De lust der verhoorde gebeden (4)
Kohlbrugge
Handelend over de gebedsverhoring verwijlen we nu nog even bij H. F. Kohlbrugge. De grondregel waarnaar de Heere handelt, aldus de Elberfelder prediker, is te vinden in Psalm 50 : 15: 'En roept mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal u er uit helpen en gij zult Mij eren'.
Hij had persoonlijk en aan den lijve ondervonden, in het leven van alledag dat God de Zijnen niet alleen laat! Het heeft er wel eens de schijn van, maar dat is dan ook inderdaad schijn: temidden van alle treurigheid en aanvechting staat het echter vast: de hemelse Trooster leeft! 'Hij drijft Gods arme kinderen tot gebed. Hij bidt voor en in hen met onuitsprekelijke verzuchtingen, waar zij niet weten, wat zij bidden zullen gelijk het hoort'.
Die dag der benauwdheid nu kan er om velerlei redenen zijn. Zeker: het geestelijke staat bij Kohlbrugge voorop. Het moet ons in ons bidden allereerst te doen zijn om het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid! Maar dit gaat bij hem niet ten koste van de bede om het dagelijks brood. Integendeel: we kennen geen theoloog of prediker uit vroeger tijd of tegenwoordig die zó aanzet om Gods aangezicht geduriglijk te zoeken, in alle maar dan ook alle en allerlei kwesties van het bonte mensenleven dan juist deze man! Het geestelijke oftewel: het innerlijke heil dus voorop. Dat wil dus zeggen: sta eerst naar wedergeboorte, bekering, geloof, heiliging, maar: sta vervolgens ook naar en val God heilig lastig met wat hij dan noemt: 'uiterlijk heil'. Zo kan hij op een gegeven moment zeggen: er is ook 'een uiterlijke bron van welvaart, nl. uw werk'. Vol herderlijke bewogenheid zegt Kohlbrugge tegen degene die werkloos is, dan: 'Dat is gewis een smartelijke beproeving! Maar die de Heere alleen over u komen laat tot uw heil, opdat gij u in stilte met al uw noden van alle schepselen zou afwenden en u wenden tot Hem, die gewis voor werk zal zorgen en u werk zal geven'. Hier beveelt hij derhalve de weg van het gebed aan om uit de nood van het werkloos-zijn te geraken! Kohlbrugge weet dat de Heere zich inlaat met wat wij klein plegen te noemen, ten aanzien waarvan wij geneigd zijn te denken, dat God er zich niet mee inlaat!
Aardse dingen
Hoe kunnen die vragen op ons afstormen. Hoe dolt hier de boze en vader der leugenen, door het zo voor te stellen en in te fluisteren alsof de God des hemels zich van de aardse dingen der gelovigen niets zou aantrekken. Naar aanleiding van 1 Thessalonissensen 5 : 17, waar Paulus schrijft: 'Bidt zonder ophouden', zegt Kohlbrugge: 'Menige schroomvallige ziel denkt, dat het te aards is, ook aardse dingen van Gods liefde te verlangen en vreest niet goed in de liefde Gods te staan (of: niet geestelijk genoeg te zijn, J.d.R.), omdat hij zulke dingen van God verlangt. Alsof - aldus Kohlbrugge - de liefde van God ons slechts in hemelse dingen ons verlangen wilde toestaan. En daar zij niet dadelijk die aardse dingen op haar gebed verkrijgt, meent zij kwalijk te bidden'. Zie hoe diep Kohlbrugge hier afdaalt in de nood en kwellingen van zijn medemensen. Hoe actueel en weldadig is zijn woord, ook en juist anno 1985. Hij is ervan overtuigd, dat die God Die de leliën des velds bekleedt met heerlijkheid, veel meer Zijn kleingelovigen zal kleden. En dat moet volgens Kohlbrugge heel ernstig worden genomen! Heel letterlijk ook. In de weg van het gebed moeten die aardse dingen van Hem worden ingewacht. 'De Heere weet heden dat over een jaar uw kleding versleten is, dat over een jaar uw schoenen versleten zijn. Hij weet van tevoren wanneer uw werk ophouden zal. Hij weet 't en Hij ziet het. Hij ziet alles, alles. Hij ziet tot op spijker en naald, en tot op de schoenriem wat de zijnen ontbreekt'.
Maar als dat zo is - en Kohlbrugge is ervan overtuigd, het maakt ook zijn troost uit - dan moeten we Hem er ook om vragen. Ook hier wordt nu de weg van het gebed aangewezen. 'Wij mogen bij God aanhouden in het gebed, al was het ook om een spijker of om een speld.'
Gedurig
We denken, het zij hier gezegd, dat in veler leven het gedurig zoeken van Gods aangezicht ontbreekt. In veler leven geldt: 'alrede zijt gij verzadigd'; maar als dan de nood eens komt, moet God ineens te hulp schieten. Indien Hij dat niet doet, wel: dan verhoort Hij kennelijk niet. Die conclusie is gauw getrokken. De vraag mag en kan liever gesteld worden of we wel echt hebben gebeden, of we niet kwalijk hebben gebeden. Bidden is een kunst, waarvan de meest wezenlijke trek is, dat men die blijft beoefenen, dat wil zeggen: die gekenmerkt wordt door volharding. Kohlbrugge erkent het: het kan zijn dat alles de schijn heeft dat God niet verhoort. En dan kan het soms benauwd zijn. De duivel zit bepaald niet stil! Maar daarom, juist in verband met dat afstel van Gods kant (dat nimmer uitstel is!) geeft deze prediker de raad: 'Koningskinderen mogen niet mager zijn, zij moeten maar blijven aankloppen aan de deur van genade en verlossing, al dreigt ook het laatste vonkje van moed en geloof uit te gaan'.
Dan is de nood wel hoog geklommen, indien zelfs het laatste vonkje dreigt uit te gaan. Maar dan is het moment ook dichtbij dat de gewenste zaak komt! Geen twijfel over mogelijk. De gelovige bidder, degene die verstand, geestelijk begrip van bidden heeft verkregen, die deze kunst met Calvijn als 'voornaamste oefening des geloofs' beschouwt, verwacht ook niet anders. In eigen waarneming en volgens menselijke inzichten is alles voorbij. Maar, zo zegt Kohlbrugge dan, 'maar als alles voorbij is, dan is het 's Heeren tijd'. Wanneer, op welke tijd, komt dan de genade en de hulp, waar men naar uitziet en waar men om bidt? Niemand anders dan juist Kohlbrugge is in staat om dan zo concreet en alledaags te antwoorden: 'Als u naar God bedroefd zijt, u in angst en zorg bevindt, maar toch op Gods belofte blijft hopen, dan kunt ge gerust uw horloge in de hand nemen en zeggen: 'nu is de ure der verhoring mijner gebeden, de ure der verlossing, de tijd dat het komen moet, aangebroken, want het water is mij tot aan de lippen gekomen'. God liet alles vastlopen, opdat men de zaak geheel in Zijn handen overgeve, dit is: opdat men zou Ieren bidden!
We voelen nu wel aan: bidden is, zoals hierboven opgemerkt: een kunst. Het is bovendien een grondhouding, ja zelfs een leefwijze. Een gedrag dat verre boven handen vouwen en ogen sluiten uitgaat! Het is een inademen en een uitademen, met God spreken als het slecht gaat en met Hem spreken als het goed gaat. Het is zelfs, volgens de Elberfelder prediker, een wijze van wereldregering. Dat beweert hij althans naar aanleiding van Joh. 14 : 12-16: 'Meen toch niet, dat het de keizers en koningen van landen en steden in de grond der zaak zijn, die de wereld regeren; nee, het zijn diegenen die waarachtig in Christus geloven, maar dit gebeurt in het verborgene en door hun gebeden (!), waarmee zij bij God aanhouden om allerlei uitkomsten voor tijd en eeuwigheid'.
Slotbeschouwing
We willen nu nog enkele samenvattende en afrondende opmerkingen maken. We zijn er ons van bewust dat vele vragen nog gesteld kunnen worden. Eén ervan willen we minstens stellen en trachten te beantwoorden: hoe weet ik of ik waarlijk en niet kwalijk bid? Het is typisch dat juist de echte bidder deze vraag stelt! Het antwoord op deze vraag luidt: we bidden echt indien we 't niet laten kunnen: concreter gezegd: welke zaak het ook betreft, dat doet er niet toe; als ik op 'n dag in een aanval van moedeloosheid er de brui aan wil geven maar toch de volgende dag al weer hart en handen ophef naar omhoog; dan kan ik het niet laten. Op een welhaast geheimzinnige manier word ik dan getrokken tot Gods troon; ik bid dan altijd en vertraag niet! Wees ervan verzekerd: dit is een zuiver kenmerk van echt bidden, en tegelijk een teken van aanstaande verhoring.
Een andere vraag: iemand is ervan overtuigd: ik bid met mijn hart, echt en met overtuiging; ook weet ik dat God altijd hoort, maar mijn vraag is: vérhoort Hij ook? Hierop antwoorden we met wat we bij een onder ons bekend prediker lazen: 'Voortdurend horen we God aanspreken als "de Hoorder en Verhoorder van het gebed"; een onvervalst plat en nutteloos pleonasme, want de bijbelse betekenis van de uitdrukking, dat God het gebed hoort, is juist, dat Hij het vérhoort. We begrijpen nu wel: dit onderscheid is door wie dan ook ooit ingevoerd, maar het is in ieder geval een onderscheid dat de Bijbel niet kent!
Een derde vraag: Maar we hebben toch geleerd te bidden: 'Uw wil geschiede?' We antwoorden: Jazeker, maar we kunnen ervan op aan, dat het Zijn wil is dat ik tot geloof kom, dat ik heden dagelijks brood heb, dat ik morgen gekleed kan gaan, dat ik kracht heb om Zijn Naam te belijden onder vriendjes op school en bij collega's op het werk, dat ik opwas in de kennis en de genade van de Heere Jezus Christus. De weduwe die altijd bad en nimmer vertraagde (Luk. 18) zei ten overstaan van de onrechtvaardige rechter niet: 'uw wil geschiede', om vervolgens onzeker af te wachten hoe dat besluit uit zou pakken. Ze viel hem danig moeilijk en zou hem ten lange leste het hoofd gebroken hebben, indien hij haar geen recht gedaan zou hebben.
De tollenaar achterin de tempel (ook Luk. 18) zei, na de bede: 'O God! Wees mij zondaar genadig!', niet: 'maar Uw wil geschiede'.
En ook Jairus, de overste, die Jezus zeer bad in verband met zijn dochtertje ('ik bid U, dat Gij komt en de handen op haar legt') zei niet: ik weet 't niet zeker, want: 'Uw wil geschiede'.
En als de Kananeese vrouw door Jezus tot drie maal toe is afgewezen zegt ze niet: 'O ja Heere, het is ook zo: Uw wil geschiede!' Verre van dat! Ze is en blijft actief; ze bidt alsmaar door en vertraagt niet en ten derden male doet ze een uitval: 'Ja, Heere, doch... de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren!' Het resultaat van dit aanhouden is ons welbekend.
Een vierde en laatste vraag zij nog gesteld: zijn er dan helemaal geen onverhoorde gebeden? We antwoorden: nee, die zijn er niet en tegelijk: ja, in zekere zin wel! 'In zekere zin', want het is maar de vraag of we wat koning Saul doet, als hij aan het einde van zijn leven slaags raakt met de Filistijnen op de Gilbóa en dan zijn hart zeer beeft, wel een gebed kunnen noemen. Maar hoe dan ook, we lezen: En Saul vraagde de Heere; maar de Heere antwoordde hem niet; noch door dromen, noch door de Urim, noch door de profeten' (1 Sam. 28 : 6). Hoe ellendig is dit voor deze veelbelovende man! Zijn lamp is nu aan het uitgaan. En de Heere antwoordde niet. Nee, dat gevaar is niet denkbeeldig, namelijk als we God in ons leven niet de eerste, maar de zoveelste plaats hebben gegeven. Dit is de - menen we - diepste reden waarom in het leven van vele mensen ervan 'de last der onverhoorde gebeden' moet worden gesproken. Dat is een ondraaglijke last, een zwijgende God. Maar men vergeet dan vaak, dat men in dat zwijgen zelf de hand heeft gehad. Saul kon het zelf wel af, hij was autonoom. Hij stippelde zijn leven uit. Wat voor David een vanzelfsprekendheid was, nl. de omgang met zijn God, in voor- en in tegenspoed; het raadplegen van de Heere door middel van de efod; kortom: het gebed; dat had Saul gereserveerd voor acute noodsituaties; Hij liet zich aan de Heere - de God Israels - niets gelegen liggen, alleen: als hij op 't laatst vreest en zeer beeft, dan is God goed, dan moet Hij bewijzen dat Hij bestaat en alles even rechttrekken, wat Saul had krom gemaakt. Is het een wonder dat hier sprake is van een onverhoord gebed? Van een zwijgende God?
Veler leven in deze verwereldlijkte tijd gelijkt op dat van Saul: God wordt achter de hand gehouden voor 'als het nodig is'. Hij moet het vuile werk doen. En als dan blijkt dat Hij het niet doet dan spreekt men van onverhoorde gebeden. Dan is Hij geen liefde en dan bestaat Hij zelfs niet. Dat is het klimaat van deze eeuw. Maar als de vensters naar de hemel gesloten zijn dan is het ook geen wonder meer dat de vensters naar de aarde gesloten zijn.
Tenslotte, iemand kan zeggen, het kan een probleem zijn: 'Ik heb geen zin om te bidden'. Dan geven we hier de welgemeende raad van Ralph Erskine door, die zei: 'Dan moet men bidden om trek te krijgen'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1985
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1985
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's