De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een blik achterwaarts en opwaarts (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een blik achterwaarts en opwaarts (3)

10 minuten leestijd

Het gaat in de lijdensgeschiedenis heet toe. 

Het altaarvuur

Het gaat in de lijdensgeschiedenis heet toe. We behoeven alleen maar de koren van Bach's Mattheüs-en Johannes-Passion te horen te krijgen: laat Hem gekruisigd worden!

Aan alle kanten loeit het vuur van de haat, die Jezus Christus, Gods Zoon, het Licht der wereld, overlaadt met spot en slagen. 'Dit is uwe ure en de macht der duisternis', zegt Jezus bij de gevangenneming in Gethsemane (Lucas 22 vers 53). De aanstichter en aansteker van dit vuur is 'de macht der duisternis'. Wij mensen hebben de duisternis liever gehad dan het Licht, zegt Johannes 3 vers 19. Met de reden erbij: 'want onze werken waren boos'. Dat Licht werkt doordringend als een röntgenapparaat, dat verborgen kwalen ontdekt en aan het licht brengt. De vorst der duisternis wordt door ons mensengeslacht maar al te gewillig aanvaard als de overste van deze wereld. Zo noemt Jezus Zelf hem (Johannes 14 vers 30 en 16 vers 11). Zie ook Efeze 2 vers 2. De confrontatie van die duisternis en dit Licht is er een van alle eeuwen. Maar de beslissende slag heeft plaatsgehad op Golgotha. En daar is de schijnbare verliezer de grote Overwinnaar.

Een tekening beeldt dit treffend uit. Een kunstenaar heeft daarop Christus Jezus uitgebeeld, gedoornenkroond en doornageld, maar als een lichtende gestalte. Tegenover Hem satan als een duistere, weerzinwekkende figuur, die hier terugdeinst. Satan heeft het bij ons altijd gewonnen, ondanks wat schermutselingen als zijn optreden wat grof is. Maar bij Jezus verliest hij het. In heilig zelfbewustzijn van de eenheid met de Vader, heeft Jezus ook gezegd: de overste dezer wereld komt en heeft aan Mij niets (Johannes 14 vers 30).

Toch is een ander vuur het eigenlijke altaarvuur. Ds. J. Overduin tekende zijn concentratiekampervaringen als 'Hel en hemel van Dachau'. Beide waren daar aanwezig. Ze zijn eveneens aanwezig op Golgotha. Wat hier gebeurt moet. Het moet van God! Als Jezus Zijn lijden aankondigt spreekt Hij telkens van dit 'moeten'. Bij de doop van Hem, de Vlekkeloze, in de Jordaan motiveert de Heere Jezus de voltrekking van dit vernederend sacrament, dat 'alzo alle gerechtigheid moet geschieden'. Later zegt Hij: 'Ik moet met een doop gedoopt worden, en hoe word Ik geperst (hoe beklemt het Mij N.V.) totdat het volbracht is' (Lucas 12 vers 50).

Dit altaarvuur is dat van Gods 'heilige liefde'. Nu weten wij mensen eigenlijk niet meer wat 'heilig' is en wat 'liefde' is. We  hebben er alleen een paar totaal verbleekte en bedorven afdrukken van, waarop van het oorspronkelijke beeld weinig of niets meer te onderscheiden is, zoals bij heel oud fotomateriaal.

Onze Godsvoorstelling is zo verbleekt en ons zonde- (en daardoor ook ons schuld-) bewustzijn is zozeer verzwakt, dat we geen idee meer hebben van wat bij God heilige toorn betekent.

We hebben het nogal veel over milieuverontreiniging. Iedereen weet ervan. Ook van de gevolgen. We sporen de boosdoeners op. En onze verontwaardiging uit zich in allerlei demonstraties en publikaties. Kostbare zaken worden immers van hun waarde ontdaan!

Maar wat is dit alles klein van afmeting en ernst vergeleken bij wat onze hele wereldgeschiedenis en onze eigen levensgeschiedenis met haar buiten- en binnenkant, met onze liefdeloosheid en zelfhandhaving tegenover God Zelf en tegenover onze naaste, onze liefdeloosheid, die niet wordt goedgemaakt door onze sympathieën (nogal selectief) in kleine kring. En dan de afgoden aller tijden: eerzucht en heerszucht, geldzucht en genotzucht. Dat alles en nog veel meer veroorzaakt een milieuverontreiniging, die veel ernstiger gevolgen heeft dan die van de natuur. We menen al een goed figuur te slaan met onze proclamaties van 'mensenrechten'. Toch raken die slechts de grove buitenkant (martelingen, gebrek aan behoorlijke rechtspraak).

Als God over de rechten van de mens spreekt, geeft Hij onze medemens, wie en waar ook ter wereld, recht op oneindig veel meer dan alle verklaringen van de Verenigde Naties. God wil (eist), dat wij Hem zullen liefhebben (sympathiek of niet) als onszelf.

En dan - het recht van God!

Misschien willen we onze rechten nog bezweren met een eed op Zijn Naam. En fier klinkt de leus der Oranjes: 'Dieu et mon droit' (God en mijn recht). Dat geeft aan ons menselijke recht nog het aureool van een goddelijke sanctie.

Maar nu één letter veranderd! 'Dieu et Son droit'. God en Zijn recht. Och, dat voeren we maar snel van onze levensagenda af. We hebben bovendien een schoonschijnend argument in de gedachte, dat God veel te lief is om Zijn rechten te handhaven. Dan is opeens het recht niet heilig meer! Dan schijnt het eigenlijk iets minderwaardigs te zijn, als God, Die toch 'liefde' is. Zijn recht als essentieel tot Zijn goddelijk wezen behorende, zou handhaven. God zal toch 'genade voor recht' laten gelden! Wie zo redeneert kent zijn Bijbel slecht. Het is niet genade vóór recht, maar genade dóór recht. 'Sion zal door recht verlost worden' (Jesaja 1 vers 27). De heerlijkheid Gods straalt niet in meerder luister, wanneer wij aan die grote Schepper aller dingen (denk daarbij ook eens aan zonnestelsels en sterrenevels!) een 'menselijk gezicht' zouden willen geven. Is dat de God, Die Mozes bij het brandende braambos gebiedt de schoenen van de voeten te doen, omdat de plaats, waarop hij staat 'heilig land' is? De God van het roepingsvisioen van Jesaja met het driewerf 'heilig' van de zondeloze engelen, die voor Gods heerlijkheid hun aangezicht bedekken?

Is dat de God, Die zijn wetgeving omringt met bliksemstralen? God is liefde. Inderdaad. Maar niet in onze slappe zin van 'lief' of 'lievig'.

Op Golgotha is niets liefs te zien. Maar nergens is groter liefde. Liefde juist als heilige liefde behoort ook tot de volkomen integriteit van de gerechtigheid Gods. Dat maakt die liefde alleen maar oneindig veel dieper. En juist die combinatie van alle eigenschappen Gods maakt, dat tegen dit grote werk van Gods genade in der eeuwigheid geen protest van de zijde van Gods recht kan weerklinken. Want: 'alles, alles is voldaan'. Het maakt het 'alzo lief (...)' van Johannes 3 vers 16 alleen zoveel groter en wonderlijker. En het spijt je en beschuldigt je, dat je van deze dingen in je veeljarige werk niet machtiger en reëler hebt kunnen spreken. De dingen, waar het in Gods Wet en in Zijn Evangelie over gaat, krijgen alleen zo hun onvervreemdbare eeuwigheidsdimensie, die zowel met het wezen Gods als met de bestemming van de mens samenhangt. Alleen zo wordt God God. Luther heeft eens gezegd: het kost de mens veel om God God te laten zijn. Want sedert we betoverd zijn door het verlokkende 'gij zult als God zijn' kunnen we eigenlijk geen macht boven ons gebruiken. Ook God niet. Hoogstens als achtergrondfiguur op Wie wij, als de nood aan de man komt, een beroep kunnen doen. En dan moet Hij ook helpen. En liefst een beetje gauw ook! Anders verklaren we Hem dood! Of we klagen Hem aan!

Het is ook alleen de doop met de Heilige Geest en met vuur, die naar het woord van Jezus' wegbereider ons God in volle ernst leert nemen. Zie Mattheüs 3 vers 11. Pinksteren behoort wezenlijk bij alle andere feesten en maakt de waarheid ervan tot werkelijkheid voor ons.

Die Geest leert ons alleen het kruis zien als het altaarvuur van Gods heilige liefde, waarin de grote Hogepriester onzer belijdenis Zichzelf geeft tot een losprijs voor velen; Die daardoor duivel en dood, hel en graf overwint, opstaat en ten hemel vaart (waarbij het voor de almachtige Schepper en Drager van alle dingen geen probleem is hoe Hij Jezus van deze planeet, welke aarde heet, in de hemel Zijner heerlijkheid krijgt!).

Volgens Hebreen 8 vers 1 zitten we hiermee in de kern van het Evangelie. De tekst, waaraan ik in verband met dit jubileum in het bijzonder gedacht heb, luidt daar immers: de hoofdsom der dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zodanige Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen. Daar blijft Hij Zijn hogepriesterlijk werk doen. Hij heeft het koperen brandofferaltaar van Golgotha achter Zich gelaten, om bij het gouden reukofferaltaar de wierook van Zijn voorbidding te ontsteken.

Van beide zijden van het hogepriesterlijk werk is deze preek-brief aan de Hebreën vol. De schrijver (wie dat ook moge geweest zijn) kent zijn Oude Testament, citeert het en heeft de voorbeeldige schaduwtekeningen maar voor het grijpen.

We horen in psalm 40 zingen:

'Brandofferen, noch offer voor de schuld
voldeden aan uw eis noch eer.
Toen zeid' ik: 'Zie, ik kom, o Heer, 
de rol des boeks is met mijn naam vervuld.
Mijn ziel, u opgedragen,
wil U alleen behagen,
mijn liefd' en ijver brandt;
ik draag uw heil'ge wet,
die Gij den sterv'ling zet,
in 't binnenst' ingewand.'

Die brandende liefde en ijver behoren ook bij die God, Die een verterend vuur is (Hebreen 12 vers 29). Het zou trouwens wel een wonder zijn, wanneer die God, Die vuurzeeën schept als bijv. onze zon, Zelf een laffe en lauwe God zou zijn, met Wie men spotten kan.

Die liefde en die ijver branden nog nu die Hogepriester gezeten is aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen. Hij heeft immers een onvergankelijk priesterschap, waarom Hij ook volkomen kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden (Hebreen 7 vérs 25). Die voorbidding is niet een lievelingsgedachte van de schrijver van deze brief, die overal in het Oude Testament de bouwtekeningen ziet van dat, wat in Jezus Christus realiteit zal worden als 'bedienaar van het heiligdom en van de ware tabernakel, welke de Heere heeft opgericht en geen mens' (Hebreen 8 vers 2). Maar ook Paulus ziet en zegt het zo in dat geweldige slot van Romeinen 8, als hij de vraag stelt: Wie is het, die verdoemt?

En dan is het antwoord: Christus is het. Die gestorven is; ja, wat meer is. Die ook opgewekt is. Die ook ter rechterhand Gods is. Die ook voor ons bidt (Romeinen 8 vers 34). Wie iets bijzonder moois hierover wil lezen, neme de moeite om achter in zijn kerkboekje of elders in de Nederlandse Geloofsbelijdenis (vandaag nog behorende tot dat belijden, waarin de gemeenschap leeft met de belijdenis der Vaderen!) artikel 26 op te zoeken. Wat een juwelenkastje! Of liever: wat een kastje vol juwelen!

En wilt u ervan zingen, denk dan eens aan het bekende, mooie lied naar Charles Wesley:
'k Heb geloofd en daarom zing ik,
daarom zing ik van gena,
van ontferming en verlossing
door het bloed van Golgotha.
Daarom zing ik U, die stervend
alles, alles hebt volbracht;
Lam Gods, dat de zonde wegneemt.
Lam van God voor ons geslacht.

'k Heb geloofd, en daarom hoger,
hoger dan Kalvaries top,
zie ik boven lucht en wolken.
Hogepriester! tot U op;
die in 's hemels tabernakel
voor Gods aanschijn t' allen tijd
als het Hoofd van zijn gemeente
pleitend bidt en biddend pleit.

Al wat de Schrift ons te zeggen heeft is samen te vatten met één woord, nl. liefde. Gods Wet eist vele dingen, die allemaal teruggaan tot het dubbelgebod van de liefde. Tot Hemzelf boven alles. Tot de naaste als onszelf. Maar dan wel volkomen! En concreet! Met hoofd en hart en handen. Met heel ons verborgen en openbare leven. Restloos! Het Evangelie predikt ons Gods volmaakte hef de. Als een niets eisende, maar alles schenkende liefde. Die twee ontmoeten elkaar in het kruis!

Van die liefde heeft een klein, zondig mensenkind, vele jaren stuntelig en stamelend mogen spreken. Het tekort aan liefde weegt daarbij nog zwaarder dan dat aan bekwaamheid. De grote Herder der schapen heeft beide, Wet en Evangelie, de eisende en de gevende liefde, volkomen in Zich.

In dat vuur mogen we alle handschriften, die tegen ons getuigen laten vernietigen. Volkomen! Tot onze vertroosting en ontkoming. Aan dat vuur mogen en moeten wij de uitgebluste fakkel van ons hart en leven, denken en doen, laten opvlammen, telkens weer, omdat die telkens weer uitdooft. Het is zelfs God alleen Zelf, Die dat vuur in ons brandende houdt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1985

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Een blik achterwaarts en opwaarts (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1985

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's