Concept
Verklaring van overeenstenuning ten aanzien van het samen kerk zijn 1)
Inleiding
!n het proces van toenadering, waarin beide kerken zich sinds 1973 bevinden, zijn wij in toenemende mate de betekenis gaan zien van het feit, dat wij ten nauwste aan elkaar verbonden zijn door onze gemeenschappelijke oorsprong in de Reformatie. Wij zijn ons bewust geworden, dat deze gemeenschappelijkheid een verplichting met zich mee brengt, waaraan wij ons niet langer mogen onttrekken.
Wij zijn daarbij tot de overtuiging gekomen, dat de verschillende wegen, die wij de laatste honderd jaar vanuit deze oorsprong gegaan zijn, elkaar in de laatste jaren in de praktijk zo dicht genaderd zijn, dat het begaan van een gemeenschappelijke weg naar de toekomst mogelijk wordt. De verschillen, die er nog tussen onze kerken zijn, hebben niet een kerkscheidende betekenis. Zij kunnen een vruchtbare bijdrage geven aan een vormgeving van ons samen kerk zijn in de komende tijd.
Daar komt nog bij dat moeilijke vragen, waarvoor beide kerken zich gesteld zien, een krachtig motief vormen om deze in een proces van eenwording gezamenlijk te benaderen.
In onze tijd wordt van ons iets gevraagd, dat anders en wellicht méér is dan wat onze kerken tot nu toe aan belijdende antwoorden hebben opgebracht. Hebben wij ook maar een schaduw van een antwoord op de vragen van de jeugd, hebben wij énige voorstelling hoe wij als kerk in de toekomst dienstbaar zullen zijn aan een vrijwel volledig geseculariseerd volk, hebben wij enige remedie tegen de verkilling en verwildering, die om zich heengrijpen, tegen de doelloosheid en zinledigheid, die het leven van zovelen zijn gaan bepalen op een wijze en in een omvang, als tot nu toe noch in Europa, noch in ons land gekend zijn?
Allen in onze kerken roepen wij op zich af te vragen: kunnen wij het nog verantwoorden, dat wij als twee kerken, die als geen andere in de wereld zo dicht bij elkaar staan in belijdenis en in een gemeenschappelijk nationaal verleden, onze krachten verdoen in een eindeloos elkander aftasten zonder werkelijk onze krachten te bundelen en zo samen te zoeken naar een gezamenlijk getuigenis van geloven en leven in de volkssamenleving van vandaag?
In de geschiedenis van de kerk vinden wij niet weinig voorbeelden van kerken, die ten onder zijn gegaan, omdat zij de uitdaging van een bepaalde situatie niet verstonden. Hoe lang zal ons de tijd gelaten worden?
Voordat wij nader ingaan op wat in het bovenstaande kort is aangeduid willen wij een opmerking vooraf maken over de aard van ons gemeenschappelijk belijden.
De kerk belijdt haar geloof voor het aangezicht van God in antwoord op Zijn Woord, Zijn beloften en geboden. Dit belijden heeft allereerst een duurzaam karakter. In verbondenheid met de kerk van alle eeuwen belijden wij dezelfde drieënige God, die ons in Jezus Christus deel geeft aan Zijn heil. Daarnaast heeft het belijden van de kerk ook iets bewegelijks; het is immers verstaanbaar zijn en betrekking hebben op het leven van de gelovig in deze tijd. Het is gericht op mensen van deze tijd met hun vragen en aanvechtingen en strekt zich zelfs uit naar komende generaties van gelovigen. Het zoekt antwoorden voor hen die zich nog niet of niet meer met de kerk verbonden weten. Het kan daarom nodig zijn in het heden bepaalde aspecten van belijden groter nadruk te geven dan andere.
De groeiende overeenstemming tussen beide kerken geldt zowel dit duurzame als het meer bewegelijke element. Dit blijkt uit de aanvaarding van de door de Raad van Deputaten aan de gemeenschappelijke synodevergaderingen van 1979 en 1982 voorgelegde stukken.
II. Gebleken overeenstemming
In het proces van Samen op Weg werd en wordt een brede overeenstemming ontdekt. Dat is reden tot grote dankbaarheid. Het blijkt in dit proces immers te gaan om twee reformatorische kerken, die beide in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als de bron der prediking en enige regel des geloofs en in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht de zelfopenbaring van de drieënige God belijden.
In de weg van dit belijden - nader aangeduid met de drie algemene belijdenisgeschriften en de 'drie formulieren van enigheid' - beloven beide kerken zich ambtelijk, onbekrompen en ondubbelzinnig, te bewegen en te weren al wat dit belijden weerspreekt. Hoe langer hoe meer wordt in beide kerken ingezien, dat onze kerkelijke gescheidenheid ons belijden weerspreekt en dus behoort bij datgene wat wij zeggen te willen weren. Dit inzicht moet beide kerken brengen tot gezamenlijke erkenning van onze ondeelbare schuld, tegenover God, tegenover elkaar en tegenover ons volk. Nooit kan deze schuld door de één tegen de ander worden aangewezen. Het is niet nodig overeenstemming te krijgen over het spreken en handelen van onze vaderen met betrekking tot elkaars kerkelijk optreden in het verleden. Zij heben naar hun inzicht en verantwoordelijkheid gewetensvol hun keuzes gemaakt in de kerkelijke werkelijkheid van hun dagen. Dit geldt zowel voor hen die bleven als voor hen die buiten de Nederlandse Hervormde Kerk kwamen te staan. Onze generatie moet in ieder geval erkennen, dat wij schuldig staan, wanneer wij in de huidige gescheidenheid berusten. Daarentegen mogen wij in de weg van omkeer en toekeer naar elkaar bevrijding van onrecht en van schuld verwachten.
Waarin wij samenstemmen
In de loop der jaren leidde de gemeenschappelijke bezinning, die in opdracht van de Raad van Deputaten in de Werkgroep Kernen van Belijden gestalte kreeg, tot de aanwijzing van een viertal kernen van belijden, die elk voor zich een krachtige motivatie vormen, om de eenwording van de kerken met vreugde en doorzettingsvermogen te bevorderen. Het is niet moeilijk naast deze vier kernen nog een aantal andere te noemen, maar indien wij door deze kernen niet in beweging worden gebracht, dan dienen wij ons af te vragen, wat ons belijden voor ons betekent. De vier kernen zijn: de rechtvaardiging van de goddeloze, de kerk is het lichaam van Christus, de waarheid is ondeelbaar, en de gelovigen zijn het licht der wereld. Met verwijzing naar wat door de gemeenschappelijke synodevergaderingen over deze kernen is aanvaard, willen wij in het volgende deze punten kort samenvatten en daarbij de motivatie tot eenwording die hieruit opkomt, aanwijzen.
a. Beide kerken belijden de rechtvaardiging van de zondaar, alleen door genade, zonder enige verdienste. Hierin klopt het hart van het belijden der Reformatie. De gemeenschappelijke bezinning op dit belijden confronteerde ons met de vraag: hoe is het mogelijk, dat kerken, die dit belijden, daarna toch weer allerlei gegevenheden en hebbelijkheden van eigen signatuur hebben durven gebruiken als motief om eigen wegen gaan? Als wij geloven gerechtvaardigd te zijn uit louter genade, hoe zouden wij dan kunnen roemen in iets of in iemand anders dan in Christus alleen? 2)
b. Beide kerken belijden, dat de kerk het Lichaam van Christus is. De kerk ontspruit dus niet aan onze inzichten en daden en is daarvan niet afhankelijk. Haar ontstaan en bestaan ontvangt zij uit Christus. Alle leden zijn afhankelijk van het éne Hoofd, maar ook op allerlei wijze afhankelijk van elkaar. Indien leden of groepen van leden een zelfstandig bestaan zouden willen leiden, dan vormen zij voor het functioneren van het Lichaam een ernstige bedreiging, zij worden een kwaadaardige woekering. Tot beide kerken en tot alle daarin aanwezige groepen en modaliteiten komt vanuit dit belijden de kritische vraag: is wat wij aan eigenheid menen te hebben, gericht op de opbouw van het éne Lichaam? Het is duidelijk dat het antwoord op deze vraag verreikende consequenties heeft. In ieder geval maakt de belijdenis, dat de kerk het Lichaam van Christus is, het gescheiden bestaan van onze kerken volstrekt dubieus. 3)
c. Beide kerken belijden, dat Gods openbaring de waarheid is. Zij bestaan dankzij die waarheid, zij kunnen alleen leven in de waarheid. Dit in-de-waarheid-zijn verbindt gelovigen tot eenheid. In het verlangen deze eenheid in de waarheid te bewaren tekenden zich in het verleden twee verschillende wegen af. In de eerste plaats werd en wordt de waarheid uitgesproken in 'waarheden'. Deze hebben de bedoeling het in-de-waarheid-zijn van de kerk te bevorderen en te bewaren. Het angstvallig vasthouden van in een bepaalde tijd geformuleerde waarheden heeft vaak geleid tot verstoring van de eenheid. Men kan, strijdend over 'waarheden', gemakkelijk vergeten wat het betekent in de Waarheid te zijn.
Op de andere weg werd beseft, dat het niet gemakkelijk is de waarheid te formuleren.
Het verlangen de waarheid verstaanbaar te betuigen kan leiden tot afstand nemen van overgeleverde formuleringen. Daarbij wordt sterke nadruk gelegd op de verbondenheid van het samen leven in de éne waarheid, ook al blijft de formulering daarvan altijd gebrekkig. Maar dit verlangen een zo groot mogelijke eenheid te bewaren kan leiden tot een vervaging van de waarheid.
In de gezamenlijke bezinning op deze twee wegen brak steeds weer het inzicht door, dat waarheid en eenheid nooit tegenover elkaar mogen worden uitgespeeld.
Is het werkelijk reformatorisch-kerk-her-vormend - indien de waarheid wordt beleden en voor de waarheid wordt gestreden op een wijze, die tot steeds grotere versplintering leidt? Gaat op zo'n manier van omgaan met de waarheid het in-de-waarheid-zijn niet verloren?
Wij zijn tot het inzicht gekomen, dat de vraag: is Christus gedeeld? van even grote confessionele waarde is als de belijdenis: Jezus is Heer. Een gemeenschappelijke bezinning op de vraag: is Christus gedeeld? moet onze kerken brengen op de weg naar hereniging. 4)
d. Beide kerken belijden dat de kerk in dienst staat van het komende Rijk. Jezus Christus heeft leerlingen om zich heen verzameld, opdat zij zijn getuigen zouden zijn in de wereld. De gemeente wordt geroepen om gezonden te worden.
Het is niet verwonderlijk, dat niet alleen in de wereldkerk, maar ook in onze beide kerken, een bewustzijn van deze zending een krachtig motief is geworden om de verdeelde kerken te herenigen. Hoe is het mogelijk de éne Heer te vertegenwoordigen, terwijl kerken zich tegenover elkaar stellen? Heeft de dienst van onze kerken aan ons volk en in de wereld niet grote schade geleden door onze gescheidenheid? Heeft de verdeeldheid en de gescheidenheid van onze kerken ons getuigenis aangaande Christus niet voor velen ongeloofwaardig gemaakt?
De motivatie tot eenwording, die opkomt uit het besef van de gemeenschappelijke opdracht wordt in onze dagen nog versterkt door een gevoel van verlegenheid met betrekking tot de overdracht van het geloof. Vele gedoopte en niet-gedoopte kinderen van kerkleden voelen zich niet meer met de kerken verbonden. Een groot deel van de huidige generatie van gelovigen moet erkennen, dat zij niet in staat is gebleken het geloof over te dragen aan zijn kinderen. Deze onmacht verdriet velen en benauwt niet weinigen. Zou dit gevoel van tekortschieten tegenover een opdracht die blijft, ons niet moeten verhinderen nog langer afzonderlijke wegen te gaan? 5)
III. Gemeenschappelijke vragen
Opdracht
De gemeenschappelijke vergadering der synoden in november 1982 droeg aan de Raad van Deputaten Samen op Weg op om in haar verdere studie bijzondere aandacht te schenken aan de spanningsvelden of spanningspunten, die ondanks de overeenstemming in belijden, nog tussen beide kerken bestaan. Daarbij werd gedacht aan het volgende: de uitoefening van de kerkelijke tucht, het omgaan met plurariteit in de kerken, het vraagstuk van de 'geboorteleden', de verhouding tussen de plaatselijke gemeenten en de landelijke kerk en de kwestie van het spreken van de kerk.
In dit gedeelte van deze verklaring willen wij op die punten nader ingaan. Wij willen echter eerst enkele overwegingen onder de aandacht brengen, die ons bij de benadering van deze problemen hebben geleid.
Uitgangspunten
In de eerste plaats kunnen wij constateren, dat al de genoemde kwesties in beide kerken op vergelijkbare wijze aanwezig zijn. Niet ontkend kan worden, dat de kerken in het verleden bij de benadering van deze vragen verschillende wegen zijn gegaan. Evenwel moet ook worden erkend, dat geen van beide kerken er tot nu toe in geslaagd is de betreffende problematiek op een bevredigende wijze op te lossen. Waarschijnlijk gaat het om vragen, die de kerk altijd moeilijkheden hebben opgeleverd en dat ook wel zullen blijven doen. Wij pleiten ervoor eerlijk te erkennen, dat het om gemeenschappelijke vragen gaat, die vooral betrekking hebben op de grenzen van de kerk. Gezien de gebleken overeenstemming moet het mogelijk zijn deze problematiek gezamenlijk te benaderen, elk met een eigen inbreng aan verworvenheden en verlegenheden. In de tweede plaats willen wij opmerken, dat theologie altijd theologie-onderweg is, maar dat dit inzonderheid geldt van een theologische bezinning op het kerk-zijn. Al doende leert de kerk om kerk te zijn. In de gefedereerde gemeenten blijken verschillende problemen in de praktijk behandelbaar te worden. Er zijn vragen die niet van tevoren beantwoord kunnen worden, maar die al gaande op een gemeenschappelijke weg, in ieder geval voorlopig tot een oplossing kunnen worden gebracht. Het blijkt ook telkens weer dat men op deze wijze ook theologisch verder komt. Het gaat niet om het vooruitschuiven van moeilijke problemen, maar om de erkenning van de aard van de problemen. Zelfs al zouden antwoorden geheel ontbreken - en dat is niet het geval, zoals uit de volgende paragrafen zal blijken - dan nog zou erkend moeten worden, dat deze vragen geen reden kunnen vormen om gescheiden te blijven.
Ten derde wijzen wij op het feit, dat noch de hervormde, noch de gereformeerde kerk een uitgewerkte leer aangaande de kerk heeft vastgesteld. In het proces van samengroeien zullen voorlopig verschillende wijzen van denken, die vanuit het verleden in de visie op het kerk-zijn een rol gespeeld hebben, hun invloed blijven uitoefenen. Wij willen ter illustratie enkele ervan hier noemen.
Soms werd het begrippen-paar kerk en verbond als sleutel gehanteerd. De trouw van God krijgt dan een sterk accent en de grenzen van de kerk worden steeds verder opgeschoven. Kerk en volk komen in deze gedachtengang heel dicht bij elkaar. Dat is veel minder het geval wanneer het begrippen-paar kerk en fundament als sleutel dienst doet. Dat fundament wordt dan gaarne gezocht in de belijdenis van het ware geloof, en de handhaving van de tucht krijgt veel aandacht. Weer een andere benadering komt tot stand vanuit het begrippen-paar kerk en koninkrijk: enerzijds kan van hieruit gedacht worden aan een 'corpus christianum' (een christelijk gemenebest) met allerlei verbindingslijnen naar de cultuur, anderzijds biedt deze sleutel mogelijkheden voor de ontwikkeling van een zeer kritische theologie met grote aandacht voor veranderingsprocessen.
In dit verband is het belangrijk te constateren, dat deze en andere modellen in verschillende varianten in beide kerken invloed uitoefenden dat nóg te doen. Vanuit deze verschillende motieven en/of combinaties daarvan kunnen 'kerkgevoelens' ontstaan. Het is niet moeilijk te constateren dat er verschillende van die 'kerkgevoelens' of 'kerkbeseffen' in onze kerken gevonden worden. Maar ook hier loopt de grens niet tussen de kerken, maar dwars door de kerken heen.
Het opleven van zulke gevoelens is niet te vermijden, zeker niet als er ingrijpende veranderingen op til zijn. Het bestaan van zulke gevoelens is een uitdaging en een test: is er inderdaad de echte wil om samen op weg te gaan? Het is als met een man en een vrouw, die in hun huwelijk iets van de sfeer waarin zij zijn opgegroeid, meebrengen. Hun huwelijk is een uitdaging om uit wat zij meebrachten, nu samen iets nieuws te scheppen. Hierbij is wel de liefde en de bereidheid aan de ander trouw te zijn een onmisbare voorwaarde. Bovendien is het scheppen van een nieuwe sfeer alleen mogelijk in een proces dat tijd vraagt. Het gaat erom te willen begrijpen, waarom de ander zo denkt, zo voelt, zo handelt, en om een wederzijdse bereidheid elkander te aanvaarden.
Een laatste opmerking-vooraf: in de verschillende werkgroepen (die nu al jaren, plaatsvervangend, bezig zijn geweest) heeft deze bereidheid om naar de ander te luisteren geleid tot een opmerkelijke herkenning van elkaar. In de Werkgroep Kernen van Belijden, die veel voorwerk gedaan heeft voor deze 'Verklaring', werd ervaren, dat het noodzakelijk èn mogelijk is te denken vanuit het Midden naar de randen en niet in omgekeerde richting. Daarmee kan ook de richting worden aangegeven, die de eenheid-zoekende kerken zijn ingeslagen. Op die weg, vanuit een gemeenschappelijk verleden, gericht op een nieuwe toekomst, zijn verschillende wegkruisingen en wegsplitsingen gepasseerd. Ook al is de weg naar de eenwording nog niet in alle finesses aan te geven, de richting is duidelijk. Wij willen de gemeenschappelijke vragen niet meer afzonderlijk tot een oplossing trachten te brengen. Dat zou te goedkoop en te armelijk zijn. Wij willen onze gemeenschappelijke vragen samen benaderen, met de inbreng van alles wat wij tot nu toe hebben geleerd. Bovenstaande overwegingen betreffen de houding, de mentaliteit, waarmee wij de concrete vragen willen benaderen. Het vinden van zo'n houding is een voorwaarde vooraf. Men zou het een bekering kunnen noemen.
De concrete punten uit de opdracht
Wat de kerkelijke tucht betreft, in het weren van wat het belijden weerspreekt, hebben beide kerken een geschiedenis, waarop zij zich niet kunnen beroemen. Wat de Gereformeerde Kerken teveel hebben nagestreefd - eenheid van belijden - heeft de Nederlandse Hervormde Kerk te weinig behartigd. Gereformeerden zijn geschrokken van de gevolgen van hun radicaliteit; in hervormde kring wordt de vraag gehoord: zijn wij soms te vrijblijvend bezig geweest? Dit kan verduidelijkt worden met het beeld van het licht. Christus is het licht der wereld, maar ook de gemeente, die bij Hem hoort, mag het licht der wereld genoemd worden. Dit licht straalt in de duisternis van deze wereld. Er is wel een grens aan die uitstraling, maar juist aan die rand is het voor ons uiterst moeilijk precies te bepalen, waar het licht nog schijnt en waar totale duisternis heerst.
Gereformeerden hebben zich beijverd het licht te bewaken en te beschermen. Maar zodoende kunnen er wanden opgericht worden, die de werking van het licht belemmeren.
In hervormde kring was men vaak bedacht op een zo ver mogelijke uitstraling van het licht en was men zodoende beducht de grens tussen licht en duisternis aan te wijzen. In de gemeenschappelijke bezinning kwam de vraag op: kan dit beeld ons helpen, ons leiden op onze gezamenlijke weg naar de toekomst? Kunnen wij beide aspecten van de lichtbron en van de grens bijeenhouden? Beide kerken staan vanuit verschillende posities voor dezelfde vraag: hoe kan de kerk haar identiteit bewaren? De identiteit van de kerk, haar eigenheid, haar herkenbaarheid, heeft in elk geval als kernen: haar prediking, de sacramenten en het leven van haar leden.
Het kerk zijn is een gebeuren, dat zich voltrekt rondom het gepredikte woord. Als het vrije horen naar de Stem van God door menselijke stemmen zou worden belemmerd, dan heeft de kerk de volmacht van de Heer een duidelijk 'neen' te laten horen. De verantwoordelijkheid voor de rechte prediking kan niet bij de predikanten alleen liggen, zij delen deze met de gemeente.
De kritische vraag, die aan onze kerken gesteld moet worden, is deze: is er werkelijk een gemeenschap der heiligen, die de verantwoordelijkheid voor de verkondiging meedraagt? Het zou met het wezen van de kerk als gemeenschap der heiligen in strijd zijn, als instanties of mensen, zonder zich mee verantwoordelijk te weten voor de vreugden en de lasten van de prediking, negatieve oordelen zouden vellen over welke prediking dan ook.
De zorg voor het bewaren van het eigen karakter van de kerk heeft een andere - zeker niet minder belangrijke - kern: de tucht over het leven. Hier gaat het om het functioneren van de leden van het Lichaam van Christus. Elk lid heeft tot taak, op zijn of haar wijze, de anderen in verbinding te houden met het Hoofd. Concreet gaat het hier om een verontrustende activiteit van gemeenteleden (en kerken) tegenover elkaar. Het gaat hier om vragen als de volgende: is er echt berouw over zonde? Is er het verlangen om naar al Gods geboden te leven en tegen alle zonden te strijden? Concreet gemaakt: geven wij aan de armen? Helpen wij de blinden. Weren wij het geweld? Overwinnen wij onze zelfzucht? Dienen wij niet de een of andere afgod? Vertonen wij enigszins het beeld van onze Heer in deze wereld? Deze vragen zijn zo klemmend, omdat het ten diepste de Heer zelf is, die ze aan ons stelt, Hij die de Heiland der wereld is.
Het is ons duidelijk geworden, dat de vraag naar het functioneren van de kerkelijke tucht een gemeenschappelijke opdracht onthult, waaraan onze afzonderlijke kerken nog niet op een bevredigende wijze hebben gevolg gegeven. Daarom menen wij, dat deze opdracht als een gemeenschappelijke taak door onze kerken in het proces van Samen op Weg dient te worden aanvaard.
Pluraliteit
In onze beide kerken valt een grote verscheidenheid te constateren. Deze verscheidenheid doet zich voor op vrijwel alle gebieden van het geloofsleven. Opmerking verdient, dat het hierbij niet gaat om verschilden tussen onze kerken, maar om verschillen die in beide kerken op vergelijkbare wijze gevonden worden.
Verschillen tussen gelovigen krijgen vaak, ten gevolge van een zekere zelfzucht en een gemakkelijk optredende radicalisering, een zeer bedreigend karakter. Het is voldoende om in dit verband te wijzen op de moeilijkheden in onze beide kerken in verband met de beantwoording van politieke en actuele vragen. Bij het beantwoorden van zulke vragen dreigt het besef van onderlinge betrokkenheid te verdwijnen. Men ziet slechts tegenstellingen. Zo kan pluraliteit een zeer negatieve invloed uitoefenen. Zulke pluraliteit dreigt de eenheid te verscheuren en wordt daarom, zowel 'rechts' als 'links' als een gevaar voor de kerk beschouwd. Wij willen niet ontkennen dat dit gevaar onze beide kerken op gelijke wijze bedreigt. De erkenning van het bedreigende karakter van pluraliteit moet onze ogen echter niet sluiten voor het feit, dat een zekere pluraliteit altijd in de kerk gevonden wordt. Wie zich onbevangen wendt tot de Heilige Schriften, moet wel onder de indruk komen van een grote verscheidenheid in geloofsbeleving en geloofsverwoording. De waarheid, waarvan de grote getuigen spreken, is te groot en te samengesteld om in één getuigenis te kunnen worden samengevat. De waarheid komt als een meervoud, in alle verscheidenheid, tot ons.
Het behoeft geen verwondering te wekken, dat in de geschiedenis van de kerk en ook in de geschiedenis van onze beide kerken tot op de huidige dag een veelheid van inzichten, gevoelens, positiekeuzen openbaar wordt, waardoor spanningen worden opgeroepen.
Het is duidelijk, dat onze kerken, zowel in het afwijzen van de verkeerde pluraliteit als in het omgaan met de noodzakelijke pluraliteit nog heel wat te leren hebben. Hoewel wij niet in staat zijn de te volgen wegen in alle duidelijkheid aan te geven, willen wij twee opmerkingen maken.
In de eerste plaats willen wij wijzen op het feit, dat de gemeenschap der heiligen niet is een gemeenschap in opvattingen en gevoelens en positiekeuzen, maar een gemeenschap die ontstaat door de genademiddelen, het Woord, de doop en het heilig avondmaal. De erkenning, dat de ander door hetzelfde Woord is geroepen, door dezelfde doop in Christus is ingelijfd en de aanvaarding van de ander als mede-gast aan de tafel van de Heer zijn voorwaarden om met pluraliteit om te gaan. Met name de viering van de Maaltijd des Heren is de plaats, waar gelovigen, ondanks hun verschillen, hun onderlinge verbondenheid en nun onderlinge afhankelijkheid kunnen ervaren. Wij zijn samen genodigden aan de Tafel van de éne Heer, die elk bij name kent en aan ieder ^en taak toebedeelt ten behoeve van het groeiende geheel.
In deze gemeenschap, die de Heer schept en schenkt, worden verschillen in ieder geval tot hun ware proporties teruggebracht. Daar kan worden ervaren: Hij die ons verbindt is sterker dan wat ons verdeelt.
In de tweede plaats moet de vraag gesteld worden, of de huidige kerkelijke structuren het meest geschikte middel zijn om op een verantwoorde wijze met de bestaande pluraliteit om te gaan. De vraag waarvoor onze beide kerken staan is deze: dient er plaats te zijn voor een gemeentevorming, die niet volgens het geografische patroon verloopt? Indien voor zulke op andere wijze gevormde gemeenten ruimte wordt geboden, zal het van groot belang zijn wegen te ontdekken, waarop de verbondenheid van alle gemeenten gestalte kan krijgen. In dit verband dient de ontwikkeling van een classis van nieuwe signatuur ernstige overweging.
Geboorteleden
Beide kerken hebben te maken met de vraag, welke hun verantwoordelijkheid is voor hen, die, hoewel uit leden der kerken geboren, niet door de bediening van de doop in de kerk zijn ingelijfd.
De Nederlandse Hervormde Kerk, die al vele tientallen jaren met deze problematiek moet leven, heeft dit probleem van pastorale aard kerkordelijk geregeld. Deze mensen worden als geboorteleden aangemerkt en dus opgenomen in de administratie van het ledenbestand der kerk. De Gereformeerde Kerken in Nederland krijgen in toenemende mate met deze problematiek te maken, maar zijn nog niet gekomen tot een duidelijk beleid in dezen. De grenzen tussen pastoraat ten aanzien van hen die nog enigermate tot de kerk behoren, en het apostolaat ten aanzien van hen die zich op geen enkele wijze met de kerk verbonden weten, kunnen hoe langer hoe minder duidelijk getrokken worden.
Het is duidelijk, dat een registratie van hen, die uit christelijke ouders geboren zijn, alleen zin heeft, indien er ten aanzien van deze geregistreerden pastoraal of apostolair werk geschiedt.
De verantwoordelijkheid voor hen die aan de randen van de kerken leven is alleen te dragen door een gemeente, die toont te weten wat pastorale en apostolaire verantwoordelijkheid betekent.
Met andere woorden: er is niet alleen een probleem van geboorteleden, maar ook een probleem van de draagkracht en de inzet van onze gemeenten. Wij verwijzen met nadruk naar het rapport 'Geboorteleden, Theologische aspecten', 1974/1975. Voor de tekst ervan: zie Samen onder een Herder, 61 v. v. Een voortgaande bezinning over de theologische inhoud en de kerkordelijke consequenties van dit rapport, achten wij noodzakelijk.
Verhouding plaatselijke gemeenten en landelijke kerk
In de geschiedenis van onze beide kerken is het vraagstuk van de verhouding van plaatselijke gemeenten en de landelijke kerk dikwijls op eenzijdige wijze benaderd. In de Nederlandse Hervormde Kerk kreeg in de theologische bezinning en de praktische vormgeving de landelijke kerk een sterk accent. In de Gereformeerde Kerken in Nederland werd, tegen de achtergrond van een afwijzing van een aan de kerk wezensvreemde centrale organisatie, de nadruk gelegd op de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken. Dit verschil komt ook uit in de namen, waarmee de beide kerken zich benoemen.
In de loop van de geschiedenis is in de NHK het besef nooit verdwenen, dat de landelijke kerk bestaat in haar plaatselijke gemeente. In haar geschiedenis is de GKN tot het inzicht gekomen, dat de huidige tijd ook een duidelijke overkoepelende organisatiestructuur vraagt.
Het zou goed zijn als elk van de twee kerken iets van de organisatiestructuur van de andere kerk zou aanvaarden. Omdat in beide kerken erkend wordt, dat het geheel en de delen elkaar voortdurend nodig hebben, mag een verschil in accentuering van de twee polen geen motief vormen om het gescheiden bestaan der kerken te continueren.
Het spreken van de kerk
Met deze woorden willen wij de verhouding van de kerk tot de overheid en het volk aangeven. Dat de kerk verantwoordelijkheid draagt tegenover overheid en volk, wordt in beide kerken beseft. In de wijze waarop aan deze verantwoordelijkheid gestalte gegeven wordt zijn de twee kerken in het verleden verschillende wegen gegaan. Die wegen hebben elkaar overigens herhaaldelijk geraakt dan wel gekruist. In de NHK is een theokratische neiging waar te nemen: ambtelijk stelde de kerk zich als een gezaghebbende instantie op tegenover overheid en volk. In de GKN werd meer nadruk gelegd op de persoonlijke verantwoordelijkheid van de kerkleden als leden van ons volk. Wij zijn van oordeel, dat dit verschil in accentuering niet als een motief tot volharing in onze kerkelijke gescheidenheid mag worden ingebracht. Beide kerken dienen wat zij aan mogelijkheden en moeilijkheden in hun verantwoordelijkheid tegenover volk en overheid ontdekt hebben, in te brengen in het zoeken van een weg om de opdracht van de Heer in deze zaak uit te voeren.
CONCLUSIE
Bestudering van de bovenvermelde spanningsvelden in onze kerken heeft ons geleid tot de slotsom, dat geen van deze problemen voor ons een motief kan vormen om ons kerkelijk gescheiden zijn te continueren. Hoewel er verschillen zijn te constateren zijn deze nimmer van het karakter, dat één van beide kerken zou kunnen zeggen: omdat wij hierin niet gelijk denken moeten wij om Christus' wil kerkelijke gemeenschap afwijzen. De constatering, dat beide kerken zich gesteld zien voor een aantal moeilijke vragen, vormt een krachtig motief om deze vragen in een proces van eenwording gezamenlijk te benaderen.
Noten
Noot 1. De Verklaring van Overeenstemming ten aanzien van het samen kerk zijn werd namens de Raad van Deputaten Samen op Weg opgesteld door de Werkgroep Kernen van belijden. De Werkgroep was ten tijde van de opstelling van de Verklaring als volgt samengesteld: prof. dr. A. v. d. Beek, W. A. Fibbe, prof. dr. G. P. Hartvelt, prof. dr. H. W. de Knijff, ds. J. Maasland, dr. S. Meijers, dr. J. M. Vlijm, prof. dr. H. B. Weijland, dr. L. G. Wagenaar, dr. K. M. Witteveen, dr. B. Wentsel. De beide Synoden aanvaardden de Verklaring op 5/6 november 1984 en besloten deze tezamen met de Raadpleging en de Intentieverklaring toe te zenden aan de kerkelijke vergaderingen. De eerder door beide synoden aangenomen nota's waarnaar in de tekst verwezen wordt zijn: Samen kerk zijn in de nabije toekomst I, uitg. Boekencentrum/Kok, 1980. Samen kerk zijn in de nabije toekomst, Kok/Boekencentrum.
Noot 2. Noot 3. Noot 4. Noot 5. Samen kerk zijn in de nabije toekomst I, 44 en II, 19 Samen kerk zijn in de nabije toekomst I, 15 e.v. Samen kerk zijn in de nabije toekomst 1, 15 e.v.; 1, 22; 1, 43 e.v. Samen kerk zijn in de nabije toekomst I, 50 e.v.; II, 13.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1985
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1985
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's