Is onze godsdienstvrijheid in gevaar?
Het evangelistenechtpaar Goeree heeft wél aandacht getrokken, maar minder door de evangelieprediking dan door de negatieve vertolking daarvan. De gaskamers van de Tweede Wereldoorlog zouden een directe straf van God aan het joodse volk zijn geweest, vanwege de verwerping van de Messias. Het moge op zich al een absoluut verwerpelijke zaak zijn om zó direct een verband te leggen tussen schuld en straf van God, feit is dat het echtpaar Goeree erin 'geslaagd' is de tekst uit Mattheüs 27 (vers 25) 'Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen' nog weer eens in een bepaalde duiding naar voren te halen. Op een zodanige wijze namelijk dat in ieder geval de Joden kunnen vragen en ook metterdaad vragen of het Nieuwe Testament zelf de uiteindelijke oorzaak ervan is dat ook (de) christenen de eeuwen door hebben meegewerkt aan Jodenvervolging.
Wat die tekst betreft: stond het hele joodse volk bij het kruis, zodat het oordeel over het hele volk voltrokken moest worden? ; stonden er ook niet anderen — vertegenwoordigers van andere volken — bij het kruis? ; maar vooral, zou God élke misdaad van de mens ook direct met een concreet oordeel straffen? Jezus zelf vroeg aan het kruis immers al aan Zijn Vader: 'Vader vergeef het hun, want zij wéten niet wat zij doen'? En als die tekst al zou betekenen dat de Joden het oordeel over zich hebben afgeroepen, zouden wij er dan het récht aan kunnen ontlenen om dat oordeel zélf te voltrekken? Of om na voltrekking van dit oordeel — in dit geval dan de holocaust, de bijna-totale vernietiging van het joodse volk in de Tweede Wereldoorlog — te zeggen dat dit vanwege die concrete schuld was? Kunnen we dan niet evenzeer zeggen dat het christelijke Westen Gods oordeel wel dubbel en dwars verdiend heeft vanwege de moord op een volk? En dan nog wel op het volk dat altijd nog in bepaalde zin Gods volk mag heten! God hééft dat oordeel immers niet voltrokken?
Intussen heeft de rechter een uitspraak gedaan. Het echtpaar Goeree mocht het evangelisatieblad, waarin de geruchtmakende uitspraken werden gedaan, niet langer verspreiden want de rechter achtte de hantering van de tekst uit Matth. 27 discriminerend voor het joodse volk. Het gevolg is intussen echter wél geweest dat velen zich bezorgd hebben afgevraagd of met een dergelijke rechterlijke uitspraak de vrijheid van godsdienst en van meningsuiting niet in het geding is gekomen. Dat nu is mijns inziens niét het geval, althans niet op grond van deze kwestie. Daarover wil ik in het hiervolgende iets opmerken.
Ten onrechte
Laat ik er bij voorbaat geen misverstand over laten bestaan dat ik het onjuist acht dat de rechter zich met een dergelijke interreligieuze kwestie inlaat. Deze zaak moet niet voor de réchter maar in een diepgaand gesprek tussen betrokkenen, in dit geval vertegenwoordigers van het jodendom (als godsdienst) en het christendom, óók van diegenen, die — zoals het echtpaar Goeree — direct verband leggen tussen de holocaust en de straf van God, aan de orde komen.
Ook acht ik het uiterst laakbaar en veelzeggend dat 'christelijke' adviseurs zoals dr. Hans Jansen zich op een wijze met de kwestie hebben ingelaten, zoals ze dat hebben gedaan. Want Jansen betoogt in feite in zijn boeken 'Christelijke Theologie na Auschwitz' (met name het tweede deel) dat het Nieuwe Testament antisemitische trekken heeft. Hém acht ik de hoofdpersoon in het geding dat nu gaande is. Want hij spreekt niet over een bepaalde interpretatie van teksten uit het Nieuwe Testament, die tot antisemitisme leidt, maar over het Nieuwe Testament zélf. Alsof dit Nieuwe Testament niet door Joden geschreven is. In hun uitspraken over het absolute van de 'nieuwe weg' , die met de komst van Christus was aangebroken, zijn ze niet Jood-af geraakt maar hebben ze zich in grote bewogenheid tot hun eigen volksgenoten gewend, om te betuigen dat Jezus de Messias is. De adviezen van dr. Jansen volgende is er maar een kleine stap nodig — en dat is het wat ik eerder hier kort betoogde —om het Nieuwe Testament in de beklaagdenbank te zetten.
Waarom ik dan tóch niet geloof dat deze kwestie moet worden aangegrepen om te denken dat de godsdienstvrijheid in gevaar komt? Omdat Joden hier het gevoel hebben gehad dat het om een christelijke rechtvaardiging van de straf (aan hén voltrokken) ging. En waarom zou zulk een rechtvaardiging van straf ook in de toekomst niet mogelijk zijn? Mogen Joden hier een door de geschiedenis bevestigde vrees hebben? Mogen Joden hier vrezen dat nieuw anti-semitisme, dat niet te goed is voor een nieuwe volksmoord, op de loer ligt?
Maar ik moet het nog zien gebeuren dat Joden vandaag christenen voor de rechtbank dagen omdat die — óók tegenover hén — betuigen dat Jezus, de Christus, de Messias is. Dan zou met recht de godsdienstvrijheid in het geding zijn.
Slechte raadgeefster
Vrees is een slechte raadgeefster. Ik denk dat we elkaar ook moeten waarschuwen om niet allerwegen spookbeelden te zien vanwege het feit dat we als christenen van meerderheid tot minderheid geworden zijn en daarom discriminatie voor onszelf zien opdoemen. Wat dat betreft moet overigens worden gezegd dat we dan van het Jodendom niet zoveel te duchten kunnen hebben omdat dat een uiterst kleine minderheid in onze samenleving is. Als we zorg hebben dan moet dat gefundeerde zorg zijn.
We leven thans onder de druk van een antidiscriminatiewet, die op komst is en toch (nog) maar niet komt. Mógen we als christenen straks nog wel uitkomen voor onze overtuiging? Dat is de vraag die velen zich thans stellen. Laten we dan allereerst in alle nuchterheid vaststellen dat dit thans nog onbeperkt mogelijk is. Ieder kan in Nederland op een 'zeepkist' gaan staan om van zijn overtuiging getuigend blijk te geven. Er is zelfs in overheidskring de laatste jaren in hoge mate erkenning gekomen van een aparte stream, een stroming naast andere, die bijna automatisch erkenning krijgt wanneer aan de criteria wordt voldaan, namelijk de 'reformatorische'. Wat het christelijk onderwijs bijvoorbeeld betreft zijn reformatorische scholen in overvloed ontstaan. Men beriep zich op een bepaalde politieke, zeg ook religieuze achtergrond, en er kwam toestemming voor het vestigen van een nieuwe school. Zo mocht recent ook een Gereformeerd Psychiatrisch Ziekenhuis in het leven worden geroepen (hier lopen de benamingen gereformeerd en reformatorisch overigens dooreen). Zulke instituten worden vanwege de eigen identiteit erkend. Dus zal het niet zó maar gebeuren dat de overheid hier dan weer identiteits-vervagende bepalingen invoert. Ik stel dit zo met nadruk om aan te geven dat, terwijl een anti-discriminatiewet op komst is, de overheid in verregaande mate tegemoet komt aan verlangens van dat volksdeel, dat vanwege de identiteitsvervaging elders eigen instituten in het leven riep en roept. De bedreiging van de godsdienstvrijheid moet elders worden gezocht dan waar we deze meestal vermoeden.
Het gaat erom dat godsdienstvrijheid in onze samenleving functioneert binnen ons rechtsbestel, en dat is wél een rechtsbestel na 1795.
Definitie
Wat is in ons rechtsbestel godsdienstvrijheid? De definitie daarvan binnen ons democratisch patroon is: 'de vrijheid om zijn godsdienstige meningen, met gebruikmaking van alle wettige middelen van publiciteit, te belijden en te verbreiden; tevens om volgens het eigen recht der godsdienstige gemeenschappen de openbare eredienst te houden en een bestuursapparaat te doen fungeren; dat alles binnen de grenzen van algemene rechtsbeginselen en goede zeden.'
leder kan zich — dat is duidelijk — op deze bepaling beroepen. Toen we als christenen nog de meerderheid vormden in de samenleving gaf dat ook een (politiek) democratisch recht om er geldigheid aan te geven. Maar nu — nu de samenleving in meerderheid onchristelijk wordt, of zelfs anti-christelijk — is het de vraag hoe het er met de christenen voor komt te staan in de toekomst.
Ootmoed en getuigenis
Het zal er — dat wil ik toch wel allereerst opmerken — in de nabije toekomst om gaan hoe we als christenheid in dit land getuigenis kunnen geven van de Waarheid, in een situatie dat we van meerderheid tot minderheid geworden zijn. In het verleden hebben bepaalde groeperingen zich al minderheid gevoeld en tóch van de Waarheid getuigenis willen en kunnen geven. Ze deden het uit theocratisch besef. Ik schaar me gaarne onder hen, omdat ik er mee van overtuigd ben dat God het te zeggen heeft over het ganse leven, en het leven van staat en maatschappij dus aan Zijn gebod onderworpen is. Toch kreeg deze visie niet altijd de support van andere christenen, die wél 'op alle terreinen des levens' de heerschappij van Christus daadwerkelijk waar wilden maken, maar daarbij afhankelijk waren van 'de helft plus één', de meerderheid van stemmen. Nu blijkt echter dat gelederen zich sluiten. Actieve daad gaat over in getuigenis.
We zullen ons intussen echter moeten realiseren dat onze godsdienstvrijheid, zoals die thans in de grondwet verankerd is, teruggaat op de franse revolutie, tot 1795. Het betekent namelijk wel dat alle godsdienstige groeperingen dezelfde rechten hebben. En nu onze samenleving meer en meer seculariseert blijkt welke consequenties dat heeft.
We zullen ons daarbij diep hebben te realiseren dat de situatie, die wij nu beleven — namelijk dat steeds meer uitingen van ongeloof, van wetsverzaking, van anti-christelijke actie opgeld doen — allereerst is opgeroepen door het feit dat het christendom is afgekalfd, onttakeld. De kerk heeft méér en méér de greep op het volk(sleven) verloren. En verder is de kerk, zijn de kerken hopeloos verdeeld, ook intern wanneer het om dié kwesties gaat, die momenteel in de samenleving spelen (erkening van de wettigheid van abortus, euthanasie en verder gelijke behandeling en discriminatie). Alvorens we 'te wapen' roepen hebben we in diepe ootmoed te getuigen dat het oordeel begint van het huis Gods. Ik roep nog eens in herinnering de rake typering van dr. W. Aalders in zijn boek 'In verzet tegen de tijd' als hij opmerkt dat we zullen moeten leren wat het betekent van meerderheid tot minderheid geworden te zijn en derhalve vaak gediscrimineerd te worden, zonder zich daarbij dan gekwetst of bezeerd te voelen. We moeten dan niet om 'onze rechten' komen, want die hebben we niet. We hebben ze bovendien verspeeld omdat we als kerken niet bij de Waarheid Gods bleven en toe moesten zien dat velen met kerk en gemeente hebben gebroken. Wel blijft het gaan om Gods recht op mens en samenleving. Daarvan zal profetisch, niet-aflatend getuigenis moeten worden gegeven met alle consequenties voor het leven van óók de niet-christelijke mens. Niet omdat christenen willen heersen over niet-christenen en dus ook niet uitgaande van verloren pretenties (een soort omzien naar het goede verleden met een zekere rancune), maar omdat de Heere het waard is om gediend te worden en op ons ganse leven recht heeft. De vraag is nu maar hoe sterk het getuigenis zal zijn van hen, die ook vandaag onvoorwaardelijk voor het Woord Gods willen buigen. Ook vandaag zullen we niet, als in de tijd van Constantijn de Grote, het christelijk geloof met geweld opleggen (kunnen) aan anderen. We hebben eerder te leren wat lankmoedigheid is, als afschaduwing van Gods geduld met mens en wereld, die Hem verlaten hebben en in driest ongeloof hun eigen wegen gaan. Om dan in hef de uit te gaan tot een wereld, die wankelt ten dode en daarin te betuigen dat slechts in het onderhoud van Gods geboden groot loon ligt én om te betuigen dat er slechts één Weg is, Jezus Christus, de Weg, de Waarheid en het Leven. Die boodschap is in hoge mate intolerant maar het gaat dan om de intolerantie van de liefde.
Vrijheid
Nog één keer terugkomend op de godsdienstvrijheid: die is in de grondwet verankerd. Voordat daar verandering in komt zal er nog heel wat water door de Rijn moeten stromen. Want zo eenvoudig is de grondwet niet te wijzigen. Maar méér en meer zullen uitingen en overtuigingen, die in het verleden taboe waren in onze samenleving in naam van godsdienstvrijheid of vrijheid van meningsuiting worden erkend. Dan rest voor ons christenen het profetisch getuigenis: van kerk(en) en christenen, ook van politieke partijen, die de C in hun naam hebben; een profetisch getuigenis naar volk en overheid toe.
Maar wel blijkt overigens meer en meer hoe de functie van de rechter in hoge mate bepalend is voor het functioneren van de godsdienstvrijheid. De kwestie van de rechterlijke uitspraak over het echtpaar Goeree is — ik betoogde het hierboven reeds — een slecht voorbeeld, al had de rechter daar buiten moeten blijven. Maar hoe zal de rechter zich gaan uitspreken wanneer in de toekomst kwesties aan de orde zijn, dat mensen om des gewetenswil 'nee' moeten zeggen in een (arbeids)situatie, waarin zij gedwongen worden mee te werken aan zaken, waaraan ze niet mee kunnen werken en hen dan het werken, c.q het leven (letterlijk) onmogelijk wordt gemaakt? De godsdienstvrijheid zal echt nog wel blijven, maar hoe gaat men er in de juridische hantering binnen onze samenleving mee om als we bedenken hoe vandaag ook mensen, die hun christelijke verleden achter zich lieten, niet zonder rancune reageren op al wat met de christelijke levensovertuiging te maken heeft? Er kunnen dan partijdige juridische adviseurs of zelfs ook ontrouwe 'christelijke' adviseurs opstaan.
Diegenen, die voor de Naam en de zaak des Heeren in de praktijk van alle dag willen opkomen, zullen het zeker niet gemakkelijker krijgen. In een situatie, waarin steeds meer op 'gelijke behandeling' wordt aangedrongen kan en zal het steeds moeilijker worden voor hen, die diep ervan overtuigd zijn dat wat mensen hun rechten noemen in Gods oog géén gelijk recht heeft, liever: nog helemaal geen recht heeft. Dit te zeggen alléén al kan als discriminerend worden opgevat. Hoe groot zal ons incasseringsvermogen dan zijn? In ieder geval mogen we weten dat ook vandaag in het onderhouden van het gebod Gods groot loon ligt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's