Gods waarom
'O geslacht, aanmerkt gij toch het Woord des Heeren! Ben Ik Israël een woestijn geweest, of een land van uiterste donkerheid? Waarom zegt dan Mijn volk: wij zijn heren, wij zullen niet meer tot U komen?' Jer. 2 : 31
Een vraag die nogal eens bij ons leeft, is de waarom-vraag. Er zullen onder de lezers maar weinig mensen zijn die deze vraag niet kennen. Er kunnen van die dingen in ons leven zijn waar we niet uitkomen, en waar we telkens tegen op lopen. Waarom die ziekte? Waarom dat verdriet? Waarom moet dat nu juist mij overkomen? Dat zijn vragen die veel strijd met zich meebrengen. Vooral omdat er meestal geen pasklaar antwoord gegeven wordt. We vinden alleen vrede als we met onze vragen bij de Heere komen, en alles in Zijn hand leren overgeven. Dwars door de worsteling heen.
De waarom-vraag. Wist u dat Gód deze vraag ook kent? We lezen het in de tekst boven deze meditatie: 'waarom zegt dan Mijn volk...?' De Heere worstelt in dit hoofdstuk met de ontrouw en de onbekeerlijkheid van Zijn volk. Hij kan het niet begrijpen dat Israël zich van Hem heeft afgewend, en dat ze er met de afgoden vandoor is gegaan. De tekst is een onderdeel van de eerste preek die Jeremia gehouden heeft. Deze preek is een vlammend protest tegen de afgoderij die Israël bedrijft. Bewogen wordt de zonde ontmaskerd. Om de afval zo scherp mogelijk te ontmaskeren, wordt de verbondsverhouding tussen God en Zijn volk vergeleken met het huwelijk. Israël is een ontrouwe echtgenote geworden. En dan niet zo dat ze het af en toe met een ander houdt. Nee, ze heeft het huwelijk met God verbroken. Haar wettige Man ingeruild voor andere mannen (vs. 11). En zie, dat is voor de Heere onbegrijpelijk. Alsof de afgoden beter zijn dan Hij, de Springader van het levende water (vs. 13). Het pijnlijke is, dat Israël zelf het overspel ontkent. Ze houdt vol dat ze onschuldig is. Hoe durft ze! Is het geen wonder dat God het oordeel nog steeds uitstelt? Dat Hij de scheiding van Zijn kant nog niet erkent? In Zijn oneindige liefde laat God Zijn volk zomaar niet los. Hij stelt alles in het werk om Zijn bruid weer terug te winnen. Maar het eerste wat daarvoor nodig is, is schuldbelijdenis. Dat is altijd het begin van bekering. En dát is het wat God uiteindelijk beoogt. Let er op dat de Heere in de tekst blijft spreken van Mijn volk. Ondanks alles. Is dat even liefde.
In dit woord gaat God tot het uiterste. Dringend smeekt Hij om de aandacht van het volk: 'aanmerkt gij toch het woord des Heeren'. M.a.w. geef er toch acht op. Houdt u niet doof. Doe niet alsof u het niet hoort. Want u gaat op deze weg uw ongeluk tegemoet. En dan gaat de Heere met Zichzelf in gesprek. Hij vraagt Zich af of de schuld van Israels ontrouw soms bij Hem ligt. Zou het kunnen dat Hij aanleiding totdat overspel gegeven heeft? Is het volk soms in Hem teleurgesteld? Zoals wij dat wel eens zeggen: het is geen wonder dat die vrouw is weggelopen. Ze had geen leven bij haar man. En dat vraagt de Heere Zich nu af. 'Ben Ik Israël een woestijn geweest, of een land van uiterste donkerheid?'
Wat is dat beschamend, dat God zo diep buigt. Alsof Hij tekort geschoten zou zijn! Geef daar nu eens antwoord op, Israël. Is de Heere een woestijn voor u geweest? Was het leven bij Hem schraal en dor? Waren er dan geen stromen van levend water? Bent u bij Hem verhongerd? Als dat waar was, dan zou uw ontrouw nog een keer begrijpelijk zijn. Maar dat kunt u onmogelijk volhouden. De Heere is geen woestijn. Geen land van uiterste donkerheid, waar je geen hand voor de ogen kunt zien, en waar je angstig op de tast je weg moet zoeken. Als u dat meent, Israël, dan kent u Hem niet. Want Zijn vriendelijk aangezicht heeft juist vrolijkheid en licht. Wat is Hij de eeuwen van het verbond, de jaren van uw huwelijk goed voor u geweest. U hebt het beloofde land ontvangen. Jaarlijks de oogst. En bovenal de dienst der verzoening. De milde regen van Zijn genade is op u neer gedaald. Wat heeft Hij bovendien een geduld met u gehad, doordat Hij telkens weer Zijn profeten gezonden heeft. En toch bent u bij Hem weggelopen. U denkt dat u het nu beter hebt dan eerst? Fout! Want de afgoden zijn een woestijn. En de Baäls een land van uiterste donkerheid.
Hier hebt u Gods waarom! 'Waarom zegt dan Mijn volk: wij zijn heren?' Eigenlijk staat er een woord dat betekent: we lopen vrij rond. We kunnen gaan en staan waar we willen. Terugkeren tot God? Geen denken aan.
En de Heere? Hij blijft met het waarom worstelen. Kunt u zien dat God onder onze onbekeerlijkheid lijdt. Hij verwondert zich over ons ongeloof, zoals Jezus dat heeft gedaan in Nazareth (Marc. 6). Nu moet u niet zeggen dat God alle dingen van te voren weet, en dat Hij door de ontrouw van Zijn volk niet overvallen is. We moeten laten staan wat er staat. Als we aan het redeneren gaan, maken we dit woord onschadelijk. Nee, laat u vermurwen door dit aangrijpende woord. Wij hebben soms de neiging om een onbekeerd leven normaal te vinden. We raken er aan gewend dat verbondskinderen toch hun eigen weg gaan. Maar beseft u dat God er nooit aan went? Dat Hij er verdriet van heeft, als u niet van Zijn genade leeft, ook al bent u mogelijk elke zondag in Zijn huis? Dat Hij worstelt met het waarom, als jongeren die bij het Woord zijn opgevoed, breken met Hem?
Dan zegt de Heere bij monde van Jeremia: dat begrijp Ik niet. Hoe is het mogelijk! Want - ben Ik dan een woestijn voor u geweest? Voor de gemeente waartoe u behoort, voor u persoonlijk? Wees nu eens eerlijk. God heeft ons Zijn Woord gegeven. En de dienst der verzoening waarin het bloed van Christus op de gemeente neerdruppelt. Hij heeft bovendien de Geest gegeven Die doden levend maakt en het hardste hart klein krijgt. Het léven mag dan een woestijn zijn, vol moeite en zorg. Maar dat betekent niet dat ook de Heere een woestijn is. Niemand behoeft van dorst om te komen. Die dorst heeft, kome, en die wil, neme het water des levens om niet.
Nee, geen woestijn. En ook geen land van uiterste duisternis. Zeker, ons leven gaat vaak door het donker heen. Er zijn mensen voor wie het meer nacht dan dag is. Maar opnieuw zeg ik: dat wil niet zeggen dat de Heere een land van donkerheid is. O ja, Hij kan Zich een tijdlang verbergen om ons te beproeven. Maar op Zijn tijd breekt het licht toch weer door. Alles heeft God er aan gedaan om ons te trekken. Zeg eens: wat had de Heere nu nog meer moeten doen om u tot bekering te brengen? Hij heeft Zijn Zoon gegeven tot in de diepte van de Godverlatenheid. Voor Hem is Hij wèl een woestijn geweest. 'Mij dorst!' En een land van uiterste(!) donkerheid. Donkerder dan op Golgotha is het nooit geweest. 'Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?' Nu, opdat wij nooit meer van God verlaten zouden zijn. Dat is het wonder van het kruis. Ziet u dat de Heere tot het uiterste is gegaan? Waarom wilt u dan toch vrij zijn?
Dit Woord wil ons hart breken, ons in de schuld brengen. Vooral als de Heere geen Vreemde voor ons is, terwijl wij toch bij Hem zijn weggedwaald. Juist het geloof komt met schuld onder dit woord vandaan. God vraagt het u: kijk eens terug in uw leven. Ben Ik een woestijn geweest? Enkel donkerheid? Vergeet Mijn daden niet. Die Avondmaalsviering. Die moeilijke tijd in uw leven. Wat heb Ik toen vertroost, zodat u later zei dat u die periode voor geen goud had willen missen. Die kerkdienst die u nooit meer vergeet, omdat u zicht kreeg op het Lam Gods dat ook uw zonden wegdraagt. Loopt Mijn zorg niet als een rode draad door uw leven heen? Heb Ik u ooit tekort gedaan? Ik heb u wel kort gehouden. Maar dat is iets anders.
Zo is Gods weg met de Zijnen. Maar als Hij kort houdt, dan doet Hij dat om ons kortbij te houden. Kortbij Zichzelf. Maar een woestijn? Nee, dat niet.
We worden in dit woord bewogen geroepen om tot Hem terug te keren. Voor het eerst of anders weer opnieuw. Kruip op de knieën naar Hem terug. Dat wil zeggen: biddend. En belijd het dat u aan het dwalen bent gegaan. Gelukkig wie zo ver komt, op aandrang van de Heilige Geest. Dan worden die laatste woorden van de tekst omgekeerd. Dan is het niet meer: 'wij zullen niet meer tot U komen'. Het wordt: tot Wie zullen we heengaan? Want Gij zijt geen woestijn, en ook geen land van uiterste donkerheid. Gij hebt de woorden van het eeuwige leven. Dan wordt het huwelijk toch nog gered. Het loopt niet op een (eeuwige) scheiding uit. Niet vanwege de goede wil van de bruid. Maar vanwege de volhardende trouw van de Bruidegom.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's