De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Altijd 'goed hervormd' gebleven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Altijd 'goed hervormd' gebleven

Gesprek met ds. J. van Rootselaar

27 minuten leestijd

We beginnen met de huiselijke achtergrond van ds. Van Rootselaar

Geboren op 7 augustus 1906 te Oegstgeest. 'Mijn vader is laat gaan studeren en hij studeerde in Leiden. Mijn ouders woonden in die tijd in Oegstgeest'. Er is een heel merkwaardige samengang tussen mijn vader en prof. Visscher. Twee mensen waar ds. Van Rootselaar eigenlijk voor de hele richting van theologie en werk ontzaggelijk veel aan te danken heeft. Prof. Visscher is geboren in 1864 en vader Van Rootselaar in 1866. Beiden stammen uit Zwolle. Beide families hebben nog contacten gehad. Visscher is namelijk voor zijn studietijd eerst bij de ene grootvader in de leer geweest en later bij de andere grootvader, dus vader Van Rootselaar en prof. Visscher kenden elkaar al van jongs af aan. Beiden zijn in Leiden opgeleid en hebben de gereformeerde richting, die ze later toegedaan waren, door zelfstudie moeten vinden en beiden zijn daarmee ook mensen geworden met een zelfstandige kijk op het hele kerkelijk leven. Ze zijn ook beiden 'einspanners' geweest. Beiden ook mensen van een niet soepel, gemakkelijk karakter. De één heeft door zijn opvoeding en de ander door zijn colleges eigenlijk de richting van het leven van ds. Van Rootselaar bepaald. 'Ik heb aan deze mensen ontzaggelijk veel te danken.'

De vader van ds. Van Rootselaar is op latere leeftijd predikant geworden. Hij is tot zijn dertigste jaar horlogemaker geweest. Heeft toen zijn lagere school ingehaald, is vervolgens naar het gymnasium in Kampen gegaan vanuit Zwolle en vandaar in 1904 naar Leiden en zo was hij in 1909 op 42-jarige leeftijd pas klaar.

Kwam uw vader uit een gereformeerd gezin? Was er een geslacht van mensen waarvan u zegt, ja die stonden heel duidelijk in een bepaalde lijn. Want, dan in Leiden studeren. Leiden is natuurlijk het bolwerk van de vrijzinnigheid. Hoe kwam hij in Leiden terecht? 'Mijn vader stamt uit een conventikel gezin. Zijn vader was oorspronkelijk afkomstig uit Veenendaal. Is in Zwolle terecht gekomen en was een wat wettisch ingesteld man. Tweemaal 's zondags naar de kerk. Drie uur heen en drie uur terug lopen naar 0ldebroek, om ds. Lazonder te horen en dan kwamen ze 's avonds om 6 uur thuis en dan hadden ze nog tot tien uur conventikel.'
'Mijn ouders zijn in Leiden of eigenlijk in Oegstgeest gaan wonen. En daar heeft vader zijn studie voltooid in een eindeloze worsteling tegen het modernisme en dat heeft hem zelfs éne keer een ramp bezorgd. Hij weigerde om het historisch-kritisch onderzoek van Kuenen te erkennen. Een gevolg was, dat toen prof. Oort hem voor het vrijzinnige candidaatsexamen nog liet zakken, 41 jaar oud. Oort was een man van dezelfde lijn en mijn vader weigerde die lijn te erkennen. Het gevolg was dat hij hem voor zijn candidaatsexamen liet zakken. En toch is - en dat heeft vader altijd als een groot wonder uit 's Heeren hand gezien - hij er door gekomen. Hij kreeg een halfjaar en zat weer voor hetzelfde probleem. Toch wilde hij zijn beginsel niet verzaken. Hij wilde dat historisch-kritisch onderzoek niet erkennen. Maar toen moest, net op de dag, dat mijn vader voor de tweede keer candidaatsexamen moest doen, prof. Oort zijn vader gaan begraven. Oort werd vervangen door B. Kristensen, toen nog een jonge prof. van 24 jaar en een vriend van mijn vader. Hij kwam er met vlag en wimpel door.'

Welke gemeenten heeft uw vader gediend?
'Noorden was zijn eerste gemeente, Polsbroek de tweede, daarna volgden Bergschenhoek, Blauwkapel, Poortvliet, Linschoten en IJsselstein.'

'Hij was 42 jaar toen hij klaar was met de studie en hij was bijna 83 toen hij stierf.

Dus bij uw grootvader was er iets van de conventikel sfeer, is dat bij uw vader ook zo gebleven?

'Opa was nooit gedoopt. Ook niet aan het avondmaal geweest. Hij liep alleen de hervormd-gereformeerde predikanten na, waarvan hij wist dat ze de gereformeerde leer brachten. Maar verbood zijn kinderen niet of hield zijn kinderen niet tegen om kerkelijk te worden, zodat die kinderen wel gedoopt zijn, ook belijdenis gedaan hebben. En hijzelf is een van de oprichters geweest van de hervormd-gereformeerde evangelisatie Elim in Zwolle, waar ds. Tukker en ds. Geluk later predikant zijn geweest. Vader heeft eigenlijk al die jaren, vooral in Zeeland, nog wel contact gehad met de conventikels. Maar de meeste conventikels waren onkerkelijk of anti-kerkelijk. Een enkele maal trof je in de gemeente, ook in mijn jeugd nog, conventikels (zoals je ze in Ouddorp nog vond), die bij de kerk aansloten. Dat was dan meer een gesprekskring na de dienst.'

Pastorieleven

Ds. Van Rootselaar heeft dus van jongsaf het pastorieleven van binnen meegemaakt. Dan zie je de mooie kanten en je ziet de schaduwzijden. Toch kwam de keuze om predikant te worden.

Hoe ging dat?

'Dan moet ik eigenlijk net als ds. H. Harkema zeggen: 'Een roeping, zoals men dat dan wel eens voor wil stellen, om predikant te worden, heb ik nooit gehad'. Ds. Harkema heeft dat ook in zijn interview gezegd. Maar op een hele aparte manier is mijn leven in de lijn van het predikantsleven geleid. En zelfs onweerstaanbaar. Ik had oorspronkelijk eigenlijk uw vak willen hebben, ir. willen worden. Maar daar kende ik te weinig wiskunde voor. Ik kan het eigenlijk nauwelijks onder woorden vatten, mijn keuze werd, onweerstaanbaar, predikant. Hoewel mijn vader mij altijd afgeraden heeft om predikant te worden. Ik heb aan mijn vader zeer beslist niet te danken dat ik dominee geworden ben. Hij heeft mij tot het laatste tegengehouden. Hij was bang voor dominee worden om vader en moeder. Daar had hij zelf al, ondermeer in zijn studententijd, verschillende ongelukken van meegemaakt: domineeszonen, die totaal mislukten. Hij heeft mij goed uitbeproefd tot het laatste toe. Toen ik in Hagestein in mijn eerste gemeente op de kansel stond, achtte hij het een verhoring dat hij kon zeggen: 'Daar staat mijn zoon, mijn enige, en ik ben blij dat hij er staat, maar ik heb hem er niet toe gebracht.'

Mevrouw Van Rootselaar voegt nog even toe: 'Maar het was voor jou, alles bij elkaar, een goede beproeving'.

En moeder?

Een eenvoudige en wat stille vrouw op de achtergrond. Ik zou zeggen beperkt tot het gezin. Ze heeft zich heel weinig met de gemeente bemoeid. Laat ik stellen: de stille kracht in huis. Maar voor mijn latere leven is haar voorbeeld van stille, oprechte godsvrucht van grote invloed gebleven. Ook de wijze waarop zij ons gezin in stand hield met het vaak heel sobere predikantsinkomen, en zorgde dat mijn vader zich geheel aan zijn ambtswerk kon wijden, en ik mijn studie kon volbrengen. En onvergetelijk zijn de momenten gebleven, waarin zij mij, met het oog op mijn naderende predikantstaak, terecht wees met Gods Woord. Zo heeft voor mijn latere leven ook mijn stille, biddende moeder een grote betekenis gehad. Helaas heeft zij het begin van mijn ambtswerk niet mogen beleven.

Als u nu zelf aan de jaren in de pastorie terugdenkt, aan uw jeugdjaren, waar denkt u dan aan? Was dat iets moois of had het zo zijn twee kanten?

'Dat is een wat moeilijke vraag. Ik heb natuurlijk nooit anders dan het pastorieleven gekend. En daarom is het heel moeilijk om een vergelijking te maken met een ander gezinsleven, waarin dus vader geen predikant was. Ik heb de schaduwzijden daar ook wel van gevoeld, doordat vader, vooral door zijn drukke avondpraktijken, te weinig thuis was. Te weinig gelegenheid had om zich eens met je te bemoeien, met je studiemoeilijkheden en zulke dingen meer. Aan de andere kant bracht het predikantsgezin, vooral in die oudere tijd, een zekere eer met zich mee. Dat had je in die tijd heel sterk. Je was domineeszoon en dat betekende toch dat je niet uit het eerste het beste gezin stamde. Dat zat er toch ook een beetje in.'

'Ik heb tegen het werk van mijn vader, als jonge man, altijd erg opgezien. Ik zag het altijd als iets heel geweldigs, dat hij zomaar zo'n kerkdienst voor al die mensen leiden kon. De manier waarop hij de dingen behandelde en uitlegde, daarvan heb ik altijd het gevoel gehad: dat zou ik niet kunnen.'

Zou u het hebben gewild?

'Zoals ik gezegd heb, mijn lust ging oorspronkelijk naar iets anders uit. Ik had eigenlijk gedacht in de technische vakken terecht te komen. Toen ik voor dienst werd goedgekeurd, gaf ik me bijvoorbeeld op voor de vliegdienst. En het is voor mijn gevoel even een jammerlijke zaak geweest, dat door te weinig kennis van de wiskunde ik die kant niet uit kon. Mijn vader stimuleerde juist al die dingen wel. Je moet dokter worden, je moet dokter worden, je moet ir. worden, je moet advocaat worden, je moet notaris worden. Achteraf gezien om mij voor 'n verkeerde predikantsroeping te behoeden!'

'Het merkwaardige is geweest, ik ben met mijn predikant-zijn op een plek terecht gekomen waar ik toch eigenlijk nauwelijks, voor mijn gevoel, aanleg voor had. Er waren tal van vakken, waarin ik heel niet schitterend was. En een vak, waar ik heel veel moeite mee had, was b.v. Nederlands. Mijn leraar gymnasium Nederlands schreef boven één van mijn opstellen in wanhoop: "Mozes"; zwaar van tong betekende dat.' Mevrouw Van Rootselaar vult aan dat hij dat opstel bewaard heeft.

'Ik had de grootste moeite om een opstelletje in elkaar te krijgen. Ik ben met nèt een voldoende er door gekomen.'

'Terwijl mijn weg onweerstaanbaar in de richting van de kansel gedrongen was, zag ik er geweldig tegenop. En het is in mijn studententijd geweest dat ik het heel zwaar had. Toen ik namelijk mijn propaedeuse had gedaan, brak in mijn leven een vreselijk moeilijke tijd aan van twijfel, geen uitzicht meer hebben in het geestelijke leven. Een donkere moeilijke jeugdnacht kwam en toen wilde ik eigenlijk van die hele studie af. Maar ik durfde daar thuis niet over te praten, omdat mijn vader dan, naar te ver­wachten was, zou zeggen: "Ja jongen, dat heb ik je altijd gezegd. We hebben 2 jaar de studie voor je betaald en nu ga je aan een andere faculteit studeren". Dus ik durfde er niet over te praten. Zo is dat weer Gods weg geweest. Ik moest niet achteruit maar vooruit. En wat mij er toen doorheen gebracht heeft dat is, naast de opvoeding van mijn ouders, geweest het college van prof. Visscher. Daar is voor mij eigenlijk het eerst duidelijk geworden wat genade betekende voor een tobbend mens in al zijn zonden en noden. Toen kreeg ik voor mijn geloofsleven vaste grond onder de voeten en van daaruit begon er ook zicht te komen op het predikantswerk. En toen ik met het predikantswerk begon, wist ik heel goed wat de hoofdlijn van mijn taak was. En... voor deze onnaspeurlijke leiding Gods in mijn leven ben ik de Heere dankbaar geweest. In toenemende mate heb ik het als een wonder van genade ervaren in Zijn dienst te mogen staan!'

Nu graag kort iets over de studie in Utrecht 'We hadden in Utrecht als gereformeerde hoogleraren J.A.C. van Leeuwen, voor het Nieuwe Testament en A. Noordtzij, voor het Oude Testament. Die hebben me, wat de bijbelstudie betreft, een behoorlijke lijn gegeven. Praktisch heb ik veel steun gevonden in het werk van prof. M. van Rhijn. Van Rhijn was een rechts-ethisch man, een warm man. Een man met ontzaggelijk veel invloed op de studenten. Ondanks zijn andere richting kon hij toch gereformeerde studenten waarderen en deze waardeerden hem. Dat is een groot figuur geweest.'

Na de studie kwamen de gemeenten. Hebt u lang moeten wachten op een beroep?

'In de tijd dat ik beroepbaar werd, dat is 1931 geweest, was er een enorm predikanten tekort. Dat kan ik nooit beter illustreren dan met wat ik vond in mijn eerste gemeente Hagestein. Die gemeente was 5 jaar vacant geweest. Natuurlijk enorm verwaarloosd. En meteen, dat ik in Hagestein kwam, kreeg ik een consulentschap erbij in Leerbroek. De hele ring Leerdam kwam namelijk bij de ring Vianen en in die ring stond maar één dominee. Dat was ds. Enkelaar. Die stond in Leerdam. Hij deed zijn naam eer aan. Nu moet je eens een hele ring je indenken met maar één dominee. Ik heb in de zeven jaar dat ik in Hagestein stond 5 consulentschappen gehad: Leerbroek, Langerak bezuiden de Lek, Heicop, Zijderveld en Ameide en Tienhoven.'

'Mijn vader heeft mij bevestigd in mijn eerste gemeente Hagestein.'

Deden toen ook zoveel mensen aan de handoplegging mee als tegenwoordig?

'Twee mensen, de consulent ds. H. M. Fruyt uit Everdingen en één ouderling.'

Hoe vindt u het dat er tegenwoordig bevestigingsdiensten zijn met een groot aantal predikanten, die aan de handoplegging deelnemen?

'Een candidaat zei eens tegen me: "Ik moest eigenlijk roomse knieën hebben". Ik heb het wel meegemaakt, dat er zo'n 20 personen aan de handoplegging deelnamen. Dat was bij ds. Van Wakeren, die later voor de G.Z.B, is weggegaan.'

'In Hagestein was om te beginnen één verschrikkelijk probleem, namelijk rondom het avondmaal. Vóór mijn komst kwam daar niemand meer aan de Dis des Heeren. Daar ben ik mijn eerste avondmaalsviering, na heel lange grondige voorbereiding, begonnen met 4 mensen. Ik ben geëindigd met 17 mensen.'

'Het tweede typische van die gemeente was - het was crisistijd en de sociale toestanden waren zo ontzaggelijk slecht, met name bij de steenovenarbeiders - dat ik daar terecht gekomen ben in de sociale beweging. Ik ben voorzitter geweest van een afdeling van fabrieks- en transportarbeiders. Ik denk dat ik de enige dominee in de Gereformeerde Bond was die zo'n functie had. De mensen waren zo hulpbehoevend, die wisten geen leider uit hun midden te vinden. Ik heb ze toen over georganiseerd uit het N.V.V. naar het C.N.V.'

Mevrouw Van Rootselaar: 'Het is bijbels om te zeggen: De Heere wrocht mede door tekenen en wonderen'.

'In de tweede gemeente Wanswerd-Jislum, waar ik in 1938 gekomen ben, was ik de enige G.B.-predikant in de hele ring, de ring Holwerd. Een markant iets van deze friese gemeente was, dat het werk van oude voorgangers, de beroemde D. Boonstra en T. Lekkerkerker en D. Hupkes, daar eigenlijk nog de kern vormde van het gemeenteleven. De gemeente was helemaal niet meer gereformeerd, noemde zich confessioneel. Toen heb ik de hele confessie met ze in preken behandeld, alle 3 de formulieren van enigheid, met als prachtig resultaat dat de gemeente, toen ik weg ging, nog onder mijn leiding, een gereformeerde predikant koos.'

Mevrouw Van Rootselaar: 'Je moet eens vertellen wat je op Ameland hebt meegemaakt. Want als hij daarvan thuiskwam had hij wel een half uur nodig om te vertellen over allerlei aparte dingen'.

'Ameland! O dat kan er allemaal niet in.' 'Ik heb daar gepreekt in een kerk waar nauwelijks 'n bijbel of psalmboek te vinden was. Er was alleen een oude Statenbijbel op de kansel. Maar de psalmen: de organist kon ze niet spelen, de gemeente kon ze niet zingen. Zelfs psalm 25 niet. Daar heb ik gepreekt op zondagschoolmanier. Hebt u wel eens gehoord van genade? Nee. Dan zat de gemeente, voor zover die er was, heftig nee te schudden. Zal ik u dan eens proberen duidelijk te maken wat de Bijbel met het woord genade bedoelt? Gratie, gratis. Hebt u daar wel eens van gehoord? Nu als je iets gratis krijgt zonder dat je er iets voor hoeft te betalen, dan krijg je iets uit genade. Zo geeft God nu genade in Christus. Heeft u het nu begrepen? Ja? Nu en zo ging dat.' Merkwaardig is overigens, dat later in eigen gemeente de mensen vroegen: 'Hoe komt het dat, als u in Ameland bent geweest, u zulke mooie preken hebt?'

Ds. M. Groenenberg - zo voeg ik tussen - heeft in 'Groen bekeken' een keer verteld, dat hij in Ameland naar de preekstoel werd gebracht door een ouderling, die vloekend voor hem liep.

'Dat klopt ja. Daar kan ik een boekje van schrijven, alleen van Ameland.' 'In Wanswerd heb ik overigens nog mensen getroffen, die de hele Institutie van Calvijn gelezen hadden.'

Oosterwolde

'Daar ben ik in 1944 gekomen. Het laatste oorlogsjaar heb ik daar doorgebracht. Dat was een oorspronkelijk heel trouw meelevende gemeente, leraarlievend. Maar door de oorlog stond alles stop, al het verenigingsleven b.v. Daar hebben we direkt vreselijke oorlogsnoden meegemaakt, waar dat stukje van schrijft' (zie de Waarheidsvriend d.d. 2 mei 1985). Mijn vrouw en ik hebben ons daar beiden op gestort. Enorm grote verenigingen. Een mannenvereniging van b.v. 80 leden in dat kleine plaatsje, die ook in de ring in de omgeving (Oldebroek enz.) vergaderingen gingen bijwonen. En dan was het een sensatie als men - bussen waren er niet - met een veewagen naar zo'n vergadering ging. Dan stonden al die mensen achterin zo'n veewagen. Zo gingen ze naar Oldebroek of Doornspijk gewoon om een jaarvergadering bij te wonen. Dat is een prachtig mooie tijd geweest. Daar heb ik twee van de drie formulieren van Enigheid behandeld, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels. En heel merkwaardig, toen ik met de Dordtse Leerregels begon, zei de gemeente: "Wat gaat ds. nou voor nieuws ophangen". Daar was overigens verder veel teer geestelijk leven.'

Mijn vierde gemeente werd Oud Alblas in de Alblasserwaard. Vanouds bekend als een ordelijke, goed gereformeerde gemeente. Er is in Oud Alblas nooit een kerkelijke afscheiding voorgekomen. De enige man, die daartoe een poging waagde, was de bekende ds. D. Boonstra. Toen deze op een zondagmorgen afkondigde in een kerkdienst, dat hij besloten had om mee te gaan met de Doleantie, vroeg de kerkeraad hem na afloop: 'Dominee, mag u in onze gemeente Gods Woord niet meer verkondigen en de sacramenten niet meer bedienen naar de instelling van Christus?' Het antwoord was: 'Ja wel!' Waarop de kerkeraad zei: 'Dan gaan wij geen van allen met u mee!' Kort daarna vertrok ds. Boonstra naar Zwolle en keerde daar weer naar de hervormde kerk terug.

Er was in Oud Alblas een kleine conventikel ten huize van de nog niet lang geleden overleden godvrezende vrouw. Dirkje Blonk, waarmee ik nooit problemen heb gehad. In Alblas heb ik slechts 2, 5 jaar gewerkt. Toen kwam de roeping naar Wijk bij Heusden, een door de oorlog zwaar geteisterde gemeente. Reeds in de Oosterwoldese tijd hadden wij er contact mee gehad, doordat enkele N.-Veluwse gemeenten Wijk gesteund hadden bij de herbouw van z'n verwoeste kerk. Hoewel niets mij drong om mijn goedlopende taak in Alblas zo spoedig op te geven, kon ik er niet onderuit deze brabantse gemeente, die zo geleden had onder het oorlogsgeweld, te gaan dienen. Door een wat vinnige schoolstrijd waren de eerste jaren er niet altijd gemakkelijk. Maar toen Wijk eenmaal beschikte over een goed gevestigde christelijke school met kleuterschool hebben wij er goede jaren doorgebracht. Er was in die streek nog veel geestelijk leven. Men kwam daar ook nog in conventikels bij elkaar, maar zonder het kerkelijke leven daardoor schade aan te doen. In 1956 kwam de verhuizing naar Delft, de enige stadsgemeente, die ik heb gediend. Tegen de enorme overgang van plattelandsgemeente naar stadspraktijk zagen mijn vrouw en ik erg op, temeer daar dit ook nog voor de gezondheidstoestand van ons zoontje zeer bezwaarlijk was. Na een dringende telefoon van ds. J. J. Poot neigde de Heere op de laatste avond voor de beslissing ons hart om naar Delft te gaan. En... wij hebben van de 8 jaar in deze gemeente nooit spijt gehad. De eerste die telefonisch op m'n be­sluit reageerde was ds. P. Zandt, die z'n grote blijdschap uitte en mij meteen bemoedigde met de woorden: 'Je zult hier een trouw volk vinden, maar denk er om, dat je blijft die je bent. Niet veranderen! Niet veranderen!' Bij mijn komst trof ik er nog de oude ds. T. Lekkerkerker, die m'n voorganger was geweest in Hagestein, Wanswerd, Oosterwolde en Delft!

Ik heb er een prachtige, maar ook moeilijke taak gehad. M'n wijkgemeente telde 5O00 leden en tijdens de vacature van ds. Poot had ik er nog een jaar lang 5000 van zijn wijk bij!

Een geweldige steun vormde de uitnemende en hardwerkende wijkkerkeraad, die uit de meest uiteenlopende mensen bestond: een hoogleraar, een paar ingenieurs, onderwijzers, zakenmensen, fabrieksarbeiders, boeren, tuinders, kantoormensen. Tweederde behoorde tot de gereformeerde groep, eenderde was confessioneel. Maar de samenwerking was alle acht jaar, dat ik in Delft stond, voortreffelijk.

De catechisaties werden trouw bezocht, Ook veel buitenkerkelijken kwamen over, zelfs Jehovagetuigen. Het verenigingsleven bloeide. Ook mijn vrouw heeft haar kracht en tijd zoveel mogelijk voor deze gemeente ingezet en... met veel genoegen!

In 1964 kwam Barneveld. Vanouds een hervormd-gereformeerde gemeente, wat meer traditioneel ingesteld als Delft. Door de grote import van vreemden begon er de moderne theologie steeds meer door te dringen en gestalte te krijgen in een noodgemeente. In het grote geheel van de hervormde gemeente bleef echter de leer volgens Schrift en Belijdenis toonaangevend. Wij hebben er een zestal gezegende jaren mogen doorbrengen.

We meenden al, dat Barneveld onze laatste standplaats zou worden, toen in 1970 het beroep naar IJsselmuiden kwam, waar ik op 63-jarire leeftijd nog aan een nieuwe gemeentetaak begon. Ik heb er nog 1, 5 jaar als dienstdoend predikant gewerkt en daarna nog 2 jaar als bijstand in het pastoraat. Opvallend was, dat de daar in de eerste helft van deze eeuw zo door de kwestie-ds. Keller geschokte en gescheurde gemeente, weer zo tot eenheid en bloei was gekomen. Sterk werkte ook hier nog na de gezegende prediking van twee, in onze kerk zo bekend geworden dienaren des Woords, ds. Zandt en ds. Leenmans.

Toen in 1974 'n hartaanval mij voor het 'grote' werk ongeschikt maakte heb ik nog een paar jaar als bijstand in het pastoraat onder ds. L. J. Geluk in Zwolle gewerkt, en heb ik een begin mogen maken met de rijke en gezegende arbeid van de stichting 'Hulp Oost-Europa'.

---

Bijna 54 jaren mocht ds. v. Rootselaar in de dienst des Heeren staan en in 9 van Zijn gemeenten arbeiden. Beschaamd om de rijke gunst hem door de Koning der Kerk geschonken en diep dankbaar voor wat Hij zijn gezin en hem daarbij aan weldaden en uitkomsten gaf, mag hij op zijn ambtstaak thans terugzien!

'Ik kan allen aanmoedigen, die met dit heerlijke werk beginnen, ziende hoe goed de Heere is voor Zijn dienaren, al betekent dat niet, dat hun soms niet heel zware beproevingen wachten.'

Van grote waarde is voor hem bij dit alle wel de raad van ds. Zandt: 'Als je maar bij de Schriftuurlijke waarheid blijft!' Inderdaad! Dan komt 's Heeren zegen mee, en dan alléén!

Als hij nu nog met zijn ambtstaak zou kunnen beginnen, zou hij deze met driemaal zoveel overtuiging weer aanvatten! Een enorme steun heeft hij al die jaren gevonden in zijn vrouw, die ook veel gemeentewerk heeft aangepakt. Toen na de oorlog in Oosterwolde het gemeentewerk weer helemaal van de grond moest komen, stonden zij op een gegeven ogenblik voor... 23 taken!

Algemeen

We sluiten het gesprek af met nog enkele meer algemene onderwerpen aan de orde te stellen.

U bent een echte hervormde dominee?

Hij heeft nooit iets 'afgescheidens' aan zich gehad, terwijl hij het toch altijd als een wonder ervoer dat God zijn kinderen in alle kerken had. Ook in buitenkerkekelijke kring - bedoeld dan in de zin van het buitenkerkelijke conventikel - heeft de Heere Zijn kinderen. Aan zelfs heel veel contacten met echt godvrezende mensen uit gescheiden kerken, en conventikels denkt hij met grote dankbaarheid terug. Er waren mensen bij, die zelfs nooit tot enige kerk hadden behoord. Het is in zijn brabantse tijd wel voorgekomen, dat mensen van vier verschillende kerken op een begrafenis bij elkaar kwamen onder zijn leiding, en dat er bijzonder goede gesprekken uit Gods Woord werden gehouden, waarbij elk kerkelijk onderscheid wegviel. Hij ervoer het altijd als een genadewonder, dat de Heere, alle kerkelijke verdeeldheid ten spijt, doorging met de Zijnen te roepen en toe te brengen. Niettemin heeft hij de grote verdeeldheid onder de belijders van het Woord des Heeren naar de belijdenis der reformatie altijd betreurd en bestreden.

Ik heb - aldus ds. Van Rootselaar - de jaren door wel geleerd 'goed hervormd' te blijven!

'U hebt altijd sterke sociale bewogenheid gehad?'

De aandacht voor de sociale kwestie, 'die er misschien al in zat', is gestimuleerd door prof. Visscher en door prof. Van Rhijn. Laatstgenoemde het vaak zijn broer, mr. dr. A. A. van Rhijn college geven om de sociale kwestie bij het licht van Gods Woord te behandelen. In Hagestein werd de theorie in praktijk omgezet.

Op aandrang van mevr. Van Rootselaar volgt nu een pastorale ervaring. Als jong predikant (25 jaar) kwam hij in gezinnen, die verschrikkelijk armoede leden. Een inkomen van soms drie gulden per week, waarvan men moest bestaan met soms wel zeven kinderen. Het lukte niet de mensen naar de kerk te krijgen. Met hulp van het CNV (zie hierboven) zijn de mensen uiteindelijk naar de christelijke vakbeweging overgeschakeld. Langzaam maar zeker kwamen de mensen weer naar de kerk en toen heb ik gezien hoe daardoor hele gezinnen weer veranderden'. Het bracht weer orde. De kinderen werden weer netter gekleed. Er kwam weer beslag van Gods Woord, alléén al in het dagelijkse leven.

Maar voor het zover was? Hier volgt dan eerst het verhaal. Er was een grote steeno­ven in Hagestein maar de stenen konden niet meer worden verkocht. De zaak liep vast, de mensen hadden geen werk meer. Alle mensen werden bij elkaar geroepen. Ds. Van Rootselaar haalde er ook iemand van de (rode) 'bond' bij en ook de wethouder. Er was geen geld meer en de diakonie kon onmogelijk al die gezinnen onderhouden. De wethouder zei: we zijn noodlijdende gemeente en hebben ook geen geld meer. En de bond zei: jullie zijn 'uitgetrokken'. Er bleef maar één weg over, gedachtig aan het feit dat 'de Bron van ons bestaan in de Heere ligt'. Er is maar één weg over: samen voor de Heere op de knieën en Hem vragen of Hij zegenen wil. En dan de zaak in Zijn handen laten. Op de dag dat de fabriek zou sluiten kwam iemand langs de pastorie en zei: 'dominee, we zijn eruit; de hele fabriek is gekocht door een rijke Hagenaar'. De mensen konden doorwerken en hun loon werd zelfs nog verbeterd. Daarna zijn de mensen eigenlijk naar de kerk gekomen. 'Dit is een werk van de Heere geweest.' Uit die kring van mensen is overigens nog een evangelist in één van de grote steden voort gekomen.

'Hebt u de sociale kwestie op de preekstoel gebracht?'

'Jazeker.' In één van de gemeenten zei de burgemeester bij het afscheid als compliment: 'u hebt een sociaal hart'. Ook in Oosterwolde was ds. Van Rootselaar betrokken bij de oprichting van een afdeling van het CNV, alsook bij de oprichting van de C.B.T.B. Ook is mede door zijn toedoen aansluiting van de kleine boerderijen gezocht bij een organisatie, waardoor zij kruiden gingen kweken. Overigens hebben de kerkeraden het niet altijd begrepen, zo merkt ds. Van Rootselaar hier nog bij op.

Mevrouw Van Rootselaar merkt hier nog bij op dat de 'noodtijden' toch de beste zijn. Intussen vertelt ds. Van Rootselaar nog van een moeder van 11 kinderen, waarvan er negen aan tuberculose stierven. Haar man verdronk. De vrouw vroeg: 'dominee, kunt u begrijpen dat ik bij tijden zeg: er is geen God?' Het kwam evenwel tot en grote omzetting in haar leven. Met haar hele leven kwam ze in de schuld en daarin tot de belijdenis: 'God is recht'. Maar is er nog meer: 'het is alles genade geweest'. Toen ze stierf was haar begrafenis door haar zélf geregeld, tot het kopen van de kist toe.

Overigens ligt in het individueel pastorale werk voor ds. Van Rootselaar dé mogelijkheid voor evangelisatie.

'Bevindelijke prediking?'

'Bevindelijke prediking is praktisch inleven van wat Gods Woord zegt.' Men moet geweldig oppassen met bevinding, die geen Schriftuurlijke grond heeft.

'Hoe hebtu in de loop van de tijd aangekeken tegen Israël?'

Er is op een heel speciale wijze contact geweest door de joodse onderduikers in de Tweede Wereldoorlog. Toch heeft ds. Van Rootselaar zich nooit op een speciale wijze met het probleem Israël bezig gehouden. Maar wel werd in de Tweede Wereldoorlog daarom de keuze gemaakt voor het volk Israël omdat het het volk van Gods belofte is, waaruit de Christus is voortgekomen. Het volk van het Oude Verbond, het volk dat ook Paulus lief had, zodat hij wel om zijn broederen verbannen wenste te zijn, opdat zij behouden zouden worden.

'Werkloosheid?'

'De mens is geschapen tot arbeid; zijn lichaams-en zielegaven vragen om arbeid. Géén arbeid betekent enerzijds een oordeel, anderzijds een grote schade voor het hele menselijke bestaan, ook geestelijk, want geest en lichaam hangen ten nauwste samen.'

'Samen-op-Weg?'

Ik wil met genoegen samen op weg gaan, mits één ding maar gehandhaafd blijft: de reformatorische belijdenis, onverkort.

'Het pausbezoek?'

Géén antipapisme. Het gaat niet tegen de paus als zodanig. Het gaat tegen de hele leer en religie van Rome. Liefde voor een 'roomse' betekent dat je hem van z'n dwaalweg afroept. Ook de paus is een medereiziger naar de eeuwigheid. Maar de mis is een vervloekte afgoderij.

'En als u weer moest beginnen?'

'Met drie maal zoveel overtuiging.'

En wat de jonge predikanten betreft, in het proces van secularisatie; in het proces van Samen-op-Weg; in de Hervormde Kerk; zijn er nog wel gemeenten, die straks kunnen beroepen?, voor dit alles is maar één antwoord: 'in het geloof op weg gaan; wie werkelijk uit de liefde van zijn hart, uit liefde tot de Heere, Zijn dienst en Zijn Woord, ook in deze tijd begint, heeft één ding goed voor ogen te houden: trouw aan de Heere, trouw aan Zijn Woord, trouw aan Zijn dienst, trouw aan de belijdenis, dan gaat het altijd goed. Dan moeten we niet zien op de kerk maar op de Koning van de kerk. De Heere heeft nog werk genoeg. En ik heb nog nooit iemand zien mislukken, die in de vreze Gods begon.

'Als ik op mezelf zie had ik alléén maar kunnen mislukken, van jongs af, ook als ik zie wat er in mijn hart was en is. Ik ben wat ik ben en heb gedaan wat ik heb gedaan enkel als een wonder van Gods genade.'


Het is al weer enige tijd geleden dat we in ons blad een vraaggesprek weergaven met één van de oudere hervormd gereformeerde predikanten. We vervolgen nu met een gesprek, dat we voerden met ds. J. van Rootselaar. Zijn vrouw woonde het gesprek bij en gaf af en toe een gewaardeerde aanvulling.

Ds. Van Rootselaar diende de gemeenten van Hagestein (1931-1938), Wanswerd (1938-1944), Oosterwolde (Gld.) (1944-1949), Oud-Alblas (1949-1951), Wijk bij Heusden (1951-1956), Delft (1956-1964), Barneveld (1964-1970) en IJsselmuiden, waar hij op 24 oktober 1971 met emeritaat ging.

Ds. Van Rootselaar heeft zich vooral ook ingezet voor hulp aan de christenen in Oost-Europa. Toen hij overigens voor de tweede keer één van de landen in Oost-Europa bezocht werd hij door een hartaanval getroffen en verbleef toen daar enige tijd in het ziekenhuis. Intussen is het werk, dat door ds. Van Rootselaar als een klein stekje (vanuit de regio IJsselmuiden) begonnen is, uitgegroeid tot een breedvertakte organisatie, t.w. de Stichting Hulp Oost-Europa, waarvan ds. Van Rootselaar ere-voorzitter is.

In het interview is géén aandacht meer gegeven aan de bijzondere oorlogserva­ringen van ds. Van Rootselaar, omdat hijzelf daarvan enkele impressies heeft gegeven in het bevrijdingsnummer van ons blad (2 mei 1985).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1985

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Altijd 'goed hervormd' gebleven

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1985

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's