Volwassendoop en herdoop (4)
De vorige keer hebben wij een korte weergave gegeven van Calvijn's gedachten over de doop, in het bijzonder de kinderdoop.
De vorige keer hebben wij een korte weergave gegeven van Calvijn's gedachten over de doop, in het bijzonder de kinderdoop. We hebben gezien, hoe hij ook daarin de eenheid van doop en geloof vasthoudt, zodat ook de kinderen gezien worden als delend in het volle heil des Heeren, maar zonder te komen tot een geloofsautomatisme en een goedkope genadebeschouwing, waardoor de profetischkritische houding ten opzichte van de christelijke gemeente zou kunnen worden verzwakt. Er is bij Calvijn een bijbels samengaan van een positieve benadering van de gemeente vanuit de door God in Christus verworven en door de Geest geschonken genade, met een kritische, onderscheidende en zo opbouwende verkondiging en pastoraat, waarbij ook de negatieve kanten van de gemeente voluit ter sprake komen.
We willen nu verder gaan met in het kort na te gaan, hoe na Calvijn in onze gereformeerde traditie over deze zaken is gedacht. Dat is daarom nodig, omdat Calvijn wel kan worden gezien als de grondlegger van de gereformeerde traditie, maar er na hem toch allerlei ontwikkelingen zich hebben voorgedaan, die in mindere of meerdere mate gewaardeerd kunnen worden als verschuivingen of zelfs als afwijkingen van het oorspronkelijke. Dat geldt zeker als het om de kinderdoop gaat, en daarom is het nodig om hierbij uitdrukkelijk stil te staan.
In eerste instantie zien wij, dat de volgelingen van Calvijn op dit punt het spoor van de meester volgen. Dat houdt in, dat zij, tegenover de dopers met name, de doop der jonge kinderen voluit willen handhaven, en dat zij ook de betekenis van deze doop voluit positief invullen. We zouden daarvoor vele theologen kunnen noemen. Ik noem slechts een enkele. Wij denken aan de bekende engelse Puritein W. Perkins, die ook in Nederland grote invloed heeft uitgeoefend. Hij leert ook de kinderdoop, en legt eveneens een nauwe verbinding tussen doop en geloof. Volgens hem kan die verbinding op twee manieren worden ingevuld. Wij kunnen ervan uitgaan, dat deze jonge kinderen reeds zijn wedergeboren krachtens Gods verkiezende genade. Daarom is de doop ook nu niet alleen teken en zegel van Gods belofte, maar geldt ook dat hij ontvangen is in het geloof. Ook bij de gedoopte kinderen is dit laatste volkomen op zijn plaats. Het is echter ook mogelijk om de jonge gedoopte kinderen vooral te zien als kinderen, die geboren zijn uit gelovige ouders en mogen beschouwd worden als in het geloof van de ouders begrepen te zijn. In het eerste geval wordt het zwaartepunt gelegd in wat er aan genade in het kind zelf aanwezig is, in het tweede geval wordt meer de verbondsmatige lijn geaccentueerd en het kind vooral gezien als delend in Gods genade krachtens Gods verbond, dat God heeft opgericht, niet met individuen, maar met zijn volk, van geslacht tot geslacht.
We zien hieruit, dat Perkins zich nauw bij Calvijn aansluit. Wel wordt hier iets meer uit elkaar gelegd, wat bij Calvijn nog geheel een eenheid is. We zouden dit kunnen noemen het pneumatologische (Heilige Geest) of ook wel het onderwerpelijke èn het verbondsmatige accent. Bij Calvijn zijn die twee onlosmakelijk met elkaar verbonden en grijpen zij geheel op elkaar in. Bij Perkins worden zij meer naast elkaar geplaatst, en krijgt het enigszins het karakter van een of—of, waaruit men dan kan kiezen. Dat laatste zal wel weer daarmee samenhangen, dat bij Perkins niet meer de nadruk valt op het geloof, maar op de verkiezing en de wedergeboorte. Hij spreekt van verkoren kinderen, die wedergeboren zijn. Calvijn spreekt van een zaad des geloofs. Dat zijn geen twee wezenlijk verschillende zaken. Hetzelfde heil wordt ermee aangeduid. Maar de andere benamingen duiden wel aan, dat er ook een andere belichting van dit heil plaatsvindt, die meer gericht is op de subjectiviteit van de mens, en aan de genade van God een meer innerlijke gestalte geeft.
Wel is het duidelijk, dat bij Perkins achter deze visie een verbondsleer schuilgaat, die nauw met de verkiezing is verbonden, en inhoudelijk daarmee samenvalt. Ook al is in die tijd de verbondsleer nog niet tot een uitgegroeide vorm gekomen, in feite komt het toch daarop neer, dat God zijn verbond opricht met de uitverkorenen. Tot het verbond behoren is hetzelfde als uitverkoren zijn. Wanneer dus ook de kinderen in dit verbond worden opgenomen en dit met de doop wordt bekrachtigd en verzegeld, dan hebben wij ervan uit te gaan, dat deze kinderen uitverkoren zijn en dus delen in het volle heil van Christus en zo ook als kinderen van God dienen te worden beschouwd en behandeld.
Naast Perkins zou ik willen wijzen op de Dordtse Leerregels. Daarin gaat het voornamelijk over de leer der uitverkiezing, omdat deze leer in de strijd met de Remonstranten centraal stond. Opvallend is echter, dat over het verbond in de D. L. nauwelijks wordt gesproken. De enige keer, dat dit wordt gedaan, is juist in verband met de jonge kinderen. Daarvan wordt in Hfdst. 1, par. 17 gezegd, dat de kinderen der gelovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genade verbond, in hetwelk zij met hun ouders begrepen zijn. Daarom moeten godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid van hun kinderen, die God in hun kindsheid uit dit leven wegneemt. Als Schriftplaatsen worden daarbij aangehaald Gen. 17 : 7, Hand. 2 : 39 en 1 Cor. 7 : 14. We zien hieruit, dat de Dordtse vaderen ook ervan uitgingen, dat we de gedoopte kinderen hebben te zien als uitverkorenen, die, als zij jong sterven, zeker zalig worden.
Nu wordt er wel eens opgemerkt, dat de D.L. hier duidelijk een beperking aanbrengen, omdat zij niet spreken over de jonge kinderen die tot het genadeverbond behoren en dus gedoopt zijn, in het algemeen, maar alleen over de verbondskinderen, die jong sterven. Toch doen wij aan de D.L. geen recht, als wij dit zo verklaren, dat hier uitdrukkelijk een beperking tot de jong gestorven kinderen is gemaakt, in die zin, dat dit niet zou gelden van de andere kinderen, die niet jong sterven. Dat dit geen juiste interpretatie van de D.L. is, mag worden opgemaakt uit het feit, dat de D.L. zich heel nauw, vaak zelfs woordelijk, aansluiten bij de Contra-Remonstrantie die de Gereformeerde vaderen in 1611 hebben ingediend op de Haagse Conferentie, waar de Remonstranten hun Remonstrantie indienden. In deze Remonstrantie verwijten de Remonstranten, dat de Gereformeerden leren, dat van de jonggestorven kinderen, ook in de gemeente, verreweg het grootste deel verloren gaat, omdat het bij de Gereformeerden zo is, dat verreweg het grootste deel der mensheid door God verworpen is en slechts weinigen zijn uitverkoren. De Remonstranten verweten de Gereformeerde vaderen, dat zij hun kinderen zagen als 'brandhout voor de hel'.
Nu blijkt echter, dat in de Contra-Remonstrantie dit verwijt met alle felheid wordt afgewezen. Tegenover het remonstrantse verwijt wordt dan ook met alle stelligheid verklaard, dat de kinderen der gelovigen dienen te worden gezien als kinderen van God en alszodanig hun plaats in de christelijke gemeente voluit innemen. Opmerkelijk is hierbij, dat dan niet de beperking wordt gemaakt tot alleen de kinderen, die jong sterven. Nee, ze geldt alle gedoopte kinderen. Alle dienen te worden gezien en behandeld als Gods kinderen. Dat is het antwoord van onze Gereformeerde vaderen op de Remonstranten geweest. Dat was trouwens ook al het antwoord, dat zij hebben gegeven op de verwijten van de kant van de Dopers. Het kenmerkt de positieve opvatting over de doop en zo ook over de jonge kinderen der gemeente en ten diepste over de gemeente zelf.
De theologische achtergrond hiervan vinden wij, ook in de D.L., in de nauwe verbinding tussen verbond en verkiezing. Opmerkelijk is, dat in de bovengenoemde uitspraak van de D.L. ten opzichte van de kinderen zowel gesproken wordt over het Genadeverbond als over de verkiezing. Het is uit kracht van het genadeverbond, dat godzalige ouders niet moeten twijfelen aan de verkiezing van hun kinderen. We zien hier de eenheid van verbond en verkiezing, die echter op een positieve wijze wordt uitgewerkt, namelijk in die zin, dat de kinderen des verbonds als verkorenen mogen en moeten worden beschouwd. Dat heeft onze vaderen ertoe gebracht om een hoge dunk te koesteren van de christelijke gemeente.
Niet omdat zij in zichzelf zo waardevol is. Nee, want dan geldt: niet van nature. Maar zij neemt die hoge plaats in krachtens Gods Genadeverbond en zijn genadige verkiezing. En als dit van de gemeente alszodanig geldt, geldt dit ook van de kinderen der gemeente, omdat zij in hetzelfde verbond zijn opgenomen en dus delen in dezelfde verkiezende genade van God.
Misschien moeten wij zeggen, dat onze vaderen tot deze positieve uitspraken min of meer gedwongen zijn door de Remonstranten. De Remonstranten waren erop uit om de negatieve aspecten van de Gereformeerde verkiezingsleer zo veel mogelijk te beklemtonen, om zodoende maar een afkeer daartegen te wekken in de gemeente. Als reactie daarop werden de gereformeerde vaderen ertoe gebracht om zoveel mogelijk de positieve aspecten van hun verkiezingsleer te beklemtonen. Daarin gingen zij zelfs zover, dat de officiële uitspraken wel eens op gespannen voet stonden met wat de gereformeerde predikers in hun eigen prediking naar voren brachten. Dat verwijt laten de Remonstranten dan ook horen, en dat zal wel voor een deel op waarheid berust hebben. Echter is het dan toch veelzeggend, dat ook al komen gereformeerde predikanten er soms toe om kritisch en zelfs negatief zich over de gemeente uit te laten en ook over de kinderen der gemeente, wellicht mede daartoe gebracht op grond van een gebrekkige gemeentepraktijk, als zij worden geroepen om officiële belijdende uitspraken te doen, dan vallen deze negatieve bij-aspecten weg en komt de positieve inhoud van het heil, dat ook in de leer der verkiezing en van het verbond tot uitdrukking wordt gebracht, naar voren.
Dat er echter op de achtergrond een grote spanning bestaat tussen leer en leven, ideaal en werkelijkheid, de gemeente zoals zij in haar wezen is en zoals zij zich openbaart in concreto, is duidelijk. Daarom zien wij al heel gauw, dat er wegen gezocht worden om aan deze spanning te ontkomen, hoewel ze toch een bijbelse spanning is, en ligt de weg naar een devaluatie van het verbond van de doop open. Daarover een volgende keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1985
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1985
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's