Rechtvaardiging en heiliging in de missionaire arbeid
In het proefschrift van dr. C. S. L. Janse ' Bewaar het pand', waaraan we vorige week aandacht gaven, wordt ergens ook gesproken over de geringe evangelisatorische betrokkenheid binnen bevindelijke kringen, omdat mensen zelf voor eigen hart en leven vaak geen zekerheid kennen, of voor zichzelf moeten zeggen onbekeerd te zijn. We onderkennen dit probleem. Het is overigens hetzelfde probleem, waarop men stuit als het gaat om het aanvaarden van het ambt van ouderling. Hoe kan men getuigen, c.q. anderen onderwijzen in de waarheid als men zelf aan de waarheid vreemd is?
Nog een stap verder echter gaat het - en ook dat is uit de praktijk gegrepen - als zo'n sterke nadruk wordt gelegd op het feit dat heiliging op de rechtvaardiging volgt, dat de heiliging pas in het blikveld komt wanneer een mens weet gerechtvaardigd te zijn of - afgezwakt gezegd - 'veranderd' te zijn. Want bekering tot een net leven is nog geen echte bekering. Zo heet het tenminste.
Tweezijdig probleem
Het geschetste probleem is dus tweezijdig. Kan iemand, die nog niet bekeerd is, een ander tot bekering roepen? En anderzijds, is het verantwoord om mensen primair tot bekering te roepen in de zin van lévensverandering, afwending van het oude leven? Beide zaken hebben immers te maken met rechtvaardiging en heiliging!
De Heidelbergse Catechismus houdt beide zaken dicht bijeen. In zondag 20 wordt gesproken over 'God de Heilige Geest en onze heiligmaking'. En pas daarna - in zondag 21 - wordt gesproken over de rechtvaardigmaking. Het is volstrekt niet belangrijk in welke volgorde deze vragen en antwoorden van onze Heidelberger staan. Ze staan vlak bij elkaar. De ene zondag kan om zo te zeggen niet zonder de andere.
Rechtvaardiging en heiliging zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Bovendien is het zo dat de catechismus puur geestelijk over de heiligmaking spreekt. De Geest maakt mij Christus en Zijn weldaden deelachtig. De Zoon van God vergadert zich een gemeente, verkoren tot het eeuwige leven, door Woord en Geest. En gemeenschap der heiligen houdt in dat de gelovigen 'allen en een iegelijk' gemeenschap hebben aan de schatten en gaven van Christus en zich schuldig weten hun gaven 'ten nutte en ter zaligheid' der andere lidmaten met vreugde aan te wennen. Daarop volgen de vragen over de vergeving der zonden, de opstanding des vleses, het eeuwige leven en de rechtvaardiging. En daarna wordt ook nog een keer afgerekend met de gedachte dat onze goede werken zelfs maar een deel van onze gerechtigheid voor God uitmaken. Door het geloof wordt een zondaar gerechtvaardigd; en de heiliging van het leven is er geheel mee verweven, niet wettisch, niet plichtmatig maar genade-matig.
Terugkomend op de vraagstelling of iemand, die geen genade kent, anderen wel kan oproepen tot geloof en bekering moet dunkt me voorop staan dat de eis tot bekering ieder geldt, ook diegene die roept. Maar verder is het toch zo, dat de waarde van de roeping niet ligt in de persoon, die roept, maar in het Wóórd van Gods genade. Bovendien is het zo, dat we toch niet een bepaalde trap in het geloof bereikt moeten hebben vóór we van en uit het Woord mogen getuigen, nog afgezien van het feit dat de rechtvaardiging niet een bepaalde trap in het geloof is maar wezenlijk tot het geloof behoort. Het geloof, hoe zwak ook rechtvaardigt voor God.
Is het ook niet de ervaring van velen, bijvoorbeeld ook van ambtsdragers, dat, wanneer men erop uit trekt om van en uit het Woord te getuigen, men er zélf door gezegend wordt en verdieping ontvangt in het leven der genade? De Schrift zegt dat de zegenende ziel vet gemaakt zal worden. Dat geldt met name ook in de missionaire arbeid, hoewel voor alle dienst in het koninkrijk Gods. Kortom, 'allen en een iegelijk' zijn we geroepen onze gaven tot nut en zaligheid van andere hdmaten aan te wenden. Maar ook om anderen tot de zaligheid te roepen door het Woord Gods, waaraan de Geest zich paart.
Oproep
Waarop moet de oproep zich richten. Welnu het gaat om de bekering van hart èn léven, onlosmakelijk verbonden. Het gaat om de bekering tot God. Maar die bekering is tevens afwending van het oude leven. Al te oppervlakkig kunnen we zeggen dat bekering tot een net leven nog geen echte bekering is. Toegegeven, er zijn duizenden nette mensen, ook nette christenen, die vreemd zijn aan het leven der genade. Levensheiliging - het zij nogmaals gezegd - staat eveneens onder de genade als de rechtvaardiging. Heiliging ook is werk van de Geest en dus geestelijk. Maar in de missionaire arbeid zal toch ook de wekroep tot bekering van een goddeloos leven moeten en mogen worden gehoord. En dan mag dunkt me ook onvoorwaardelijk worden gezegd dat Christus macht heeft om tot levensvernieuwing te brengen en ook metterdaad levens vernieuwt. Is het ook niet de praktijk van missionaire arbeid dat soms het geestelijk leven van mensen, die uit de buitenkerkelijkheid tot de kerk gekomen zijn, begon doordat ze eerst de roep tot levensvernieuwing hebben gehoord!
Recent hoorde ik iemand, die zijn leven in de dienst van het Evangelie en heel concreet in de evangelisatiearbeid heeft besteed, zeggen dat een notoire dronkaard door de boodschap dat Christus macht heeft ook zijn leven te veranderen daadwerkelijk tot levensverandering, tot bekering kwam. Nu bekleedt hij een ambt in de gemeente des Heeren.
Het is goed om rechtvaardiging en heiliging dogmatisch te onderscheiden, maar in het getuigenis, in de missionaire arbeid zijn ze niet van elkaar te scheiden. Mens en samenleving moeten worden opgeroepen tot gehoorzaamheid aan het gebod Gods - want ook dat is een aspect van de levensheiliging - in de wetenschap dat het gebod Gods de mens ten goede is. Het Evangelie is goede tijding voor hart en léven.
Het is onmogelijk - zegt de Heidelberger - dat wie Christus door een waar geloof is ingeplant niet vruchten der dankbaarheid zou voortbrengen. Onze goede werken hebben dus niets wettisch, ze zijn vruchten van het geloof. Maar zo mag de van het Woord vervreemde mens van onze tijd ook die boodschap van levensvernieuwing horen, heilzaam voor hemzelf, merkbaar in zijn omgeving.
Waarmee ik maar zeggen wil dat het niet niets is als ook vandaag mensen uit de krochten van de zonde, uit de sfeer van de machten van onze tijd het Woord van Christus horen mogen, 'Mij is gegeven alle macht' en daardoor tot verandering komen. Dan zullen ze later, onder de verkondiging en in de lering van de kerk wel leren hoe rechtvaardiging en heiliging dogmatisch onderscheiden zijn. Maar in het appèl tot bekering zijn ze onlosmakelijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1985
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1985
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's