Dankbaarheid
I Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden, aan mij bewezen? Ik zal de beker der verlossingen opnemen en de Naam des Meeren aanroepen. Ps. 116 : 12, 13
De dichter is gered uit de nood. Hij mag weer ademhalen na zoveel bange tegenspoed. Die adem gebruikt hij tot dankbaarheid. Ellende - verlossing - dankbaarheid. De Heere verlost tenslotte niet om te zondigen , maar van de zonde, opdat we zouden wandelen in de nieuwigheid des levens. Wordt deze wandel in ons leven gekend? Aan je levenswandel kan de ander zien wat in je hart leeft. Nee, een vrome en schone schijn moeten we niet verwarren met een wandelen voor Gods Aangezicht.
Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen? Aan mij! Mij de grootste der zondaren is barmhartigheid geschied. Wat een wonder. Ik ben het niet waard. Ik heb van mezelf geen hart, geen mond en geen tong om de Heere te danken. Toch wekt een kind van God zijn hart ertoe op: loofde Heere mijn ziel en al wat binnen in mij is Zijn heilige Naam.
Wat zal ik de Heere vergelden? Is dat een terugbetalen? Nee, genade kun je niet kopen. Genade is er om niet. Zonder geld en zonder prijs. Gods Hef de zet echter aan tot wederliefde, tot danken. Dat zegt de Heere Zelf: Ik heb Mij een volk geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen. Als we mogen i zien wat de Heere in Christus heeft gedaan, brengt dat een heilige verlegenheid. Wat zal ik de Heere vergelden? De Heere heeft alles gegeven. Hij is daarom waard, dat ook ik mijn leven helemaal geef in Zijn dienst.
• Al Zijn weldaden. Ondankbaarheid is het ergste wat er is. Je Weldoener vergeten. Het is als in een muziekstuk, waarin je regelmatig enige noten weglaat. Het is niet om aan te horen. Tel uw zegeningen één voor één. Tel ze allen en vergeet er geen. Wie komt er hier zonder schuld onderuit? Toch niemand. Pas in de eeuwige heerlijkheid zullen er geen valse tonen doorkhnken. Dat neemt niet weg, dat de Heere recht heeft op die dank. Er zal in ons leven dan iets van die heimwee zijn om de Heere eenmaal volkomen de lof en aanbidding te mogen toebrengen. Dankzeggen is danken, omdat Jezus heeft voldaan, wat wij nebben misdaan. Al zijn weldaden. En dat zijn er wat. Wij zijn van die vergeetachtige mensen. We vinden die weldaden zo gewoon, dat we het bijzondere er niet meer in zien. Wat een weldaad, dat er voedsel, kleding en deksel is. Dat de Heere Zijn bewarende hand over ons uitstrekt vanaf de moederschoot. Zelfs na de zondeval trok Hij Zijn weldaden niet in. Elke polsslag, elke ademtocht het is een weldaad des Heeren. En dan niet te vergeten de weldaden in geestelijk opzicht. Geboren op het erf van het verbond. We ontvingen het teken en zegel ervan. Tot op heden mogen we nog leven onder de beademing van het Woord. Hoe lang echter nog? Wat een weldaad, dat de Heere ons nog roept tot geloof en bekering. Nog klinkt het: laat u met God verzoenen. Kennen we echter de grootste weldaad van dood levend te zijn gemaakt door Gods Geest? En dat alles om de zoen-en kruisverdiensten van Christus? Zo wordt de dienst des Heeren het een en het al. Een dag is in Uw huis mij meer, dan duizend waar ik U ontbeer. Wat een weldaden. De Heere heeft grote en heerlijke dingen aan ons gedaan, daarom zijn we verblijd.
Wat zal ik Hem vergelden? Gaat ons hart zo reeds op in de dingen des Heeren? Nee? Wel, dan zullen al die weldaden nog eenmaal tegen ons getuigen. We zijn in Adam bij de Heere vandaan gegaan. De Heere nodigt echter: kom terug. Wendt u naar Mij toe en wordt behouden. Zo blijven we altijd weer met schuld zitten. Al mag je weten de schuld van mijn zonden is uit Gods boek gedaan, dan is daar toch de schuld nog der hef de. Wat zal ik de Heere vergelden? De kinderen des Heeren worden bedolven onder een stroom van weldaden, die voortkomen uit de troon van God en van het Lam. Een stroom van levend water.
De Vader opende in Zijn Zoon Zijn Vaderhart, dat klopt vol liefde voor verlorenen in zichzelf. De Zoon verhet Zijn hemelse heerlijkheid, die Hij had bij de Vader. Hij werd arm, om velen rijk te maken. Hij ging plaatsvervangend en plaatsbekledend de weg van de kribbe naar het kruis. En van het kruis naar de kroon. Hij voor mij. Is er een groter weldaad? Zou je dan niet mee gaan zingen met dat schoonste lied van deze Koning? Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. En de Heilige Geest opent daar van nature blinde ogen voor.
Wij waren dood. De Geest maakt levend. Wij waren doof. De Geest opent onze oren. Wij gaan op in haat. De Geest schenkt liefde. Wij waren afgedwaald. De Geest drijft ons uit tot Christus. Wat is dat rijk als onze ogen de zaligheid mogen aanschouwen. De Geest schenkt dan ogen om te zien. Oren om te horen. Voeten om naar Christus te gaan. Armen om Hem te omhelzen. Zullen we deze Geest niet bedroeven of tegenstaan? Wat hebben wij de Heere reeds in ons leven vergolden? Schaamte mag er wel zijn bij ons. Hoe oud bent u? Hoeveel jaar daarvan hebt u de wereld gediend? Wat zal ik de Heere vergelden? Gods kinderen wandelen voor Gods Aangezicht op de tonen der dankzegging. Een wereldling wandelt op de maat van de marsmuziek van de hel. Het ligt wel beter in het gehoor. Bekeer u dan. Want de Heere vergeeft menigvuldig. De ware dankzegging is er in voorspoed en in tegenspoed. Dan kun je zelfs psalmen zingen in de nacht. Dankt God dan ook in alles. Alle dingen moeten medewerken ten goede. Dan kun je toch niet klagen over de dingen, waar je de Heere straks eeuwig voor moet danken.
De dichter vat nu zijn dank samen in de woorden: ik zal de beker der verlossingen opnemen. De beker der verlossingen neemt bij het Pascha en de offerdienst een belangrijke plaats in. De beker met de wijn als dank-en drankoffer. Ze werden de Heere gebracht als teken van dankbaarheid in Gods huis. Daar is de dichter thuis. Bij Gods altaren, waar alles spreekt van verzoening. Verzoening in het offer, dat Christus bracht tot verzoening van zonden en schuld. Dat geeft de ware rust. Nu mogen we bij het Avondmaal de beker der dankzegging opheffen, die we dankzeggende zegenen. Zo rijst Gods lof op uit het stof. De beker wijst heen naar Hem, Die de verlossing is van het ware Israël Gods. Christus' bloed brengt verzoening en vrede. Laten
we dit bloed toch niet onrein achten. Wanneer we de beker opheffen beUjden we wat we in Christus hebben.
De beker der verlossingen. Meervoud. Och, dat Israels verlossingen uit Sion kwamen. Verlossingen spreekt ons van veelheid en volkomenheid. Daartoe heeft de Heere Jezus de beker van Gods toorn tot de laatste druppel leeggedronken. Zou Ik die niet drinken, zei de Heere tot Zijn discipelen. Zo vulde Hij de beker des heils. Dan mag het wel zijn, dankende te allen tijd over alle dingen God en de Vader in de naam van onze Heere Jezus Christus. In Christus is al mijn heil. Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven. Er is maar één waarheid. Die is niet oud, die is nog springlevend: Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid. Buiten Hem is er geen leven, maar eeuwig zielsverderf. Hij heeft Zijn leven gegeven en Zijn bloed gestort om zondaren te behouden. Wie in Hem gelooft zal niet sterven , maar leven. De ware dankbaarheid zal daarom altijd in Christus eindigen. Als God de gevangenen van Zijn volk zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen en Israël zal verblijd zijn.
Heilige jaloersheid mag er wel zijn als we nog vreemd zijn aan het werk van God in Christus. Waar blijft dan de dankbaarheid? Velen willen wel de weldaden, de verlossingen, maar de Gever van die gaven wordt vergeten. We zeggen in onze tijd, dat we er recht op hebben. Daarom moet ons hart, de vuile bron van alle wanbedrijven gereinigd worden. Slechts een middel kan reinigen: het bloed van Christus. Het bloed van dat onbevlekte en onbestraffelijke Lam.
Niemand zal de beker der verlossingen op kunnen nemen zonder Jezus in het geloof te hebben aangenomen door de Heilige Geest. Niemand kan zeggen Jezus de Heere te zijn dan door de Heilige Geest.
Ik zal de beker der verlossingen opnemen... en... de Naam des Heeren aanroepen. Wie dat doet sta af van ongerechtigheid. Met de beker in de hand vloeit de mand over van Gods eer, gelijk een bron zich uitstort op de velden. Ik zal U offeren een offerande der dankzegging. Dankzeggen voor al de weldaden des Heeren aan mij bewezen. Ik zal U loven met mijn gehele hart. Gij hebt vanwege Uw ganse Naam Uw Woord groot gemaakt. Zo keren de weldaden des Heeren in de dankzegging weer tot Hem terug. Zo zal God ontvangen, aanbidding, eer en dank'bre lof gezangen. De dank in de tegenwoordigheid van al Gods volk. In de voorhoven des Heeren. In het midden van u, o Jeruzalem. De Heere danken. Halleluja. Dat is het ene woordje wat overblijft en waar onze psalm mee eindigt. Halleluja! Looft Hem naar zo menig blijk, van Zijn heerlijk Koninkrijk, voor Zijn troon en hier beneden. Halleluja! Amen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's