus?' (Hiermee wordt de uitleg besloten van het gedeelte over de vruchtbaarheidscultus.)
De uitleg onderstreept veel, waar we zonder dat gemakkelijk overheen lezen; het geeft veel toelichting en trekt menigmaal de lijn door naar de vervulling in het Nieuwe Testament.
Bout
G. J. D. Aalders, Synagoge, Kerk en Staat in de eerste vijf eeuwen, 104 pag., uitg. Kok, Kampen.
In dit boek is een evenwichtig theoloog bezig door te dringen tot de reële achtergronden van de controversen tussen Christenen en Joden. Het is toe te juichen dat in die opzet de behandeling van de Messiasverwachting de 'body' vormt. In dat verband trof mij de uitspraak van Rabbi Akiba: 'Wanneer je een jonge plant in de hand houdt en iemand zegt tegen je, de Messias is gekomen, poot dan eerst je plant en verwelkom dan de Messias' (pag. 12). Zou dit de bron zijn van Luther's onvindbare uitspraak? De titel van het boek doet wat meer verwachten dan de inhoud biedt. De schrijver plaatst nl. citaten van vroeg-christelijke schrijvers in het raam van hun tijd. Consequent vermijdt hij het woord antisemitisme te gebruiken. Dat wijst er immers op, dat de Semieten een minderwaardig ras vormen. Aalders geeft de voorkeur aan het woord 'Jodenhaat'. Pure lasterpraat over de Joden ontstond al enkele eeuwen vóór de verschijning van het Christendom in Alexandriê. Dit gif van de lasterpraat sijpelde naar Rome door. Maar in het Westen stelden de apostolische vaders zich heel duidelijk minder hard op tegenover de Joodse religie. Centraal in de kritiek komt te staan dat de Joden Jezus als de Messias gekruisigd en verworpen hebben (Justinus en Augustinus). Met de vrije ontplooiing van het Christendom in de vierde eeuw lijken de sporadische contacten tussen Christenen en Joden door de kerkelijke leiders volkomen geblokkeerd te worden. Er ging een grote aantrekkingskracht van de Joodse cultus en levensstijl op de Christenen uit. De negatieve reacties van de kerkleiders riepen op hun beurt weer felle aanvallen op de Christelijke religie bij de Rabbijnen op. Toen het Christendom staatsgodsdienst werd (ongeveer 400) nam de Kerk de plaats in van de heidense religie. Het kan de staat alleen maar goed gaan als de Kerk bloeit en er een eenheid is. Daarom zijn heidenen. Joden en ketters tot tweede-rangsburgers gedegradeerd. Zij doende ene algemene Christelijke Kerk afbreuk. Ik betwijfel of men zo negatief over de theokratie mag schrijven. De conclusie van het werk is, dat het ook nu nog in de dialoog handelt om dé Christus Gods, Die Zelf gezegd heeft: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij' (Joh. 14 : 6). Dat de klemtoon op dit punt gelegd wordt, doet weldadig aan. Tegen de opvattingen van dr. H. Jansen, die de wortels van het antisemitisme al in de Oud-Christelijke Kerk en in het Nieuwe Testament bespeurt, wordt gesteld dat de patristische auteurs gedreven werden door liefde tot de Messias der Schriften. Aalders heeft de moed gehad dit oude punt weer aan te boren. Zijn visie boeide me. Dit leesgenot wensen we velen evenzeer toe.
dr. J. Broekhuis
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's