De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Reactie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Reactie

14 minuten leestijd

Reactie op 'Verklaring van Overeensteuning ten aanzien van het Samen Kerk zijn', opgesteld door Kerkeraad Wijkgemeente 2 van de Hervormde Gemeente van Maarssen.

INSTEMMING

1. Omdat onze Heiland Zelf, vlak voor Zijn lijden en sterven, bad om de eenheid van de Zijnen, wagen wij het niet een proces, dat deze door Jezus Zelf verlangde eenheid nastreeft negatief te waarderen (Efez. 4 : 1-6, Joh. 17).

2. Onze kerkeraad waardeert het positief, dat nu - eindelijk - in plaats van het Samen op Weg proces 'van boven af, ook de kerkelijke gemeenten worden betrokken bij de bezinning rond dit gebeuren.

3. Wij hebben met vreugde geconstateerd dat zich in de Verklaring elementen bevinden, die er op wijzen dat gepoogd is te luisteren naar wat de Heilige Schrift en de Belijdenisgeschriften zeggen over eenworden en gemeente-zijn.

OVERWEGINGEN

I. Inleiding

4. Wanneer er gesproken wordt over de 'gemeenschappelijke oorsprong in de Reformatie' en het feit dat dit 'een verplichting met zich meebrengt', dan willen wij opmerken, dat wij met teleurstelling zien dat geen melding wordt gemaakt van de andere Reformatorische kerken, die dezelfde gemeenschappelijke oorsprong hebben.

5. Wij wensen onze spijt uit te spreken over het feit dat de praktijk als reden wordt aangevoerd, dat onze kerken elkaar dicht zijn genaderd. Alsof het om een louter pragmatisch gebeuren gaat. Helaas wordt geen melding gemaakt van de opdracht van onze Heiland tot eenheid - de enig legitieme reden om samen op de Weg te gaan, waarop Hij ons voorgaat (Joh. 17 : 21), een opdracht ook om niet als onveranderde mensen te leven (1 Cor. 3 : 1-8).

6. Wij betuigen onze instemming met de constatering dat de gemeente ook 'dienstbaar' moet zijn in de wereld temidden van een 'vrijwel volledig geseculariseerd volk'. Toch missen wij totaal de opdracht, dat de gemeente een zoutend zout (Matth. 4 : 1-3) en een licht op de kandelaar (Matth. 4 : 15) dient te zijn. Dat de gemeente uit dien hoofde getuigend in de wereld moet staan, wordt duidelijk uit het Woord van God (Hand. 1:8, 2:46-47, Rom. 10 : 14). Temidden van de 'verkilling en verwildering', de 'doelloosheid en zinledigheid' dient de gemeente de verkondiging te stellen van het vuur van de Heilige Geest (Hand. 4 : 31) en de Vrede die alle verstand te boven gaat, de Boodschap dat alle dingen die uit, door en tot Hem juist zinvol zijn (Rom. 11 : 36), dat het lijden van deze tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die over ons geopenbaard zal worden (Rom. 8 : 18, 6 : 23).

7. Wij zijn het met het gestelde oneens, waar wordt beweerd dat 'kerken zijn tenonder gegaan, omdat zij de uitdaging van een bepaalde situatie niet verstonden'. Integendeel, wij lezen in het Woord van God, dat de Opgestane Heiland vooral dan de kandelaar van zijn plaats zal wegnemen, als wij onze eerste liefde verzaken en ons niet bekeren (Openb. 2 : 4-6).

8. Wij hebben tegen de aangevoerde argumentatie in de gehele 'Verklaring', dat - opzettelijk? - wordt vermeden te refereren aan gedeelten uit Gods Woord om mensenwoorden te onderbouwen met Zijn opdracht en beloften. Als ambtsdragers menen wij dit Synodale geschrift daaraan te moeten toetsen (Matth. 7 : 15, 2 Tim. 3 : 14 - 2 Tim. 4:8, 1 Joh. 4 : 1-6.

9. Hoewel veel van de gebruikte terminologie en woorden ons als bekende klanken in de oren klinken (bijv. 'het Rijk', Hij is ons 'heil'), proeven wij niet zelden door die klanken heen het compromis dat er ongetwijfeld moest zijn bij het opstellen van deze 'Verklaring': het stuk kent hoogten noch diepten, alle scherpe kanten zijn weggeslepen. Waarom toch nergens gesproken van ons gemeenschappelijk geloof in Jezus Christus als gekruisigde en opgestane Heiland? Waarom nergens gerefereerd aan het Bijbelse gegeven dat zonde niet in de eerste plaats een kwaad is in verbanden van mensen en structuren, maar vooreerst een zaak van ons eigen hart? (Rom. 3 : 11, 12). Waarom toch nergens alleen maar genoemd dat geloof een zaak is van elk lid persoonlijk, die alleen daarom ingeplant mag zijn in de ware Wijnstok? (Joh. 15 : 5). Waarom - als het over de eenheid van de gemeente gaat - in het gehele stuk niet eenmaal gerefereerd aan het prachtige beeld van 1 Cor. 12, waar de gemeente wordt vergeleken met het lichaam van Christus als het hoofd?

Wij missen in dit stuk de centrale Bijbelse noties, al komen de klanken ons bekend voor. Het is ons te vlak en te weinig doortinteld van levend geloof, dat alle hoop alleen op Hem gevestigd houdt (Rom. 8 : 24). U begrijpt ons toch - als wij u mogen houden aan de constatering dat wij 'zo dicht bij elkaar staan in belijdenis'?

II. Gebleken overeenstemming

10. Het stuk spreekt van een 'brede overeenstemming'. Nergens merken wij iets van een onderbouwing van deze bewering. Waarom maakt u niet tegelijkertijd melding van het feit dat ook fundamentele kritiek werd geleverd op Samen op Weg? Opnieuw missen wij referentie aan Bijbelse kaders.

11. Meent u nu werkelijk, dat het juist onze kerkelijke gescheidenheid is, die het belijden weerspreekt - nog voorbijgaand aan de gescheidenheid binnen onze eigen hervormde kerk - en dat wij die 'onbekrompen en ondubbelzinnig moeten weren', terwijl wij reeds jaar en dag ervaren dat er met name op het gebied van de prediking talloze zaken in beide kerken zijn die het belijden weerspreken?

Vanzelfsprekend belijden wij met u onze schuld tegenover God over de gescheidenheid, maar wij menen toch dat deze juist veroorzaakt werd en wordt - zowel tussen de kerken als daarbinnen - door het verschil in belijden, in leer en leven van de gemeente en haar leden.

12. Waarom worden in het stuk, als reden voor Samen op Weg ook niet genoemd de snelle leegloop van de betrokken kerken - niet slechts in de grote steden - en de toenemende financiële lasten! Wij hebben het gevoel, zo dit al niet de enige redenen zijn voor dit Samen op Weg gebeuren, deze dan toch tenminste een belangrijke reden vormen. Wij denken dat met de fraaie volzinnen in de 'Overeenstemming' deze bijkomende (?) reden wordt verdoezeld.

13. Sinds wanneer, zo vragen wij ons af, is er 'bevrijding van onrecht en schuld' te verwachten 'in de weg van omkeer en toekeer naar elkaar? Graag zien wij daarvan de Schriftuurlijke onderbouwing. Neen: in de gehele Bijbel, aanvangend bij de aartsvaders en het volk Israël, zich voortzettend in de christelijke gemeente, is er bevrijding en vergeving (waarom gebruikt u dit prachtige woord niet? Ps. 31 : 1, 2-Rom. 4:7, 8) van schuld te verwachten, wanneer wij ons toe- en omkeren tot God. Dat noemt de Bijbel bekering. Alleen omdat wij in die weg gaan, mogen wij elkaar vergeven.

Slechts omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad (Joh. 13 : 34), mogen wij ook elkaar liefhebben. Waarom draait u dit alles om?

14. Over de 'vier kernen' valt zeer veel op te merken. Wij willen echter slechts beknopt reageren.

Wij missen een referentie naar de drie kernen van de Reformatie (waaruit de kerken immers voortkwamen): sola fide, sola gratia, sola scriptura (Rom. 1 : 17).

Uw kernen, hoe belangrijk ook, zijn daarvan afgeleid, waarbij wij vooral zeer grote moeite hebben met de derde door u genoemde 'kern': 'de waarheid is ondeelbaar'. Wij herkennen daarin sterk filosofisch getinte begrippen, die verwantschap hebben met het begrippenkader van het rapport 'God met ons' van de Gereformeerde kerken (zie hieronder).

a. Als de Bijbel spreekt over de Rechtvaardiging van de goddeloze, dan is er meteen de verbintenis met het verzoenend werk van Jezus Christus (Joh. 3 : 16, Rom 5, 2 Cor. 5 : 20-21). Waar staat dat bij u? Past hier ook niet een referentie naar het Bijbelse begrip van de Heiligmaking.

b. Wij wijzen u opnieuw op het feit dat u niet refereert aan de talloze plaatsen in de Bijbel, waar over de gemeente gesproken wordt als het lichaam van Christus, of als de bruid. Is de 'kwaadaardige woekering' waarvan wordt gesproken misschien ook niet een teken aan de wand en een bewijs van het feit dat het lichaam ziek is? Is de term overigens niet denigrerend voor die groepen binnen onze kerk, die juist aan Schrift en belijdenis willen vasthouden? Insinuaties horen in een stuk als dit niet thuis.

c. Bij alle gefilosofeer in het mistige gedeelte dat handelt over 'de waarheid is ondeelbaar' missen wij volkomen enige verwijzing naar Hem die gezegd heeft dat Hij dé Waarheid is. In het hier gehanteerde dynamische waarheidsbegrip kunnen wij ons in het geheel niet vinden. Waar haalt u dit alles toch vandaan, behalve uit wijsgerige geschriften? Is uw terminologie ook niet uiterst cryptisch?

Als u beweert zich te kunnen vinden in de belijdenis, waar refereert u dan naar in uw uiterst merkwaardige slotzin over de 'confessionele waarde'? Wij stellen tegenover uw waarheidsbegrip - dat niet het onze is ~, dat wij de opdracht hebben het Pand te bewaren, dat ons is toevertrouwd.

d. De 'Verklaring' spreekt van 'het komende Rijk'. Bekend is dat met name de exegese rond dit begrip in de kerken voor de nodige onduidelijkheid heeft gezorgd. Wordt er daarom geen positie gekozen? Blijft die mistige aanduiding bestaan in de geïntegreerde kerk? Waarom niet nader aangeduid dat Jezus zegt dat Zijn Rijk niet van deze wereld is? (Joh. 18 : 36, 2 Petr. 3 : 13, Hebr. 13 : 14, Phill. 3 : 20, 1 Cor. 15 : 50). Waar en wanneer komt het Rijk van de 'Verklaring'? Er is toch ook nog steeds een rijk van de anti-christ? Verder: al 'de verlegenheid met betrekking tot de overdracht van het geloof, onder meer 'aan onze kinderen' na het eenwordingsproces minder worden? Of heeft dit niet zozeer met kerkstructuur te maken, maar is dit een zaak van het hart? (Deut. 11 : 19).

III. Gemeenschappelijke vragen

15. Het aantal punten, waaruit zou moeten blijken dat er 'ondanks de overeenstemming in belijden nog spanningspunten tussen beide kerken bestaan', komt ons als geheel willekeurig en onvolledig voor. Ze zijn ook niet fundamenteel genoeg. Of heeft dat weer te maken met de 'praktijk'?

16. Gemeenschappelijke vragen gaan derhalve niet in de eerste plaats om de grenzen, maar om het hart en het Hoofd van de kerk. Zoals: Jezus Gods Zoon (Joh. 3 : 17); Christus, voor ons gestorven (Mare. 10 : 45, 2 Cor. 5 : 15); de Eersteling die de Opgestane is (Luc. 24, 1 Cor. 15); Jezus Christus die nu alle macht heeft (Matth. 28 : 18); Christus, het Hoofd van de kerk (1 Cor. 12, Col. 1 : 18). Niet de grenzen van de kerk (de huid van het lichaam) maar het Hoofd is bepalend. Daarvan is alles afhankelijk. In dit verband: s die 'theologie onderweg' vanwege de vele 'waarheden'? Komt dat door het eerder genoemde dynamische waarheidsbegrip?

17. Inderdaad, onze kerken 'hebben geen uitgewerkte leer aangaande de kerk'. Onze kerken hebben na de Reformatie andere prioriteiten gehad dan het ontwikkelen van een uitgebreide dogmatiek, laat staan dat deze als een nieuw juk op de kerken gelegd zou moeten worden. Toch belijdt de kerk in Zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus wel degelijk de kernpunten aangaande de kerk. Dat blijkt geen menselijk bouwsel te zijn (meestal op zand) maar een gemeente tot het eeuwige leven verkoren, door Zijn Geest en Woord, door Gods Zoon zelf in stand gehouden. De visie op kerk en koninkrijk (zie ook 14.d) is daarvan afhankelijk.

18. In de kerk dient niet vanuit het 'Midden' (waarom die hoofdletter) als grootste gemene deler naar de randen te worden gedacht, maar vanuit het Hoofd naar de leden. Opnieuw: is 1 Cor. 12 geen prachtige leidraad? Bij uw gebruik van het woord bekering ervaren wij opnieuw dat weliswaar de klank dezelfde is, de inhoud totaal verschillend van wat de Bijbel bekering noemt; geen 'houding' maar een zaak van het hart, daarna zichtbaar wordend in al ons doen en laten.

19. Over de 'concrete punten' het volgende:

a. Het beeld van 'het licht' in het gedeelte over de tucht is sterk vervormd. Omdat Hij het Licht der wereld is (Joh. 8 : 12), zijn daaraan geen grenzen. Waarom dan dat filofische geredeneer over de grenzen van het licht? De 'identiteit' van de kerk heeft zeker te maken met de punten die worden genoemd, maar waarom de onderlinge herkenbaarheid niet duidelijk gemaakt aan de hand van de gemeenschappelijke belijdenis? Zie met name art. XXVII-XXIX van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

b. Als het gaat over het oordelen over 'welke prediking dan ook' zonder daarvoor zelf verantwoordelijk te zijn, dan betrekken wij daarin, dat in menig geval die verantwoordelijkheid niet langer gedragen kon worden juist door die prediking. De richtingen in onze kerk en de splitsingen tussen de kerken hebben helaas daarmee maar al te vaak te maken. Daaraan voorbijgaan getuigt van oppervlakkigheid; dit afdoen, door negatieve oordelen over 'welke prediking dan ook' niet ontvankelijk te verklaren, getuigt van onoprechtheid.

c. Graag hadden wij in uw gedeelte over 'berouw over zonde' enige Bijbelse referenties gezien. Of is dit zondebegrip gerelateerd aan onvolkomenheden, die wij met enige goede wil kunnen corrigeren? Wij menen dat die zonde alles met de zondaar (niet als onderdeel van een structuur, maar heel persoonlijk) te maken heeft; dat onze Heiland nu precies daarom op deze wereld is gekomen. Wij geloven, dat als een kerk niet op deze wijze over zonde, zondaar, verzoening en rechtvaardigmaking durft te spreken, zij geen bestaansrecht meer heeft (Matth. 9 : 13, Hand. 2 : 37-38). Wij menen dat de kerken zich in de eerste plaats voor God dienen te buigen en te belijden dat 'zij, en al haar leden' voor Hem schuldig staan. Met u geloven wij dat dan ook gevangenen bezocht en dorstigen een beker water zal moeten worden gegeven (Matth. 25 : 31-46).

d. Het begrip 'pluraliteit' wordt geen Bijbelse vulling gegeven. Waarom niet gerefereerd aan de verschillen in genadegaven in de gemeente? (1 Cor. 12 : 28). Pluraliteit moet er derhalve wel zijn, als dit maar valt binnen het belijden van de kerk; het mag geen legitimatie zijn van onze onderlinge verschillen.

20. De alinea over het omgaan met de huidige pluraliteit en de voorgestelde oplossing van de niet-geografische gemeentevorming en de classis van een nieuwe signatuur staat in schrille tegenstelling met de zin: 'Hij die ons verbindt is sterker dan wat ons verdeelt'. Nu één van beide: als we een gemeenschappelijke belijdenis hebben (zoals wordt beweerd in het gehele stuk) dan mag er ook geen enkele sprake zijn van het langs elkaar heen leven in andere vormen van classis of gemeente. Wij proeven dat in deze alinea al het voorgaande wordt ontkend. En uit onze opmerkingen hebt u begrepen dat wij het met die niet uitgesproken constatering helaas eens moeten zijn. De door Samen op Weg gewilde eenheid is er niet echt inhoudelijk; de basis ontbreekt in het geheel.

Wellicht is de gewekte suggestie (van de deelgemeente?) inderdaad een verlegenheidsoplossing. Het komt ons echter voor dat het Samen op Weg proces niet een oprecht en Bijbels gefundeerd gebeuren is. De werkelijke eenheid ontbreekt. Ook de opstellers vinden dit blijkbaar in hun 'Verklaring', gezien de genoemde alinea.

Samen op Weg - als het moet: Ja, maar dan in Bijbels perspectief en niet gedreven door de praktijk. Voorlopig is een federatief verband wellicht het uiterst haalbare.

21. Over het spreken van de kerk het volgende: nimmer mag dit alleen maar maatschappelijk of politiek geladen zijn; de kerk heeft als eerste opdracht te getuigen van het geloof in Hem die haar heeft gezonden in de wereld. De kerk zal derhalve vooral profetisch dienen te spreken.

CONCLUSIE

Onze kerkeraad heeft zeer uitvoerig kennis genomen van het gebeuren rond Samen op Weg en daaraan in haar vergaderingen gedurende de laatste jaren zeer breed aandacht geschonken. Gesprekken met de plaatselijke kerken en samenwerking op het gebied van Evangelisatie waren er gedurende lange tijd. Op grond van de overwegingen hierboven genoemd wijzen wij echter de voortgang van dit proces, dat de hereniging nastreeft van de beide kerken, volstrekt af. Hoewel ons dit zeer verdriet kunnen wij niet anders besluiten.

Een herziening van ons standpunt zou er kunnen komen, mits:

A. In de nieuwe kerk de belijdenis een duidelijke plaats krijgt, waarnaar in de praktijk wordt gerefereerd, die als herkenningspunt dient, en een staf is om te gaan.

B. Er in de nieuwe kerk een duidelijke en legitieme plaats is voor prediking, pastoraat en apostolaat naar Schrift en Belijdenis. Een legitimatie in de vorm van slechts 'anders dan geografischbepaalde gemeentevorming' is een verlegenheidsoplossing.

C. Er in de nieuwe kerk handhaving is van de ambtelijke verbanden en stucturen zoals ook onze kerk die nu kent, waarbij dan wel zou moeten worden rechtgedaan aan de evenredige vertegenwoordiging van de Classes ter Synode.

De aanbiedingsbrief aan de classis is ondertekend door ds. A. Tromp, praeses, en H. van Soest, scriba

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1985

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Reactie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1985

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's