De vrijheid van de christen (4)
In het slot van het vorige artikel heb ik aangetoond dat het begrip 'vrijheid' bij P. van Buren, H. Cox en D. Sölle niet die vulling heeft zoals de Schrift die ons voorhoudt. De christelijke vulling en de samenhang met geborgenheid en gehoorzaamheid zijn in hun concepties uitermate zwak. Zij gaan ervan uit, dat een ieder wel weet dat vrijheid bestaat in de mogelijkheid om onze natuurlijke humaniteit te ontplooien. Met deze gedachten kunnen wij niet meegaan. Wel blijft dan de vraag over: wat is de vrijheid van de christen in overeenstemming met de Schrift? Kortom: hoe wordt deze vrijheid door Gods Woord ingevuld?
Verandering
Wanneer men iets van de christelijke vrijheid wil verstaan, dient er in het leven een radicale verandering plaats te vinden. Die radicale verandering bestaat hierin dat men door het geloof Christus is ingelijfd. Wie immers in Christus is, is een nieuw schepsel. Het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. In Christus ziet de christen de wereld om zich heen met andere ogen. De wereld is inderdaad voor hem veranderd. In het geloof ziet hij dat de machten der duisternis voor hem zijn overwonnen. Dit is voor de gelovige gebeurd op Golgotha, toen Christus riep: het is volbracht. In het geloof weet de christen dat er geen macht ter wereld is die hem kan scheiden van de liefde Gods in Christus. De doorboorde handen van de Middelaar Gods staan daarvoor garant.
Door genade kent de christen dus een overgang van het oude naar het nieuwe. Tengevolge van de vrede Gods in het hart, komt er iets van de harmonie die God in de schepping had gelegd. Deze existentiële (bevindelijke) ervaring is eigen aan het nieuwe leven. De achtergrond daarvan is dat door het werk van Christus er iets veranderd is in de wereld, die om der zonden wil onder de vloek ligt. Deze verandering is echter alleen maar te zien door het geloof. De vrede, die in het hart woont, wordt niet verstoord, want het werk van Christus is volmaakt. Dit werk behoeft van onze zijde geen enkele aanvulling. Zij mag ook geen enkele aanvulling ondergaan, want dan verdwijnt de vrede. De vrede Gods in Christus is alles! Die wetenschap doet de christen erkennen dat noch natuurkrachten noch ontwikkelingen in deze wereld hem kunnen scheiden van de liefde Gods in Christus, want - nogmaals - alle krachten en machten zijn door Christus onderworpen. Het behoeft daarom geen betoog dat het zicht van de christen op de wereld ge heel anders is dan die van de mens die niet Christus is ingelijfd. Zijn houding en gedrag is van dien aard dat hij daarin de ere Gods op het oog houdt. Een zekere distantie zal al tijd zijn gedrag en houding tegenover deze wereld die in het boze ligt bepalen. Wel in de wereld, maar niet van de wereld!
Wat geen vrijheid verschaft
Zéker is dat de goddeloosheid geen vrijheid verschaft. Integendeel zelfs! Goddeloosheid maakt ons bandeloos. Zij geeft geen band aan God nóch aan de naaste. Zij doet ons leven naar de begeerten van het verdorven vlees zonder met iets óf iemand rekening te houden. Als men in dit geval van vrijheid wil spreken is het vrijheid die gebonden is aan het goddeloze 'ik' en die in bijbelse zin radicaal te verwerpen is. Ook uitwendige godsdienst en wettische dienstbaarheid verlenen ons nooit die vrijheid van de geest, die het gevolg is van de vrijmaking in Christus. De apostel zegt: 'alle dingen zijn mij geoorloofd, geen ding is onrein in zichzelf'. Deze vrijheid nu is het bezit van de christen d.w.z. de vrijheid van een gebondene des Heeren. In deze vrijheid dient de christen te staan, ofschoon direkt de vermaning uitgaat: 'gebruikt deze vrijheid niet als een oorzaak voor het vlees, maar beproeft welke de goede, volmaakte en welbehaaglijke wil van God is'. Deze vermaning doet evenwel niets af van de waarheid, dat die mens waarlijk vrij is, die door de Zoon is vrijgemaakt.
Gevaar van verwereldlijking
Een christen moet maar nooit vergeten dat hij in een wereld leeft die voor God niet buigt. Nog altijd is er in de wereld gebrokenheid tengevolge van de zonde. Deze gebrokenheid is wel in principe door Christus' verzoenend lijden en sterven weggenomen, maar nog niet de facto, althans nog niet geheel. Dat zien wij bijv. in de dierenwereld. Nog altijd zitten de wilde dieren opgesloten achter tralies. Dat is ook nodig, want anders zou men door hen worden verscheurd. De christen leeft nog niet in die wereld waarin de koe en de berin vreedzaam naast elkaar leven en een jongetje zijn handje steekt in de muil van een basilisk.
Nog altijd leeft de gelovige in een wereld die naar God niet vraagt. Intussen zit die wereld niet stil. Allerlei verzoekingen gaan van haar uit naar de gelovige. Het gevaar van verleiding is ontstellend groot. Weliswaar zijn de machten der duisternis door Christus onderworpen, maar nog altoos gaat de satan rond, zoekende wie hij zal kunnen verslinden. En naarmate de eind-tijd vordert, worden zijn aanvallen heftiger, wordt zijn woede groter, omdat hij weet dat hij nog maar een kleine tijd heeft. Daarom is het parool in de Schrift voortdurend: waakt! Wie maar even zijn ogen dicht doet wordt door satan overvallen en meegezogen door de geest en de werken van de wereld. Staande in de vrijheid waarmee men is vrijgemaakt moet de christen er altijd voor bewaard blijven om niet mee te verwereldlijken. Om een concreet voorbeeld te geven: de gelovige mag en moet zich niet vergapen aan al wat groot en groots is in deze wereld, evenmin als hij mag ontkennen dat aards bezit een van God gegeven goed is. Dit laatste moet hij echter wel bezitten als niet bezittende. Met andere woorden: waakt en let dat gij uw hart er niet op zet, zo wordt gij door geen schijn bedrogen. In zijn proefschrift 'Bewaar het pand' merkt dr. Janse o.a. op dat de gereformeerde gezindte tengevolge van emancipatie tot een bepaalde welstand is gekomen. Een terechte constatering! Tegen deze welstand is ook niets in te brengen als die maar gezien wordt als een door God gegeven welstand en niet als een prestatie van het emancipatorisch streven van de mens. Is dit laatste het geval, dan kon het wel eens zijn dat daardoor het vreemdelingschap teloorgaat en men met de welstand vet gemaakt wordt voor de dag der slachting. Welstand om de welstand kon wel eens een ernstige hinderpaal zijn voor de vreze Gods. Wij moeten wat dit betreft het materiële niet onderschatten. Het oefent een enorme aantrekkingskracht uit en levert voor de christen een groot gevaar op omdat hij van huisuit (van nature) en beestachtige liefde heeft tot deze aarde (Calvijn). Door dit zó te stellen voer ik geen pleit voor armoede! Want in de armoede schuilt dit gevaar dat men gaat stelen en de Naam Gods aantast (Spreuken 30 : 9b). Neen, het is van belang dat wij met Gods goederen omgaan als in leen ontvangen: bezittende als niet bezittende. Staande in de vrijheid zullen wij die goederen niet alleen voor onszelf behouden, maar zullen daarvan mild weten te delen. Wat wij bezitten, bezitten wij niet alleen voor onszelf, maar ook voor de ander. De vele noden in deze wereld vragen van ons mededeelzaam te zijn in Woord en Daad. En dat niet alleen uit medelijden, maar omdat de noden ons ter harte gaan. Een waarlijk vrijgemaakt christen zit daarom niet vast aan wat hij bezit. Hij vraagt zich niet af: met hoe weinig kan ik God en mijn naaste van dienst zijn? , maar: met hoeveel? Daarin komt de ware vrijheid dan ook openbaar, want de christen is vrij van het materiële. Zijn gehele leven ligt in Gods hand.
Wettische bekrompenheid
Na bovenstaand intermezzo, moet ik toch ook iets schrijven over wettische bekrompenheid. Dat zij een gevaar is voor de vrijheid zal duidelijk zijn. Wie zich laat knellen door allerlei voorschriften en vuistregels van mensen is geen vrij mens. Helaas zijn er heel wat voorschriften van mensen waardoor de christelijke vrijheid in het gedrang komt. Doorgaans stelt men dat deze voorschriften de identiteit van de christen bepalen. De vraag is óf al die opgelegde regels juist de identiteit niet uithollen en het wezenlijke van het christen-zijn verdonkeren. Laat ik duidelijk zijn. Wat is er de eeuwen door een strijd geweest over de viering van de sabbat, in ons geval: de zondag. Wij zullen het er wel over eens zijn, dat wij op de zondag 'naarstig tot de gemeente Gods moeten komen'. Maar mogen wij alleen maar lopende komen of wellicht daarvoor ook een voertuig gebruiken? Sommigen hebben het met die vraag moeilijk. Er zijn mensen, die nooit anders dan lopende naar de kerk gingen. Maar dat wordt moeilijker bij het ouder worden. Zullen zij nu op de fiets óf per auto gaan? Zij weten zeker dat hun vader dit nooit gedaan zou hebben. Maar zou hun vader het veroordeeld hebben? Dat weten zij niet altijd! Maar dat zegt nog niet altijd alles. Want mag vader ook eens een keer bepaalde dingen niet hebben gedaan of niet willen doen, die toch geen zonde zijn. Zelfs vaders of moeders hebben hun eenzijdigheden of kunnen iets verkeerd bekijken. Zij kunnen te toegeeflijk zijn en ze kunnen te streng zijn. Dat is niet onmogelijk. Men moet bij zulke dingen altijd het doel in ogen houden. Zou men voor zijn genoegen mensen aan het werk zetten of de sabbatsrust breken met enig vervoer, dat zou zeer te verwerpen zijn. Maar God heeft geboden om het Woord te horen en wat daarbij komt. Dan evenwel zijn ook de middelen geoorloofd die nodig zijn om dit gebod op te volgen.
Het gaat niet om een aardse, vleselijke zaak, maar om een geestelijke. Brakel schreef over de sabbat: 'De betrachting bestaat niet in rusten alleen, alsof het 't geheel of een gedeelte van het te betrachtene was. Doch ook niet in een geestelijker dienst Gods dan op andere dagen. Doch ook niet in een bekrompen: raak niet, smaakt niet, mag ik dit wil doen? Mag men dat wel doen? De sabbat is geen strik, maar een verlustiging, doch niet voor het zondige vlees'.
Op grond van het bovenstaande zal ons wel duidelijk zijn dat men gerust een vervoermiddel mag gebruiken als men lopende de samenkomsten van de gemeente niet kan bereiken. Het maakt nog wel enig verschil óf men op Gods dag een vervoermiddel gebruikt om naar Gods huis te gaan óf naar het strand. De rustdag is er om de, mens en niet omgekeerd. Geen wettische bekrompenheid daarin alsof het christen-zijn moet worden afgemeten naar het wel óf niet gebruiken van een vervoermiddel naar Gods huis. Dit geldt trouwens evenzeer voor het rusten zelf op Gods dag. Als men geen kinderen heeft zal het wellicht niet zo moeilijk zijn om rustig lezend en mediterend deze dag door te brengen..Men kan misschien zelfs nog wel een slaapje doen tussen de twee kerkdiensten door als men daaraan behoefte heeft. In een opgroeiend gezin liggen deze zaken niet altijd zo gemakkelijk. Men zal, hoe dan ook, de kinderen op één of andere manier bezig moeten houden. Het is natuurlijk fijn als onze kinderen van lezen houden, maar niet alle kinderen doen dat. Zij hebben zo hun eigen karakter en eigen aard. Sommigen vragen véél aandacht en die zal ze ook gegeven moeten worden. Voor een waardige zondagsrust vraagt dat van een vader en een moeder wel eens bovenmenselijke wijsheid. Voorschriften zijn hierin moeilijk te geven. Ik schrijf slechts dit: laat de zondag voor de kinderen een dag zijn waarop zij ook in hun latere leven met genoegen terugkijken. Een rustdag in christelijke vrijheid doorgebracht. En in christelijke vrijheid wil zeggen: binnen de kaders van Gods wet!
Huizen G. S. A. de Knegt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1985
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1985
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's