De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

De kerk en de zwakzinnige

De voormalige directeur van het revalidatiecentrum 'De Hoogstraat' in Leersum, dr. A. Verkuyl, gaf eens als gemeenschappelijke noemer voor het lijden een verbroken of gestoorde communicatie. Daaraan moest ik denken bij de lezing van een interview/artikel in Hervormd Nederland (22-6) met ds. A. Trapman naar aanleiding van een studie over de kerk en de zwakzinnigen, uitgegeven door het Christelijk centrum voor geesteszwakken De Hartenberg, te Ede. Ds. Trapman is daar werkzaam als predikant. Hij kent de problematiek van binnenuit in zijn eigen gezin. Trapman wijst er op, hoe het krijgen van een zwakzinnig kind voor ouders een 'immense psychische schok' betekent. 'Het is alsof je wereld in elkaar stort.' De eeuwen door hebben mensen meestal met afkeer, soms ook met liefde op de zwakzinnige gereageerd, zegt hij. Hij geeft schokkende voorbeelden uit de Middeleeuwen, maar ook iemand als Luther heeft hier vreselijke uitlatingen gedaan, gevangen als hij was in middeleeuws volksgeloof, aldus Trapman, waarbij zwakzinnigheid en de satan met elkaar verbonden werden.

'Het dieptepunt hgt echter niet in de begintijd van onze beschaving, maar in het zogenaamde hoogtepunt ervan, in onze moderne eeuw. Tussen september 1939 en augustus 1941 werden in Hitler-Duitsland zestig-tot zeventigduizend zwakzinnigen door vergassing of vergif om het leven gebracht. Hitler had een haast paranoïde angst voor het verlagen van het arische ras. Daarnaast speelden óok economische motieven een rol: wie niet kon werken, hoefde ook niet te eten. "Men verzorgt toch ook geen onkruid?"

Maar het zijn toch juist de kerken die door hun protest een eindmaakten aan de "euthanasie"-actie van Hitler?

Hij moest stoppen vanwege de protesten uit de bevolking, die door enkele voorgangers van de evangelische en rooms-katholieke kerken waren opgewekt. Van doorslaggevende betekenis is de preek van de bisschop van Münster, Clemens von Galen, op 3 augustus 1941 in de Sankt Lambertus Kirche, over "Mord an unproduktiven Menschen", die in groten getale in heel Duitsland werd verspreid en toegezonden aan soldaten aan het oostfront. Vooral dat laatste moest illegaal gebeuren.

Toch doet het wrang aan, dat Von Galen de bevolking alleen tot dit protest heeft kunnen brengen onder het motto: vandaag de zwakzinnigen, morgen de geesteszieken, de dementerenden, de overige gebrekkigen en onproduktieven. Dat laatste maakte zeker de verminkte soldaten ongerust. Zwakzinnig kon men niet worden, maar wel gehandicapt, dement of anderszins gebrekkig en dan liep men zelf gevaar. Wanneer Hitler had bepaald dat alleen zwakzinnigen onder deze "euthanasie"-actie konden vallen, zouden de protesten wel minder sterk zijn geweest.

De kerk heeft in de geschiedenis van de zwakzinnigenzorg het tegendeel van een monument van liefde en barmhartigheid, hulp en toewijding opgebouwd. Toen de kerk zelf nog een onderdrukte minderheid was, arm en vervolgd, had ze ongetwijfeld wel aandacht voor alle zwakken in de samenleving. Toen ze daarna in een bevoorrechte positie kwam, veranderde dat. Ze veranderde meer en meer in een organi­satie die zich diep ingroef in deze wereld en meer beheerst leek te worden door de geest van de tijd dan door de geest van Christus. Ze heeft sterk onder druk gestaan van de heersende sociale en culturele inzichten en van de stromingen van de haar omringende wereld. In de middeleeuwen was die kerk een macht geworden en bepaalde ze in hoofdzaak de moraal en het gezicht van de samenleving, terwijl ze ook veel invloed had op de rechtspraak. Sinds de Renaissance heeft de kerk steeds meer macht en gezag verloren. Het verrassende daarbij is, dat naarmate de kerk minder te zeggen kreeg, de situatie van de zwakzinnigen verbeterde. Het is bekend, dat de kerk invloeden van buiten af maar langzaam assimileert en dat betekent tegelijk, dat ze zich ook langzaam aan vorige invloeden ontworstelt. Niet de theologen, maar de pedagogen hebben allereerst de moeite genomen de zwakzinnigen te leren kennen en hen bezig te houden.

Ik bedoel hier de officiële kerk, de leidinggevende organen, de top. Daaronder trok men zich hun lot daadwerkelijk aan. De zwakzinnigenzorg zoals die in de vorige eeuw in ons land van de grond kwam, werd alleen mogelijk dank zij christelijke filantropie en niet dank zij de diakonie. Toen de kerk na de tweede wereldoorlog onder druk werd gezet, veranderde er iets. In 1965 werd in Rome beraadslaagd over de inlijving van de zwakzinnigen in het kerkelijk leven. Ook in de protestantse wereld werd het manco van de kerk aan het licht gebracht.'

Uit deze voorbeelden blijkt, hoezeer de visie op de mens in zijn of haar relatie tot God, de naaste en de hem of haar omringende wereld van betekenis is op de houding ten opzichte van de zwakzinnige. Het is schokkend te ontdekken hoe ondanks beïnvloeding door het Evangelie ook christenen , de eeuwen door horig zijn geweest aan een onbijbels mensbeeld, waarin geen plaats was voor de zwakke. Trapman verklaart het feit dat de kerk het vaak liet afweten wat betreft haar zorg voor de zwakzinnige uit het gegeven van de kerk vaak meer leergemeenschap dan leefgemeenschap en liefdesgemeenschap geweest is. Over de aangepaste diensten schrijft Trapman het volgende:

'Maar er zijn tegenwoordig toch "aangepaste diensten" voor zwakzinnigen in veel parochies en gemeenten?

Ja, maar het bezwaar van sommigen is, dat deze diensten worden gehouden tussen de beide hoofddiensten in, wat volgens hen een zekere discriminatie betekent. Een merkwaardig feit daarbij is, dat deze diensten oecumenisch zijn, maar dat die opzet verdacht aandoet. Kerken die in de praktijk langs elkaar heen leven en waarvan sommige zelfs niet tot een gesprek met elkaar bereid zijn, werken wel samen in deze diensten. Je kunt je afvragen of rond deze diensten voor zwakzinnigen de victorie van de oecumene begint, of dat men ervan uitgaat dat de oecumene hier geen schade kan doen. Vermoedelijk zal deze vraag naar waarheid worden beantwoord, als men in deze diensten ook de sacramenten wil gaan vieren. Welke kerken zullen dan afhaken?

In een gespreksgroep met hogere zwakzinnigen, die met elkaar kunnen praten, hebben we een hele winter over de kerk gepraat. We begonnen bij het topje: wat staat er bovenop die kerk? "Een haan." "Nee", zei een ander, "een kruis". Iedereen vond dat maar gek. Toen kwamen de verschillen ter sprake: de een was protestant, de ander rooms-katholiek. Ze zaten daar mee, wat vreemd was dat. Toen zei er een: "Maar hou jij dan niet van de Heere Jezus?" "Natuurlijk wel", zei hij. Toen was alom de reactie van: nou ja, wat zitten we dan te zeuren? Dat werkt bevrijdend. Ze dwingen ons tot (her)bezinning over het wezen van de liturgie. Door hun spontane deelneming confronteren ze ons met onze manier van vieren. Ik geloof, dat wij volwassen twintigste-eeuwers inderdaad zijn verstrakt, zoals Herman Verbeek schrijft: "Onze liturgie is vaak een woordenspel geworden. Onze oren zijn overvraagd. De kerk doet voornamelijk een beroep op ons zitvlak. Liturgie is een uur op stoelen. Saaier is niet denkbaar. Maar een zwakzinnig kind vraagt: neem je de trommels mee? Mogen we in de kring dansen? Water petsen? Wie mag de kaarsen aansteken? Wanneer gaan we bloemen vlechten? Hebben we zondag weer feest op de hei? De zwakzinnige staat van nature, van binnenuit, dichter bij het wezen van de liturgie en heeft er meer gevoel voor dan de doorsnee kerkganger, die passief, consumerend op zijn kerkbank zit vastgeplakt".' Ook de houding, die de samenleving inneemt is hier van gewichtige betekenis. Zeven tot tien procent van de Nederlandse bevolking is min of meer zwakzinnig.

'Is dat weinig? De zwakzinnige staat bovenaan de lijst van "gevallen" die voor abortus en euthanasie in aanmerking komen. Rondom de zwakzinnige speelt een aantal religieus-ethische vragen waarbij de kerk zich niet afzijdig mag houden in het meedenken en zoeken naar antwoorden en oplossingen. Denk eens aan het genetisch-en erfelijkheidsonderzoek, dat aan jonge mensen enorme vragen kan stellen. De uitslag van zulk onderzoek kan verdriet, lijden, onzekerheid oproepen. Als bij prenataal onderzoek blijkt, dat vrijwel zeker een zwakzinnig kind kan worden verwacht, is zwangerschapsonderbreking dan gerechtvaardigd of niet? Zulke aanstaande ouders worden door medici vaak tot abortus gedwongen. Is dat ethisch verantwoord? En welke criteria gelden hier? En: heeft de zwakzinnige recht op seksualiteit? Ook hij heeft zijn seksuele driften en verlangens. Er is een discussie op gang gekomen over de vraag of de zwakzinnige moet worden gesteriliseerd. Welke motieven mogen doorslaggevend zijn om aan de zwakzinnigheid van de zwakzinnige nog een handicap toe te voegen? Welke consequenties kan sterilisatie hebben voor het gedrag van de zwakzinnige jonge vrouw? Dat zij nu haar gang kan gaan, omdat haar "niets meer gebeuren kan"?'

Trapman ziet als taak van de kerk als een moeder over de zwakzinnigen te waken zodat ze niet onbeschermd in deze materialistische wereld staan en niet opnieuw op economische gronden slachtoffers worden van vermeende barmhartigheid. De studie van ds. Trapman draagt als titel 'De minste allerminst'. Wat er uit weergegeven is in dit artikel laat zien hoe weinig we vaak toekomen aan doordenking, beleving en een adequaat handelen ten aanzien van onze houding jegens deze minsten die Christus Zijn broeders noemt. Hier ligt ook voor een diakonaat, dat bij de tijd wil zijn een wijd veld. Moge juist de kerken in deze maatschappij op dit punt een voorbeeldfunctie vervullen.

***

Merkwaardige verklaringen

In het Hervormd Weekblad van 20 juni geeft ds. K. W. Slik enkele staaltjes van inlegkunde, fantasie en merkwaardige uitspraken in door hem beluisterde preken. Uit zijn artikel citeren we het volgende:

'Een andere keer werd gepredikt over de gelijkenis van de Verloren Zoon. De titel die de vertalers aan deze gelijkenis gegeven hebben heeft te veel de nadruk gelegd op de jongste zoon in dit verhaal. Jezus heeft gesproken over een vader en zijn twee zonen. Maar dit is terzijde opgemerkt. In de preek werd met veel kleur en verve beschreven de boerderij van de vader. De predikant was afkomstig uit Zeeland en ieder die dit gebied kent, wist dat het een hofstede was uit die provincie. Het was wel wat vreemd om een dergelijk bedrijf zich in te denken in het Joodse land. De kamer, waarin de vader voor het raam stond uit te zien naar de terugkeer van zijn jongste zoon, werd even kleurrijk beschreven. En toen kwam het. Aan de balken van dat vertrek hingen de hespen (hammen). Denkt u in: Bij een Joodse boer hangen hammen aan de balken! Varkensvlees! Het was te zot om los te lopen.

Weer een andere keer. Gesproken werd over Jezus nam in zijn gemeenschap op en at met hoeren, tollenaars en zondaars. De prediker vertelde uitvoerig, dat de Farizeeërs zich zeer geërgerd hadden, dat Jezus met deze lieden omging. Maar, zo zei hij, zij wisten niet dat Jezus voordat Hij met deze mensen een maaltijd ging houden zeer ernstig met hen gesproken had, gewezen had op hun zondig leven en opgeroepen had zich te bekeren. Pas nadat zij zicht bekeerd hadden, mochten zij met Hem eten.

Natuurlijk waren er ook onder hen die zijn woorden niet hadden willen aanvaarden, maar die mensen zullen er immer wel blijven. Het kwam er op aan dat wij ons zouden bekeren, want dan mochten ook wij met Jezus het Heilig Avondmaal vieren.

Dit staat nergens in de teksten. Het was fantasie van de dominee. Wie zo de teksten verklaart doet ze geweld aan.

Wij gaan verder met een volgende preek. Deze handelde over de rede van Jezus over de laatste dingen uit Markus 13. Daar spreekt onze Heer over valse profeten en valse Christussen. De valse profeten waren zij die het Evangelie niet verkondigen op de wijze waarop het in de kerk en vooral in de richting waartoe de predikant behoorde gedaan werd. Vooral verschillende sekten vielen onder dit oordeel. De valse Christussen waren zij die een andere heilsleer verkondigden dan het Evangelie. Hieronder vielen Marx en Lenin en andere leiders van het socialisme. Zelfs de paus van Rome als zodanig genoemd. Het klonk overtuigend, maar wie iets weet van de tijd waarin Jezus deze woorden gesproken heeft, weet dat al deze mensen niet door onze Heer bedoeld zijn. Toen woedde een ondergrondse oorlog tegen de Romeinen. De leiders van dit verzet werden genoemd: profeten en Christus (Messias). Tegen deze profeten heeft Jezus gewaarschuwd, omdat door hen een ramp over het Joodse volk zou komen. De verwoesting van Jeruzalem heeft Hij voorzegd.

De laatste grote verzetsstrijder van de Joden is Bar-Kochba geweest en hij werd beschouwd als de Messias die door Israël verwacht werd. De beroemde en nog steeds door de Joden geëerde rabbi Akiba is als martelaar voor hem gestorven.

Deze woorden van Jezus krijgen pas hun werkelijke waarde wanneer zij gelezen en verstaan worden vanuit de historische achtergrond. Wie dat niet doet laat zijn fantasie, hoe goed ook bedoeld, te veel de vrije hand.

Nu wij toch schrijven over de noodzaak kennis te nemen van de tijd waarin de teksten ontstaan zijn, wil ik u het volgende niet onthouden. De predikant preekte over de uittocht uit Egypte. Op zondagsschoolmanier werd ons nog eens verteld wat wij al vernomen hadden bij de schriftlezing. Hoewel mij dit en velen met mij altijd onaangenaam is - wij zijn immers volwassen mensen en geen kinderen - was het het ergste niet. Dat kwam toen de voorganger ging spreken over God, de Heere, verhardde het hart van de farao. Dit hart, werd ons meegedeeld, was werkelijk steen geworden. De waarheid van deze tekst bleek bij het vinden van de mummie van die farao. Op de plaats van zijn hart werd een steen gevonden. Gods woord is betrouwbaar!

In de kerk was het die morgen zeer warm en met mijn zakdoek had ik al meerdere keren mijn gezicht afgeveegd. Dit behoedde mij voor een misstap. De zakdoek hield ik stijf tegen mijn mond gedrukt om een schaterlach te onderdrukken. Het was dan ook pure onzin. De eerwaarde heer had iets gelezen over mummies, maar wist in de verste verte niet wat die steen was. Op de plaats van het hart wordt meestal een stenen kever gevonden, een scarabee.

Deze kever is de afbeelding van een Egyptische hieroglyph, die het werkwoord "worden" weergeeft. Dit moet verbonden worden met de opgaande zon. De zonnegod, die uit het dodenrijk triomfantelijk verschijnt. Een nieuwe scheppingsdag en een nieuw leven. Aan dat nieuwe leven heeft de overledene deel door die scarabee. Bovendien was het nog een andere vergissing. Tot dusver is nog nimmer met zekerheid vastgesteld wie de farao van de verdrukking geweest is. Hoe kan dan gesproken worden over de mummie van die farao. Zulke mooie verhalen kunnen beter niet verteld worden.'

Ik denk, dat dergelijke voorbeelden illustreren hoe hachelijk b.v. beeldgebruik in een preek is, hoezeer we bedacht moeten zijn bij het vertellen van het verhaal niet onze fantasie de vrije loop te laten. De 'moraal' van het verhaal van ds. Slik is: Predikers zorg voor een grondige en nauwgezette exegese, die u behoeden kan voor dergelijke 'uitglijders'. Dat is terecht. Niettemin is een preek meer een uitlegkundig exposé. Elke keer is er de worsteling: hoe breng ik de boodschap zo dat deze landt in de levens van hoorders? Wat is de functie van het voorbeeld, de goedgekozen illustratie? Hoe kom ik tot de echte aktualiteit (iets anders dan gewilde aktualismen!)? Ieder heeft daarin zijn eigen gaven. Maar - en dat onderstreep ik gaarne - de dienst aan het Woord vraagt de grootste zorgvuldigheid, opdat we niet onze fantasie en 'spielerei' aan het woord laten, maar het Woord van onze God. Daarvan kunnen we ons niet genoeg rekenschap geven.

A. N.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1985

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1985

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's