Volwassendoop en herdoop (5)
Het is allereerst nodig om nog even terug te komen op het vorige artikel. Wij behandelden daarin o.a. de visie van de Dordtse Leerregels op de doop, en merkten daarbij op, dat de D.L. de godvrezende ouders vertroosten, met de vermaning, dat zij niet mogen twijfelen aan de verkiezing en zaligheid van hun jonggestorven kinderen. In verband daarmee spraken wij enkele malen over deze kinderen als gedoopte kinderen. Een briefschrijver reageerde daarop met de vraag, of daarmee bedoeld is, dat onder deze jonggestorven kinderen alleen de gedoopte kinderen moeten worden verstaan, daar het toch mogelijk is, dat kinderen zo jong sterven, dat er voor hen (nog) geen gelegenheid is geweest om het sacrament van de doop te ontvangen. Het is goed, dat deze opmerking gemaakt is, omdat het mij de gelegenheid geeft om dit misverstand weg te nemen. Wij hebben daarmee namelijk niet bedoeld, dat alleen van de gedoopte kinderen der godzalige ouders geldt, dat er aan hun verkiezing en zaligheid niet hoeft getwijfeld te worden. Ook de D.L. zullen dit zeker niet zo hebben verstaan. Beslissend is hier niet, dat deze kinderen al of niet gedoopt zijn, maar dat zij als kinderen van gelovige ouders met hen in Gods verbond zijn begrepen en als zodanig mogen worden beschouwd als kinderen van God. De doop is daarvan dan wel het teken en zegel, maar de zaak zelf ligt opgesloten reeds in hun zijn in het verbond, krachtens hun geboorte uit gelovige ouders. Dat wij hier telkens spraken over gedoopte kinderen, is, omdat het nu vooral gaat over de betekenis van de doop, en hoe wij daarbij de kinderdoop en zo ook de gedoopte kinderen hebben te zien. Maar dan moet altijd daarbij worden bedacht, dat de doop niet zelf een heilswerkelijkheid aanbrengt, maar dat hij teken en zegel is van wat reeds krachtens Gods verbond ons en onze kinderen is geschonken.
We gaan nu weer verder bij waar wij de vorige keer gebleven waren. We hebben gezien, hoe bij Calvijn het objectieve en het subjectieve, het heil in Christus en het delen in het heil door de Heilige Geest met elkaar verbonden zijn, en dat dit ook geldt van het sacrament van de doop, en zo ook van de doop der jonge kinderen. We zagen vervolgens dat deze lijn ook na Calvijn aanvankelijk is volgehouden, waarvan de D.L. o.a. een duidelijk bewijs zijn. Daarom zien de D.L. de kinderen van gelovige ouders krachtens het verbond als kinderen van God, en mogen deze ouders, wanneer hun kinderen jong sterven, aan hun verkiezing en zaligheid niet twijfelen. Wanneer wij nu verder de geschiedenis volgen, blijkt, dat de spanning, die in deze gedachtengang ligt opgesloten, en die toch een bijbelse spanning is, niet langer kon worden volgehouden. Dit heeft tot gevolg gehad, dat wat wij bij Calvijn en in de D.L. nog bijeengehouden zien, dan uit elkaar gaat vallen, en op een steeds grotere afstand van elkaar komt staan. Om dit te begrijpen, moeten wij zicht hebben op de omstandigheden, waarin de kerk en de gemeente verkeerden. De kerk, die toen nog in ons land voornamelijk de ene Gereformeerde kerk was, en die verreweg het grootste deel van ons volk bevatte, kwam steeds meer in een dubbele positie terecht. Enerzijds wilde zij zeer bewust als vaderlandse kerk de greep op het Nederlandse volk zoveel mogelijk bewaren. Dat deed zij door haar prediking, haar tucht, haar spreken tot de overheid, enz. Dat deed zij ook door haar doop. Er was de kerk veel aangelegen, dat ons volk een gekerstend volk was, en dat was het duidelijkst te realiseren door het teken van de doop. Ons volk was een gedoopt volk, en als zodanig een christelijk volk. Vandaar dat ons volk door de predikers vaak werd vergeleken met het volk van Israël. Zoals Israël in het Oude Testament Gods eigen volk was, waarmee Hij op een bijzondere wijze verbonden was krachtens het verbond, zo was in hun ogen ook het Nederlandse volk Gods bijzondere volk, in onderscheid met andere volken. Dat bijzondere werd o.a. zichtbaar in het gedoopt-zijn van het volk als teken en zegel van het verbond.
We zien dan in de parallel tussen Israël en Nederland een dubbele lijn lopen. Enerzijds werd Israël als volk in verbinding gebracht met het volk van Nederland. Ander zijds werd Jeruzalem of Sion in verbinding gebracht met de kerk van Nederland. Men zag het als twee concentrische cirkels. De buitenste cirkel was het volk van Israël, in het verlengde waarvan het volk van Nederland stond. De binnenste cirkel was Jeruzalem, Sion, de tempel, in het verlengde waarvan stond de kerk van Nederland. Maar dat waren wel twee concentrische cirkels. Wel onderscheiden dus, maar toch zo dat zij elkaar omringden en omvatten. De eerste was de bredere contekst van de tweede, en de tweede was de kern van de eerste. En beide stonden in de sfeer van Gods bijzondere bemoeienis, Gods verbondshandelen.
We moeten dan eigenlijk ook nog een derde cirkel trekken, die nog nauwer is, en dat is die van de onzichtbare kerk, die gezien werd als de kerk der verkorenen, dus de eigenlijke kring van de uitverkoren kinderen van God. Maar dit laten wij nu even rusten.
Belangrijk is vooral te zien, dat onze vaderen, vanwege deze theocratische visie op het volk en de plaats van de kerk daarin, ertoe zijn gekomen om ook de doop als teken van dit verbond zo ruim mogelijk toe te passen. Dat spitste zich vooral op twee dingen toe. In de eerste plaats daarin, dat men grote nadruk legde op de kinderdoop. Het sterk op het Oude Testament gerichte theocratische denken bracht dit met zich mee. De nadruk viel op het gehéél van de gemeente, van de kerk en van het volk, dat onder het beslag van het Woord diende te komen en te blijven. Het tweede lag geheel in het verlengde hiervan. Men kwam ook tot een zo ruim mogelijke toelating tot de doop.
Natuurlijk deden zich allerlei situaties voor, die als bezwaren konden gelden tegen het toelaten om te dopen. Die bezwaren richtten zich niet alleen op een slechte kerkgang, maar ook op een slechte levenswandel, op allerlei zedelijke wantoestanden, waarvan de geboorte van het betreffende kind vaak het gevolg was. In al deze situaties was echter de uitkomst meestal zo, dat men toch wegen vond om het kind te laten dopen. Eén ding was daarbij vooral van betekenis. Als men maar enigszins een mogelijkheid zag om het kind een christelijke opvoeding te geven, dan werd de doop toegestaan, hetzij de eigen ouder(s) of anderen zoals de grootouders of zelfs vreemden, die de opvoeding voor hun rekening namen, het kind ten doop hielden.
Het gevolg van dit alles was intussen, dat het aantal gedoopten in ons volk groot was en dat de kerk in die zin als kerk van het volk een grote plaats innam.
Ik kom hier nog even terug op wat wij noemden het theocratische karakter van de Gereformeerde Kerk in Nederland in het verleden. Men zag de kerk geplaatst in het hart van het volk, en gericht op het hele volk. We zouden denken, dat dit toch wel met zich mee moest brengen, dat de kerk dan ook een sterk missionair karakter droeg. Maar dat is nu juist niet het geval. We moeten hier wijzen op het verschil tussen een theocratische en een missionaire kerk. Een theocratische kerk claimt het hele volk, wil als kerk van het volk worden gezien en gedraagt zich er ook naar, o.a. in de wijze waarop de doopspraktijk wordt gehanteerd. Een missionaire kerk is vooral gericht op het voluit doen functioneren van zichzelf als kerk des Heeren, gemeente des Heeren, die getuigend staat in deze wereld. Zij eist het volk niet op, zij annexeert het volk niet, maar zij staat getuigend temidden van het volk om de mensen en de volken te werven voor Gods Koninkrijk, voor de gemeente. Maar daartoe is wel nodig, dat men tot bekering komt en tot een positieve geloofsbelijdenis.
Belangrijk is te zien, dat in de 17e en 18e eeuw de Gereformeerde kerk in Nederland niet zozeer een missionaire kerk wilde zijn. Van evangelisatiearbeid en inwendige zending is er in die tijd dan ook (vrijwel) geen sprake. Maar wel annexeerde men het volk voor de kerk. Dat deed men vooral door een ruime doopspraktijk en, daarmee verbonden, door mensen, die zich verzetten, onder de tucht te plaatsen. De kerk wilde meer heersende kerk zijn, en niet zozeer wervende kerk. Wel had dit tot gevolg, dat de positie van de kerk steeds meer één richting uitgroeide. We zouden het kunnen noemen de richting van de uitbreiding, van de kwantiteit, terwijl de verdieping, de kwaliteit steeds meer onder druk kwamen te staan. Of toegespitst op de doop: men was druk met de zorg om te laten dopen, opdat de doorgang en verbreiding van het verbond zouden gehandhaafd blijven. Maar steeds minder aandacht kreeg men ervoor, dat het in de doop en in het verbond, waarvan de doop teken en zegel is, ook gaat om het antwoord des geloofs. Natuurlijk droeg men wel zorg om dit laatste. Maar deze zorg kwam niet meer tot uiting rondom de doop en de bediening ervan. Wel kwam zij naar voren in de prediking en in het pastoraat. Maar los van de doop. Want bij de doop dacht men vooral aan de uitgebreidheid van de kerk. Terwijl men, als het om het geloof en de wedergeboorte en de zaligheid ging, men op andere dingen zich ging richten. Bijv. het andere sacrament, het heilig Avondmaal, en vooral het persoonlijke, innerlijke beleven. Die werden de criteria van het echte kind van God zijn. Maar de doop werd daarbij niet meer genoemd, althans vrijwel niet meer.
We zien dus, hoe wij hier op een grotere afstand komen van wat Calvijn en de eerste periode na hem hierover hebben geleerd. Alleen kon dit natuurlijk niet zonder tegenspraak blijven, en moesten er op den duur wel andere lijnen worden getrokken om deze scheefgegroeide situatie wat bij te trekken. Daarover een volgende keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's