Indringend synodaal beraad
AMBT EN AVONDMAAL
Vorige week gaven we de inhoud weer van een synoderapport getiteld 'ambten avondmaalsmijding'. Het stuk was tot stand gekomen vanwege de problemen, die in bepaalde gemeenten gerezen waren (in totaal vijf) rondom de verkiezing of bevestiging van ambtsdragers, die niet deelnemen aan het Heilig Avondmaal. De conclusie van het rapport was dat er een onlosmakelijk verband bestaat tussen ambt en avondmaal. We sloten ons vorige week aan bij de inhoud en conclusies van het rapport. De kerk kan en mag niet anders zeggen dan dat ambtsdragers alleen dan op de rechte wijze de gemeente zullen kunnen leiden wanneer zij zelf deelnemen aan het avondmaal. Anderzijds ligt hier een problematiek, die allereerst een pastorale benadering vraagt en niet een formeel-juridische, al kan het nodig zijn om ook die weg te gaan. Wel is het verder zo dat de problematiek in bepaalde gemeenten een partij-politieke kwestie is geworden. In die sfeer mag deze hoogst gewichtige zaak niet komen.
De synode hield zich vorige week in een lang en hoogstaand gesprek met deze zaak bezig, waarbij de geestelijke kant van de kwestie alle nadruk kreeg en niet de kerkpolitieke.
Wèl, zei dr. S. Gerssen, voorzitter van de commissie, dat er rondom het avondmaal in de Hervormde Kerk méér problemen zijn (open avondmaal, kindercommunie, 'Onze Hulp'). Verder benadrukte hij dat er een gevoel van beschaming was dat deze problematiek aan de orde moet komen. Christus woont immers temidden van de zondaren! Daarin is breedte en wijdheid niet benauwdheid en angst. Christus heeft Zijn Kruis gemaakt tot altaar en het altaar wordt een tafel. Daarom is het avondmaal het hoogste wat onder de sterren te beleven valt. Avondmaalsmiyrfmg behoort daar niet toe.
Vervolgens kregen de synodeleden het woord.
Ds. J. A. Monteban, Zelhem had moeite met de woordkeus van het rapport en miste verder de ontwikkeling, die er ten aanzien van de opvattingen over ambt en avondmaal in de kerk waren geweest.
Mevr. ds. E. de Boer-Hessel, Middelburg, stelde dat avondmaalsviering het hart van de belijdenis van de kerk uitmaakt. Zij vroeg aandacht voor de drie grote feesten in Israël, Pesach, Pinksteren en Loofhuttenfeest, waaraan ieder in Israël deelnam. Bij het Loofhuttenfeest werd de loelaf gezwaaid, een bosje van vier takjes, waaronder één tak, die reuk noch smaak had, symbool van diegenen, die het feest niet écht meebeleven. Zo moet het avondmaal ook de breedte van het heil uitbeelden, waarbij ieder betrokken is.
Prof. dr. M. J. G. van der Velden zei dat het bij de avondmaalsmijding om twee aspecten gaat. Er is een schroom vanwege het heilige maar er is ook sprake van spiritualisme ('waar is het allemaal voor nodig?'). In het laatste raken uiterst links (vrijzinnigen) en uiterst rechts elkaar. Verder waarschuwde hij ervoor dat de avondmaalsmijding als wapen in een plaatselijke strijd wordt gehanteerd.
Prof. dr. A. v. d. Beek, Leiden stelde dat het rapport van de commissie uitging van een bepaalde visie op het ambt, terwijl we over het ambt geen duidelijkheid hebben. Verder vond hij dat het rapport teveel uitging van het bevel tot avondmaal vieren, zodat het accent teveel lag op Christus als de Bevelende. Het moest echter gaan om het 'doe dat tot Mijn gedachtenis'.
Verder stelde hij dat er een 'traditiestroom' in de kerk is, die de avondmaalsmijding schraagt. Als ambtsdragers daarover nu worden aangesproken dan moeten er óók maatregelen komen voor hen die belijdenis deden en niet aan het avondmaal gaan. 'Moet hun belijdenis dan ongeldig worden verklaard?'
Hij kritiseerde verder dat de commissie de individuele heilsopvatting bevestigt. Het gaat om de viering door de gemeente als gemeenschap.
Wat het beleid betreft waarschuwde hij voor 'ketterjacht'. Hij vergeleek degenen, die het avondmaal uit vrees mijden, met de vrijzinnigen, die dat ook doen omdat God 'niet te bevatten' is. Zoals er ruimte moet zijn voor de vrijzinnigen, zo moet er ook ruimte zijn voor hen die ter rechterzijde het avondmaal mijden.
Dr. K. Blei, Haarlem stemde in met de strekking van het rapport. Hij stelde dat gemeenteleden het volste recht hebben om bezwaren in te dienen wanneer ambtsdragers niet ten avondmaal gaan. Dat betekent helemaal niet dat dan wapenen in de kerkelijke strijd gehanteerd worden. Het gaat dan om een handelwijze, die niet kan in de kerk. Anderzijds stelde hij dat avondmaalsmijding niet hetzelfde is als onverschilligheid. Terecht wordt beseft dat de viering van het avondmaal een heilig, centraal moment is in het leven van de gemeente. Mijding is óók een bewuste daad. Verder meende hij dat, omdat het ambt een functie is voor een bepaalde periode en niet een heilige status, uitsluiten van het avondmaal niet gelijk staat met uitsluiten uit het ambt. Hij vroeg zich tenslotte dan ook af waarom in de kerkordelijke bepahngen niet staat dat alleen diegenen tot het ambt verkozen kunnen mogen worden, die deelnemen aan het avondmaal.
Diaken W. Stappenbelt, Ommen stelde de vraag of er ook predikanten zijn die niet deelnemen aan het avondmaal, waarop dr. Gerssen later reageerde door te zeggen, dat hij het niet concreet kon zeggen maar dat hij kortgeleden vernam van een predikant, die bij de intrede in een gemeente zei 'er zelf geen kennis aan te hebben'.
Dr. G. Bos, Urk stelde dat het hier niet gaat om een deelprobleem. Het gaat om de spanning tussen heil en bevinding. Enerzijds past hier geen dwang. Anderzijds kan en mag niet de houding, die ds. J. G. van Loon (Sint Maartensdijk) en ds. Tj. de Jong (Poortvliet), aannemen in een Open Brief, die zij aan alle synodeleden stuurden, waarin zij de inhoud en de conclusies van het rapport kritiseerden. Zij nemen de zaak niet serieus. Als het gaat om een houding, zoals in die brief wordt aangenomen dan moeten er maatregelen komen.
Ds. M. A. Vrijlandt, Assen benadrukte het communautaire (gemeenschaps-)karakter van het avondmaal en ook het sociale karakter. Als we beseffen dat we aan het avondmaal samen komen om daarna uit te gaan om uit te delen verliest de mijding terrein. Verder meende hij dat wanneer ambtsdragers weigeren deel te nemen we hun weigering serieus moeten nemen. Ze kunnen dan ook niet in de kerk arbeiden.
Ouderling P. van Wely, Zoetermeer reageerde op de bezwaren van prof. Van de Beek inzake het bevel tot het avondmaal door de Heidelbergse Catechismus te citeren, waar staat ten aanzien van het avondmaal 'dat Christus ons ... bevolen heeft' (antw. 75). Verder meende hij dat diegenen, die het avondmaal mijden en dus miskennen, het recht niet langer hebben om - ook met de Heidelberger - te zeggen dat de mis een vervloekte afgoderij is.
Dr. Gerssen, voorzitter van de commissie, zei, in antwoord op de sprekers, dat het probleem de hele kerk raakt en wortels heeft in prediking, catechese en pastoraat. De hier gevoerde discussie moet ook in de hele kring van de Gereformeerde Bond gevoerd worden. Maar er tekent zich een stroming af ter rechterzijde van de G.B., waar met name deze problemen spreken. Hij deelde de zorg dat (daar) de kwestie een wapen wordt in de kerkelijke strijd. De vraag is echter van welke kant de wapens gehanteerd worden. Het is eenzijdig om te denken dat het de bezwaarden zijn. Zij hebben vaak geen ander middel om te zeggen wat hen benauwt inzake prediking en pastoraat en gemeentelijk beleid. Ze zijn niet in staat in de gemeente te leven uit de volheid van het Evangelie. Kerkeraden geven voorkeur aan niet-avondmaalvierende ambtsdragers om de status quo te kunnen handhaven. Hij benadrukte dat het rapport geen wettische geest ademt, maar dat de nodiging van Christus tot Zijn heil centraal staat. En de kerk opent toch geen ketterjacht wanneer ze zegt dat ambtsdragers, die volharden in hun weigering aan het avondmaal deel te nemen, niet passen in het ambt? Wanneer ambtsdragers niet deelnemen gaat daar een negatief voorbeeld, een afschrikkende werking op anderen van uit. De wankelmoedigen worden afgehouden. Je moet dan wel 'sterke papieren' hebben om toch te durven aangaan. In een gesprek, dat de commissie met de twee predikanten van de Open Brief had gehad, werd beaamd dat ontkoppeling van ambt en avondmaal in strijd is met de gereformeerde traditie, maar in de Open Brief zelf staat geen wóórd daarover.
Ds. A. Kool, Utrecht (lid van de commissie) zei dat de commissies, die de ingediende bezwaren behandelen moesten, uiterst zorgvuldig en pastoraal te werk zijn gegaan; en als duidelijk werd dat de ambtsdrager misschien toch aan zou gaan of dat de kwestie inderdaad als kerkpolitiek wapen werd gebruikt de bezwaren ongegrond werden verklaard.
Wat de ambtsopvatting betreft - reagerend op prof. V. d. Beek - dit staat juist ook met betrekking tot het avondmaal in de kerkorde omschreven.
En wat de 'traditiestroom' betreft, mijding van het avondmaal door ambtsdragers staat in géén traditiestroom, ook niet in die van de Nadere Reformatie. Schrijvers van de Open Brief willen er een traditie van maken. Maar ambtsdragers, die niet aangaan verengen het avondmaal, geven zelf geen ruimte aan de leden in de gemeente.
Ds. P. V. d. Heuvel, Harmelen, eveneens lid van de commissie, zei dat er duidelijkheid moest komen inzake de vraag waar gemeenteleden met hun bezwaren heen moeten. Hij noemde verder een voorbeeld van een gemeente, waar de kwestie speelde, maar waar nu alle ambtsdragers aan het avondmaal gaan en waar de predikant zei dat de avondmaalsgang in de gemeente nu ook toeneemt. Verder benadrukte hij dat op één punt de door de commissie voorgestelde regeling een versoepeling inhoudt, namelijk dat gesproken wordt, in verband met de candidaatstelling in de gemeente, over mensen 'die met ernst de toegang tot het avondmaal zoeken'.
Ds. W. W. Verhoef, Vlaardingen achtte het rapport positief. Hij pleitte voor een open dialoog en voor de weg van de liefde ook naar het deel van de kerk waar deze problematiek speelt. Negatie werkt polariserend. Wat is de diepste grond van de bevindelijkheid, waarin ook geleden wordt aan de kerk en aan de zonde van de wereld?
Diaken W. A. Blaas, Tholen had grote waardering voor het rapport. In de plaatselijke problemen in gemeenten op het eiland Tholen speelt de avondmaalsproblematiek mee. Hij hoopte dat de signalen uit dit rapport ook daar zouden worden opgevangen. Er zijn soms hoge muren rondom het avondmaal, die alleen kunnen worden afgebroken door de prediking. Hij hoopte dat in liefde geluisterd zou worden naar wat hier gezegd wordt.
Diaken N. A. de Waal, Alblasserdam stelde dat structurele avondmaalsmijding teruggedrongen is door de rechte prediking. Hij had er moeite mee dat in de brief van de predikanten De Jong en Van Loon nu de Gereformeerde Bond genoemd wordt samen met het Gekrookte Riet. Juist ds. Van Loon distantieerde zich, toen hij als synodelid de zaak tijdens de behandeling van een informatienota aan de orde stelde, van de Gereformeerde Bond.
Als oorzaken voor mijding noemde hij dat innerlijke ervaring van de vrome mens gesteld wordt boven de Openbaring van het Woord Gods. Hij noemde verder de Dordtse Leerregels, waarin gezegd wordt: 'En daarom spruit deze verzekerdheid niet uit enige bijzondere openbaring, zonder of buiten het Woord geschied, maar uit het geloof aan de beloften Gods, die Hij in Zijn Woord zeer overvloedig tot onze troost geopenbaard heeft'.
Hij deed tenslotte de suggestie het rapport met een oproep, een appèl te doen eindigen.
Ds. R. H. Kieskamp, Leerdam was blij dat het hoofdaccent in het rapport valt op het pastoraat en dat als het gaat om tucht gezegd wordt 'tucht overwegen'. Alleen in het uiterste geval zal tucht onvermijdelijk zijn. Verder pleitte hij ervoor dat de tucht dan ook zal worden verbreed naar andere delen van de kerk waar ook situaties zijn ten aanzien van het avondmaal, die strijdig zijn met het belijden der kerk.
Dr. S. Meyers, Leiden, de voorlaatste spreker, zei blij te zijn met het rapport 'maar er ligt een schaduw over'. Er wordt ons een problematiek opgedrongen, die de Schrift niet kent. Op grond van ontsporingen in gemeenten moeten we er ons mee bezig houden. Hoe zou een gemeente anders gemeente kunnen zijn dan rondom de tafel des Heeren? Het moet ondenkbaar worden geacht dat ambtsdragers een andere weg gaan dan die van de ootmoed.
Natuurlijk gaat het in het avondmaal om Hem die te vrezen is ('toen ik Hem zag viel ik als dood aan Zijn voeten'). Er is legitimiteit in mijding als het gaat om vrees voor de heiligheid Gods. Ook hij had wel meegewerkt aan het candidaatstellen van mensen, die (nog) niet deelnamen, maar in het vertrouwen dat dit goed zou komen.
Verder ging dr. Meyers indringend in op de praktijk achter de Open Brief. Een 'gematigde legitimering' van avondmaalsmijding wordt gebruikt als wapen om de gemeentelijke status quo te handhaven. Hierachter gaat kerkpolitiek schuil. In kringen van het Gekrookte Riet wordt het soms een pré geacht als men niet aangaat. De Gereformeerde Bond mag dit probleem niet langer toedekken maar moet een keuze maken. Hij stelde dat het intussen veelzeggend was dat in bladen als de Waarheidsvriend (het officiële orgaan van de Gereformeerde Bond) en het Gereformeerd Weekblad de inhoud van het rapport positief werd aanvaard en overgenomen. Dr. Meyers hekelde het feit dat ambtsdragers hun heiligheid baseren, niet op kenmerken van hen zelf, maar op kenmerken die ze niet hebben, die ze missen; en die intussen het avondmaal miskennen als noodzakelijk voor de beleving van de gemeenschap. Hij deed een dringend beroep op de synode dit rapport te aanvaarden, juist gezien de achtergrond waartegen dit rapport is ontstaan.
Besluitvorming
De woorden van dr. Meyers hadden kennelijk een overtuigende invloed op de hele synode. Op voorstel van synodevoorzitter Huting besloot de synode met algemene stemmen dat het stuk de kerk in zou gaan. Eveneens met algemene stemmen werd besloten dat het de kerk in zou gaan onder de naam 'herderlijk schrijven'.
Waardig
Zoals gezegd in het begin was het beraad hoogstaand en waardig, ontdaan van kerkpolitieke bijbedoehngen. Verheugend was dat rondom zo'n centrale zaak in het kerkelijke leven op zo'n geestelijke wijze gesproken werd. We mogen dankbaar zijn voor de besluitvorming ten aanzien van een rapport, dat doorademd was van een bijbelse reformatorische geest en dat uitging van de klassiek-reformatorische ambtsopvatting. Gelukkig zal het pastorale in voorkomende gevallen de overhand hebben. Alleen bij hardnekkige weigering zal 'opzicht en tucht' er aan te pas (moeten) komen.
Blijft staan de opmerking van drs. Kieskamp, dat verbreding van het aandachtsveld, als het om tucht gaat, noodzakelijk is. Het ging nu om een deelprobleem. Een belangrijk deelprobleem, dat gereformeerde belijders 'hoog' moet zitten. Maar er zijn nog andere deelproblemen: open avondmaal, kindercommunie, 'onze hulp'. Het beraad moet voortgaan, in 'eigen kring' èn in de hele kerk.
Ter afsluiting volge hier nog een treffend woord uit de Dordtse Leerregels:
'Daarom dan, gelijk de Apostelen en de Leraars, die hen zijn gevolgd, van deze genade Gods het volk Godzaliglijk hebben onderricht, Hem ter eer, en tot nederdrukking van allen hoogmoed des mensen, en ondertussen nochtans niet hebben nagelaten, hen door heilige vermaningen des Evangelies te houden onder de oefening des Woords, der Sacramenten en kerkelijke tucht; alzo moet het ook nu ver van daar zijn, dat diegenen, die anderen in de gemeente leren, of die geleerd worden, zich zouden vermeten God te verzoeken door het scheiden dier dingen, die God naar zijn welbehagen heeft gewild dat te zamen gevoegd zouden blijven.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's