De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Jongeren, kerk en gezin

Enkele weken voor Pinksteren publiceerde het dagblad Trouw een artikel naar aanleiding van een doctoraal-scriptie van drs. Van der Ploeg over jongeren, die de kerk verlaten. Van der Ploeg had hiertoe een betrekkelijk klein aantal jongeren geïnterviewd. Zijn conclusies riepen nogal wat reakties op. Een van die reakties trof ik aan in Evangelisch Commentaar van 31 mei van de hand van prof. K. A. Schippers uit Kampen:

'"De oorzaken van de onverschilligheid en het ongeloof liggen in de opvoeding", concludeert Van der Ploeg in zijn scriptie "Het lege testament, een onderzoek onder jongere kerkverlaters", zo lees ik in Trouw van 18 mei jl. Verder lezend ontdek ik dat het 'jongerenprobleem' van de kerk een mythe is, want niet de kritiek van de jongeren op de kerk is de belangrijkste reden van kerkverlating maar onverschilligheid. Het gereformeerd-zijn van ouderen en anderen bestond uit niet veel meer dan betekenisloze gewoonten en uiterlijkheden! En de hem begeleidende docent doet nog eens uit de doeken, dat binnenkerkelijke secularisatie (simpel gezegd: de ouderen geloven er niet meer in) de feitelijke oorzaak is van het zich afkeren van de kerk. Ik heb de scriptie nog niet gelezen en moet afgaan op kranteberichten. Het gaat mij dan ook alleen om de presentatie. De stelligheid waarmee deze conclusie op grond van 17 interviews wordt geponeerd, grenst aan het ongelofelijke. Gelukkig heeft dr. G. Dekker, godsdienstsocioloog aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, onmiddellijk gereageerd met een genuanceerd betoog waaruit blijkt hoe onverantwoord een dergelijke concludering is.

Nu zou men kunnen denken dat een reactie als de mijne voortvloeit uit de weigering om een voor de kerk niet zo prettige boodschap te accepteren. Dat recept is al eeuwen bekend. Men doet een aanval op de boodschapper. Maar zo gemakkelijk valt het in dit geval niet af te doen. Wat immers met zoveel ophef als een nieuwe ontdekking wordt bekend gemaakt, is in feite al heel vaak gezegd en geschreven. Dat het jongerenprobleem van de kerk in hoge mate een ouderenprobleem is, hebben velen reeds geconstateerd. Dat de geloofsopvoeding in de gezinnen te wensen overlaat, is een open deur. Dat de crisis niet te keren is met oppervlakkige veranderingen op grond van kritiek op de kerk, kan iedereen intussen ook weten. Maar zelfs in de feiten ligt het allemaal wat genuanceerder. Uitspraken van jongeren over de kerkdiensten en de preken in het onderzoek van Van der Ploeg zelf, liegen er niet om. Dus er bestaat wel degelijk kritiek op de kerk. Maar zelden of nooit kom je zulke simplistische conclusies tegen, waarin wat zeventien jongeren zeggen wordt uitgesmeerd over duizenden andere plus hun ouders. Nu is dat op zich nog niet zo schokkend. In het wetenschappelijk bedrijf maken we wel vaker fouten. Daar valt over te discussiëren en eigenlijk horen dergelijke conclusies daar ook thuis: in het veld van de wetenschappelijke uitwisseling van gedachten. En misschien blijkt bij lezing van de scriptie zelf dat de soep toch niet zo heet gegeten wordt.

Maar de presentatie is hard aangekomen bij die ouders die ondanks een gewetensvolle opvoeding hun kinderen of een deel van hun kinderen hebben zien gaan. Dat was niet nodig geweest.'

De oorzaken van kerkverlating, vroeger en nu, zijn niet in een enkel woord samen te vatten. Ook over de betekenis van een christelijke opvoeding kan men zich niet in enkele zin uitlaten. Terecht wijst Schippers op het gevaar van een gebrek aan pastorale bewogenheid, wanneer uit betrekkelijk weinig cijfers harde, ongenuanceerde conclusies getrokken worden. Kritiek is soms nodig, ook wanneer die kritiek schokkend overkomt. Maar kritiek zonder liefde en bewogenheid is onbarmhartig en verkeerd. Zeker, wanneer het gaat om de geloofsopvoeding is voorzichtigheid te bepleiten. Geloven is geen kwestie van opvoeding. Ook de Bijbel weet van het raadsel van het ongeloof bij kinderen die Godvrezende ouders hadden, en omgekeerd van het wonder van het geloof in situaties die ons doen huiveren. Zo geheimnisvol is het werk van de Geest. Wij kunnen dat nooit in schema brengen via enquêtes en interviews. Intussen blijft een dergelijk onderzoek, hoe smalletjes ook, wel een signaal.

***

Diakonaat op het platteland

In toenemende mate vraagt het diakonaat aandacht en krijgt het die ook. Dat is een verheugende zaak. In Woord en Dienst van 22 juni schrijft Hanne Wilzing, diakonaal consulent, over diakonaat op het platteland. Op het dorp, zegt de schrijver, liggen de noden niet op straat. Wat kan een diakonie ten plattelande doen? Wilzing wijst op de betekenis van goede contacten om goede om achter verborgen nood te komen. Diakonaat heeft ook te maken met de vraag, hoe we over de ander spreken. Op dorpen moet soms opgetornd worden tegen roddel, kwaadsprekerij. Immers als iedereen iedereen kent...! Maar er zijn ook andere problemen:

'Op het platteland spelen ook een aantal andere specifieke problemen. Bijvoorbeeld voor de melkveehouders. Melkveehouders hebben en krijgen in toenemende mate te kampen met de gevolgen van de E.G. maatregelen om de melkproductie in Europa terug te schroeven. Gepoogd wordt om dit te bereiken via het stellen van kwantums (max. hoeveelheden die elke boer mag produceren). Indien een boer meer produceert dan het voor hem gestelde kwantum, dan ligt er op elke liter teveel geproduceerde melk een strafkorting. Het principe van de zogenaamde superheffingen. Onlangs werd aangekondigd dat dit kwantum verlaagd zal worden. Een gemiddelde veeboer mag nu niet hoger komen dan plm. 90% van z'n vroegere productie. Dat is ingrijpend omdat er vaak bij de in het verleden gedane investeringen wel op volledige productie en groei gerekend is. Veel boeren leven ook in onzekerheid omdat de maatregelen zo ondoorzichtig zijn.

Wat doen we vanuit de kerk en de diakonie met dit gegeven? Het gaat hier om medebewoners van ons dorp en regelmatig om "huisgenoten" van het geloof. Wat is dan "dienen" in zo'n situatie? Minimaal is dat: laten merken dat je nabij wilt zijn. Diakonaal huisbezoek. Dat is concreet gemeente-zijn. Dat is ook het tegenovergestelde van: maar wegblijven omdat je toch niets op kunt lossen. Misschien kan en moet er financieel tijdelijk vanuit de diakonie ondersteund worden. En het is nodig om zicht te krijgen op de oorzakenkant. Indien er een bepaalde groep mensen vanwege politieke maatregelen structureel in de knel raakt en niet meer kan leven dan deugen dergelijke maatregelen niet. De diakonie heeft dan de profetische taak om, naast de individuele bijstand te bevorderen dat dergelijke maatregelen aan de kaak worden gesteld. Ze kan dat doen door de problematiek op een classicale vergadering aan de orde te stellen of door de zaak ter tafel te brengen bij de Provinciale Diakonale Commissie in haar kerkprovincie.

Een andere zaak die momenteel op het platteland actueel is, is die van de overbemesting. Dat we als kerk vanuit de opdracht van het rentmeesterschap een verantwoordelijkheid hebben voor de schepping is gemakkelijk uitgesproken. Maar wat betekent dat ten aanzien van deze problematiek van de overbemesting, waar ons milieu de dupe van wordt? Dat is geen zaak die we af kunnen wentelen op onze boeren, maar ook niet op onze kinderen en hun kinderen. Ook hier dient over gesproken te worden in onze kerkeraden, jeugdverenigingen en catechisatiegroepen. En als er daar niet over wordt gesproken dan hebben diakenen de taak om te zorgen dat dit wel gebeurt.

Diakonaat begint dichtbij, maar blijft daartoe niet beperkt. Ook kleine dorpen vormen een onderdeel van een wereldsamenleving. Via het werelddiakonaat helpen we niet alleen, maar via het werelddiakonaat worden we ook geholpen. Immers bij het werelddiakonaat gaat het er om dat kerken in Nederland en kerken over de grenzen elkaar helpen om Kerk te zijn. De Evangelische Kerk van Kameroen wordt door ons geholpen bij haar diakonale taak doordat we via zending en werelddiakonaat gelden ter beschikking stellen voor bijvoorbeeld de boerderij in Ndoungué.

Diezelfde kerk van Kameroen helpt ons echter ook. Bijvoorbeeld door ons te leren over eigen vaak enge, kerkelijke gemeente-grenzen of landsgrenzen heen te kijken en om zo te ontdekken dat het lichaam van Christus groter is en meer leden omvat dan de 500 zielen van de eigen gemeente.

Om een en ander goed in de gemeente aan de orde te kunnen krijgen is een plaatselijke werkgroep werelddiakonaat (samenwerkend met de zendingscommissie) van belang. Jammer genoeg ontbreekt zo'n werkgroep vaak in kleine gemeenten.'

Levend diakonaat is een zaak van de gehele gemeente. Persoonlijke en structurele noden komen dan in het vizier. En er blijkt meer samenhang te zijn met de andere taken van de kerk, dan vaak vermoed wordt. Wel vraagt wat Wilzing aan mogelijkheden oppert, een gemeente-zijn, waarin de gemeenschap ook echt beleefd wordt. Wij zijn er niet met een paar organisatorische knopen door te hakken. Ook de prediking kan veel betekenen, als vanuit het hart van het Evangelie duidelijk mag zijn, wat echte gemeenschap in Christus betekent. Plaatselijk en wereldwijd.

***

De part-time predikant

Over deze zaak schrijft dr. C. Bezemer in het Hervormd Weekblad van 27 juni. Met name in Friesland treffen we vele part-time predikanten aan, d.w.z. predikanten die b.v. voor de helft of voor 3/4 van de werktijd op 2/3 deel beroepen worden. Ook de honorering is uiteraard daaraan aangepast. Voor vele kleine gemeenten, die niet meer in staat zijn een volledige predikantsplaats te bekostigen biedt zo'n part-time predikantschap mogelijkheden. Soms zijn er combinatie-mogelijkheden in de richting van het onderwijs. Soms ambieert iemand opzettelijk een deeltijdfunctie. Toch is de kwestie minder eenvoudig dan het er op papier uitziet. Bezemer wijst op het volgende:

'Voor kerkeraden van gemeenten, wier financiële middelen niet toereikend zijn om een predikant te beroepen, is de verleiding groot om door een part-timer te beroepen toch "een predikant te hebben". Nu zijn hiervan ook uit het verleden voorbeelden te noemen, die zowel voor de betrokken gemeente als voor de predi­kant een goede "oplossing" bleken te zijn in de situatie, waarin beide verkeerden. De gemeente was geholpen en de predikant hoefde zijn betrekking, die ook geen full-time baan was, maar waaraan hij zeer gehecht was, niet op te zeggen. In het verslag van de Commissie voor het beroepingswerk wordt evenwel terecht opgemerkt, dat men er zich wel op moet beraden welke taken wel en welke niet aan de predikant worden toevertrouwd. "Het gaat immers niet", zo wordt gezegd, "om de beroeping van een goedkope predikant, die slechts een beperkt aantal dagen voor de gemeente beschikbaar is." Waaraan nog wordt toegevoegd: "Goede afspraken vooraf en schriftelijke vastlegging van de werkzaamheden zijn noodzakelijk".

We moeten ons wel afvragen of ondanks en misschien wel ten gevolge van die "goede afspraken" geen problemen kunnen rijzen, omdat er altijd mazen in een net zijn, waar toch weer doorheen gezwommen kan worden.

Een part-time baan van twee à drie dagen per week vormt in allerlei takken van arbeid geen enkel bezwaar. Maar voor een part-time predikantschap bestaan er wel bezwaren. Onverwachte gebeurtenissen, zoals ziekte, overlijden (met de daaraan verbonden begrafenis), problemen, die zich kunnen voordoen in een gezin of familie, vallen meer dan eens buiten de geplande "werkdagen". Moet en kan de predikant dan zeggen, dat gewacht moet worden tot die en die dag, wanneer hij of zij weer beschikbaar is voor de gemeente?

Het komt erop neer, dat het stellen van deze vraag tegelijk haar beantwoorden is. Dit kan niet. Maar dan is de kans wel groot, dat de twee of drie dagen uitlopen naar meer dagen per week. Als dit tenminste mogelijk is, want het kan zijn, dat de predikant door andere werkzaamheden gebonden is en voor een uitgebreider pastoraat geen gelegenheid heeft. Wie ervaring heeft in het pastoraat, weet dat dit practisch niet op bepaalde dagen is vast te leggen.

En hoe zit het met de eventueel verrichte "meerarbeid"? Moet die door de kerkvoogdij extra vergoed worden? Moeten ook daarvoor "goede afspraken" gemaakt worden, die ook weer een bron voor allerlei onenigheden kunnen zijn? Een andere vraag is: Hoe reageren de gemeenteleden? Het is wel gemakkelijk gezegd, dat ze maar begrip moeten opbrengen voor de situatie, omdat geroeid moet worden met de riemen, die men heeft, maar de ervaring leert, dat dit begrip heel dikwijls niet wordt opgebracht: Dit geldt niet alleen met het oog op het part-time predikantschap. ledere predikant krijgt daarmee te maken, maar met het oog op de part-time predikant zijn deze zaken veel urgenter.

Van niet gering belang is of de part-time predikant in of buiten de gemeente woont. Het laatste zal meer dan eens het geval zijn. Van de predikant uit gezien wellicht een positief punt, omdat hij dan moeilijker bereikbaar is en zich op zijn "vrije" dagen gemakkelijker verontschuldigen kan. Van de gemeente uit gezien is er veel meer sprake van een negatief punt. Nog afgezien ervan, dat in noodgevallen niet ineens een beroep op hem gedaan kan worden, is de binding aan de gemeente en dus ook aan de gemeenteleden veel losser dan wanneer de woon- en verblijfplaats binnen de gemeente gelegen zijn. Het belang hiervan moet niet onderschat worden. De "gewone" omgang met elkaar als mens tegenover mens, een praatje op straat, op het postkantoor, in een of andere zaak of waar dan ook, kunnen soms wonderen doen. De part-time predikant, die buiten de gemeente woont, zal hiervoor niet zoveel gelegenheid hebben. Ook het winterwerk (allerlei avondbijeenkomsten) zal niet de belangstelling kunnen krijgen, die gewenst is.'

Bezemer komt tot de conclusie, dat het part-time predikantschap niet gestimuleerd dient te worden. Er moet z.i. gewezen worden op de vele bezwaren, die er aan verbonden zijn. Dat laatste ben ik met hem eens.

Uit gesprekken met part-time predikanten bleek me, dat verschillenden van hen zich nauwelijks gerealiseerd hebben, voor welke problemen men komt te staan. Wat de kwestie van de stimulering betreft, ik meen, dat de nuchterheid gebiedt te zeggen, dat de figuur van de part-time predikant niet meer weg te denken is in een tijd waarin de kerk kleiner wordt en de financiële lasten van dien aard, dat verschillende gemeenten onmogelijk een volledige predikantsplaats kunnen bekostigen. Laat de kerk goede regelingen treffen voor deze groep dienaren des Woords, die dikwijls niet op de makkelijkste posten werken! Beschikbaar voor een deel van hun tijd, terwijl er werk in overvloed is. We zullen ook in de kerk moeten waken voor rechtsongelijkheid in die zin dat er full-timers zijn die volledig betaald worden en part-timers die full-time werken en slechts ten dele gehonoreerd worden. Misschien zal deze of gene vragen: 'Waarom deze problemen met de honorering? Wie zich geroepen weet tot deze heilige dienst, zal toch niet op een uur kijken'. Maar het gaat maar niet om het al of niet verrichten van meer arbeid. Het gaat om duidelijkheid ten aanzien van wat predikant en gemeente van elkaar verwachten mogen. Het zou geen goede ontwikkeling zijn, als kerkeraden zouden zeggen: 'Laten we maar een part-timer beroepen, want die werkt toch wel volledig voor minder geld'.

Geestelijkheid en zakelijkheid sluiten elkaar niet uit. Ik denk, dat op de achtergrond van de vragen naar het part-time predikantschap de principiële vraag ligt: waartoe is de predikant geroepen in zijn gemeente? Moet hij alles doen? Is hij een 'schaap met vijf poten'? Of moet hij terwille van de gemeente, zijn gezin, zichzelf ook prioriteiten stellen? Wordt de problematiek ook niet veroorzaakt door het feit dat we nog al te zeer 'domineeskerken' zijn en past dit bij een bijbels gemeentepatroon? In elk geval: Nadere regelingen zijn, zoals de praktijk laat zien, niet overbodig.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1985

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1985

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's