Het evangelie op zijn smalst?
'Bekeert u, gij afkerige kinderen! spreekt de Heere. Want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, één uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen in Sion.' Jer. 3, 14
Er zijn van die woorden in de Schrift die nogal eens uit hun verband worden gerukt. Het gevolg is dan dat zo'n woord een eigen leven gaat leiden, terwijl aan de eigenlijke betekenis geen recht wordt gedaan. Soms wordt een tekst zelfs zó verdraaid, dat wij er het tegendeel in horen van wat de Heere óns zeggen wil.
Neem nu de woorden boven deze meditatie. Bij het eerste lezen lijkt het alsof hier de weg naar de Heere wordt versmald, zodat slechts een enkeling passeren kan. En uit een hele stad, twee uit een geslacht. Er zijn mensen die deze woorden met de verkiezing in verband brengen, en die daar veel strijd mee hebben. Ze kunnen niet onbevangen naar de nodiging van het evangelie luisteren, omdat in hun achterhoofd dit woord blijft spelen. Zo wordt dit woord een slagboom die de terugweg naar het Leven blokkeert. Anderen misbruiken deze tekst om hun ongeloof te verdedigen en zelfs goed te praten. Maar dan zijn we wel bezig om de schuld bij God te leggen in plaats van die bij onszelf te zoeken. Ook al zullen we dat nooit hardop zeggen.
Wat is Gods bedoeling met dit woord uit Jeremia? Als we het lezen in het verband, dan blijkt dat het niet om het evangelie op zijn smalst gaat, maar juist op zijn breedst. Deze woorden staan in het kader van de oproep tot bekering. Ook in Jer. 3 is de profeet daarmee bezig. Tot nu toe is het resultaat nihil. Dat de profeet dat niet moe wordt...! De profeet? Dat God het niet moe wordt om steeds weer Zijn volk na te lopen. Het wonder is dat Hij Zijn (huwelijks)verbond trouw blijft. En daarom blijft Hij Israël met kinderen aanspreken. Maar er wordt wel eerlijk bijgezegd wat het voor kinderen zijn. Afkerige kinderen, die zich aan Vaders wil en wet onttrekken. Sterker nog: die een afkeer van Hem hebben.
Wat zegt u: hoe dat mogelijk is? Maar - bent u die afkeer dan nog nooit bij uzelf tegengekomen? Want die leeft in ons allen. We lopen bij de God van ons leven vandaan, afkerige verbondskinderen die we zijn.
Maar hoor! God roept u tot bekering. En dan zo dat de schuldbelijdenis ons uit het hart en over de lippen komt. In vs. 13 worden Israël de zonden voorgehouden: afgoderij, en vooral ongehoorzaamheid, zonde nummer 1. 'Alleen, ken uw ongerechtigheid!'. Niet lichtvaardig zodat we daar spoedig mee klaar zijn. Maar zo, dat ons hart er onder breekt. We kunnen uit dit gedeelte leren dat God een concrete schuldbelijdenis vraagt. Wie in het algemeen zijn schuld belijdt, kan intussen de schuldbelijdenis toch uit de weg gaan. Nee, noem de zonde met naam en toenaam, en wijs ze aan. Opdat u van de zonden op de diepte van de zonde komt.
Bekeert u, gij afkerige kinderen. Totaal en radicaal. Bekering is niet dat ons leven wat wordt gerepareerd, zodat het weer mee kan. Het is ook geen grondige restauratie. Want bij een restauratie wordt het oude zoveel mogelijk intakt gelaten. Bekering is vernieuwing. Bekering is terugkeer tot God, zodat Hij het midden van ons leven vormt. En als dat bij u leeft, dan weet ik 1 ding van u: dan hebt u het niet meer over uzelf, maar dan bent u vol van de Heere en van Zijn trouw. Als God ons bekeert, dan maakt Hij geen bekeerde mensen van ons die het weten en die het zijn. Dan maakt Hij arme bedelaars van ons die op Zijn Naam hopen. Een bekeerd mens - dat is een uitdrukking die we in de hele Bijbel niet tegenkomen. Het wordt als een werkwoord gebruikt: bekeert u. Met andere woorden: daar komen we nooit mee klaar. Wie het 1 keer in zijn leven is, moet het elke dag weer worden. In een proces van sterven en opstaan, van herfst en lente tegelijk. Dan gaat het over die God Die afkerige kinderen roept, en hen bovendien nog aanneemt ook.
Dat is Zijn belofte in de tekst. Ik zal u aannemen... En de woorden die dan volgen? Neemt God daarin met de ene hand terug wat Hij met de andere zojuist gegeven heeft? Wordt de brede oproep tot bekering ingeperkt? Integendeel. De Heere bedoelt: Ik zal u aannemen, al is er maar 1 mens uit een hele stad die zich tot Mij bekeert. Al zijn het er maar twee uit een familie. Ze zullen toch een geopende deur vinden. Dan is dat voor Mij niet te wéinig. Natuurlijk, hoe meer mensen zich bekeren, hoe liever, zegt de Heere. Maar ook over 1 is er blijdschap in de hemel.
En of twee. Dat zijn getallen die wij aan de magere kant vinden. Wij rekenen graag in het groot. Volle kerken, veel catechisanten en dopelingen. Maar we moeten iets van die Goddelijke rekenkunde leren. In een gemeente werd jaren geleden een evangelisatiebijeenkomst gehouden. Er waren vijf randkerkelijken. Na afloop zeiden de commissieleden tegen elkaar: wat weinig. Maar toen was er ook iemand die zei: weinig? Wat veel! We hebben vijf mensen met het evangelie mogen bereiken. Die had iets geleerd van die Goddelijke rekenkunde. Weinig is al veel. Tegelijk betekent dat dat dit woord het evangelie op zijn breedst is. Nu is er niemand voor wie het niet kan. Die bij voorbaat wordt buitengesloten. Bekeert u, al zou u de enige zijn. 'God maakt duidelijk dat er geen reden is, waarom de een op de ander zou wachten' (Calvijn). Is dat niet bemoedigend? Voor u die alleen staat? De enige op uw werk die nog naar de kerk gaat. Voor jou die als enige in de klas leven wil bij het Woord. Wend u tot de Heere, en Hij zal u aannernen. Zal! Het staat er. Dat is Zijn belofte die vast ligt in Christus' bloed. Omdat de Vader Hem eenmaal niet heeft aangenomen. Laat u door anderen niet tegenhouden. Ook niet binnen de familie. Misschien zegt u: ja maar, wat zal die en die er van zeggen. Of: ik wil nog maar even wachten, totdat ik mijn man, mijn vrouw ook kan meekrijgen. Deze tekst zegt: niet wachten. Het is nu de dag der zaligheid. En het is net alsof de Heere tegen ons zegt: strijd om dan die ene uit de stad, uit het dorp te mogen zijn. Want echt. Ik zal u aannemen tot Mijn kind en erfgenaam. Als Ik u roep is dat gemeend. Mijn belofte is door en door betrouwbaar.
Dat is evangelie voor allen die zoveel hebben te stellen met hun afkerigheid. Bent u dat? Wie moet het belijden dat hij onwillig is, en telkens weer aan het dwalen gaat? Dan moet u bij Hem zijn. En die afkeringen dan? Die zal Ik genezen, zegt de Heere (vs. 22). Die zijn op de schouders van het Lam gelegd.
Zo brengt God Zijn gemeente in Sion. Dat wil zeggen: in Zijn gemeenschap. De rest van Israël wordt behouden. Dwars door de oordelen heen. En weet u wat dan het wonder is? Dat het uiteindelijk geen kleine schare zal zijn, maar 1 die niemand tellen kan. Veel meer dan 1 uit een stad. En soms zelfs een heel geslacht waarin God de vreze van Zijn Naam gewerkt heeft. Dacht u heus dat Christus Zijn bloed voor een enkeling gegeven heeft? Dat Hij daarvoor die hoge prijs heeft betaald? Ja, aan de ene kant zijn het er weinig. Maar aan de andere kant: hebt u het wel eens geprobeerd om het zand van de zee te tellen? En wie is het gelukt om de sterren van de hemel te tellen? Ik zal u aannemen. Ik zal u brengen in Sion. Dat is de belofte voor ieder die zich tot de Heere wendt. Het evangelie op zijn smalst. U mag zelf het antwoord geven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's