Uit de pers
De paus bezocht Nederland
Wij leven snel. De meidagen van dit jaar waarin paus Johannes Paulus II ons land bezocht, liggen al weer een aantal maanden achter ons. In de voorbije maanden eisten andere zaken onze aandacht op, zoals het volkspetitionnement, de wetgeving rondom de euthanasie, het vraagstuk van het antisemitisme enz. Toch is het goed om aandacht te blijven geven aan wat zich voltrekt binnen de rooms-katholieke kerk. In dit nummer vraag ik graag uw aandacht voor enkele fragmenten uit een artikel van prof. dr. W. V. 't Spijker in Protestants Nederland van okt. 1985. Van 't Spijker wijst er op hoe al voor de komst van de paus naar ons land er deining was i.v.m. enkele bisschopsbenoemingen. Naar geldend kerkelijk recht is de paus vrij te benoemen wie hij wil. Hij behoeft zijn keus niet toe te lichten of te verdedigen. Op het tweede Vaticaanse concilie is uitvoerig gediscussieerd over de inspraak en de zeggenschap van het bisschoppencollege. Er waren die hoopten op en pleitten voor een vorm van collegialiteit waarbij paus en bisschoppen samen min of meer op voet van gelijkheid zouden handelen en beslissen. Maar de uitkomst bleek anders. Het college heeft de paus tot hoofd. De paus staat wel in gemeenschap met de bisschoppen, maar hij heeft het recht om in overeenstemming met de behoeften van de kerk beslissingen te nemen naar eigen goeddunken.
'Natuurlijk houdt de paus rekening met de omstandigheden waarin hij een woord spreekt. Hij weet zich te voegen naar die omstandigheden. Maar hij kan niet opgeven wat voor het pontificaat wezenlijk is. De paus neemt zijn beslissingen. Maar hij behoeft deze niet toe te lichten. Zijn macht is inderdaad een oppermacht (supprema potestas). Hij heeft geen autoriteit boven zich en hij is van geen enkele menselijke instantie afhankelijk.
Het tweede Vaticaanse concilie heeft daarover een uitspraak gedaan in de bovengenoemde constitutie over de kerk (par. 22): "De paus van Rome bezit over de kerk, juist krachtens zijn ambt als plaatsbekleder van Christus en herder over de gehele kerk, de volledige, hoogste en universele macht, die hij steeds vrij kan uitoefenen".
Bij alle andere ambtsdragers in de kerk spreekt men van een canonieke zending (missio canonica), d. w.z. een zending, die in overeenstemming is met de regels van het kerkelijk recht. Bij de paus is sprake van een goddelijke zending, een missio divina: de paus heeft zijn bevoegdheid rechtstreeks van God ontvangen en is ook alleen aan God verantwoording schuldig.
Men kan aanvoelen dat dit een bijzondere nadruk legt op zijn onafhankelijkheid. Wanneer men werkelijk iets tegen de paus wil inbrengen, dan moet men niet bij de mensen zijn, niet bij de bisschoppen, maar bij God zelf. De paus is ontheven aan elke vorm van kritiek. De pauselijke stoel wordt ook door niemand beoordeeld. Deze oppermacht is ook een volle macht (plena potestas). Dit houdt in dat aan de paus de bevoegdheid toekomt inzake alles wat Christus aan zijn kerk heeft toevertrouwd.
Op een volkomen manier is in de paus aanwezig wat Christus aan zijn kerk heeft toevertrouwd. De zending van de kerk vindt in hem haar uitdrukking. Het drievoudige ambt van Christus komt door hem tot openbaring. Hij leert de kerk als de hoogste profeet op aarde. Hij heiligt de kerk als de gezaghebbende priester en hij regeert ook als een koning in volstrekte zin de universele kerk.
Een volgende eigenschap van de pauselijke macht is, dat zij onmiddellijk is (potestas immediata). De ware bisschoppelijke macht wordt door hem uitgeoefend op een directe manier. De paus kan overal terstond ingrijpen. Hij behoeft geen permissie te vragen, maar hij bezit het recht om zich rechtstreeks met een bepaalde situatie in te laten. ledere gelovige kan zich ook rechtstreeks tot de paus wenden. Wanneer hij een pastoraal concilie, zeg in Wassenaar, zou bijwonen, zou hem de voorzittershamer toevallen.
Men spreekt ook nog van universele macht. In de paus demonstreert zich derhalve ook de eenheid van de kerk. Alle kerken, alle gelovigen staan onder zijn gezag. In dit opzicht heeft het tweede Vaticaanse concilie geen andere koers gevaren dan het eerste. In 1870 werd de onfeilbaarheid van de paus vastgesteld. In 1964 werd deze opnieuw bevestigd: "Om het episcopaat één en onverdeeld te bewaren, heeft Christus de heilige Petrus aan het hoofd van de andere apostelen gesteld en in hem het blijvend en zichtbaar beginsel en fundament van de eenheid in geloof en gemeenschap vastgelegd. Deze leer nu over de instelling, de eeuwige duur, de macht en de aard van het gewijde primaat van de paus van Rome en over zijn onfeilbaar leergezag houdt de heilige kerkvergadering nogmaals als vast te geloven aan alle gelovigen voor..." (Dogmatische constitutie over de kerk, par. 18).
Het tweede Vaticaanse concilie bevestigde slechts wat het eerste had uitgesproken. En in de nieuwe codex werden voor deze opvattingen de juiste formuleringen gevonden. Niemand mocht verwachten, dat de paus in Nederland van zijn eigen inzichten, van zijn eigen codex zou afwijken. Men moet nog een stapje verder gaan en vaststellen, dat dit laatste ook ondenkbaar is. De hechte constructie van het pontificaat is zo kenmerkend voor de hiërarchische orde van de kerk, dat men onmogelijk deze kan verlaten, zonder de roomse kerk zelf van karakter te zien veranderen.'
Van 't Spijker zegt terecht dat de concentratie van gezag in de paus betekent dat er van decentralisatie van bevoegdheden nauwelijks sprake is. Een sterke tendens naar centralisatie doet opgeld. Ook de namen waarmee de paus genoemd wordt laten zijn hoge positie zien. Het primaat komt tot uitdrukking in de naam: Plaatsbekleder van Christus. Hier dient onze kritiek zich met name op te richten. In de Schrift is de Geest de plaatsverganger van Christus op aarde. Luther en Calvijn hebben daarom felle kritiek geoefend op de machtspositie die de paus zich toekende en deze positie gehekeld als een verduistering van de glorie van Christus. Door een mens te verheffen tot plaatsvervanger doet men te kort aan het werk van de Geest die Christus verheerlijkt.
Het diepste verschil
'De diepste motieven van de Reformatie zijn hier in geding. De bestrijding van de paus te Rome vond haar oorzaak niet in politieke motieven, ofschoon deze in de geschiedenis van de Reformatie een grote rol gespeeld hebben, zoals dit immers tot op vandaag geldt. Maar de eigenlijke motivatie voor het conflict met Rome lag in deze verheffing van de mens op een plaats die alleen aan de Geest toekomt.
Wat dit betreft kunnen we uit de geschiedenis een les leren. Toen er op een gegeven moment sprake was van een toenadering tussen roomskatholieke en protestantse theologen bij de godsdienstgesprekken in de zestiende eeuw, bleek de breuk niet allereerst te liggen op het punt van de belijdenis van de genade. In zekere zin had men elkaar gevonden in de opvatting van de rechtvaardiging. Maar het kwam tot een onheelbare breuk, toen het ging over de structuur van de kerk. Men kan spreken over genade, zeer zeker ook binnen de rooms-katholieke kerk. Maar wanneer het gaat over de vraag op welke manier de genade een plaats krijgt in de ordening van het kerkelijk leven, dan blijkt tot in de codificatie van het recht, dat men niet spreekt over dezelfde genade. De laatste uitgave van de rooms-katholieke "kerkorde", de Codex Juris Canonici die door dezelfde paus werd bekrachtigd, die ons land bezocht, had ons eraan kunnen herinneren, dat het een échte paus was, die ons tegemoet trad. Vanaf het moment, dat hij de Nederlandse grond kuste tot op het ogenblik, dat hij met een joviale zwaai in de deur van het vliegtuig verdween, was hij een échte paus: plaatsbekleder van Christus op aarde. In zekere zin is die laatste Codex een kerkordelijke vormgeving van een reeds lang ingenomen standpunt. Waar voor ons de Geest staat, of behoort te staan, daar staat voor Rome de paus. Daarom zijn op de keper beschouwd alle reacties, die déze pretentie niet honoreren, vér beneden de maat. Ik spreek nu niet over uitgelokte en ruimschoots gefilmde rellen, waarbij de M. E. moest optreden. Ik denk zelfs niet eens meer aan de pauselijke stoel die een aantal centimeters vooruit stond vergeleken bij de zitplaatsen der protestantse evenknieën van kerkelijke hoogwaardigheid. Wél springt er dat argeloze gezegde uit, ten overstaan van een paar duizend jongeren: "Als de paus spreekt, spreekt de hemel!" De zon brak even door. Maar het was niet de Zon der Gerechtigheid. Die heeft immers geen plaatsbekleder nodig. Hij komt Zelf. En doet de dingen ook Zelf. Dat is het verschil tussen een rooms-katholieke en een goede gereformeerde kerkorde.'
Het is en blijft goed als we het verschil tussen Rome en de Reformatie ook inzake de structuur van de kerk theologisch doordenken. Velen willen dat niet. Publiciteitsmedia leggen er vooral nadruk op, hoe iemand 'overkomt'. Kritiek of waardering worden dan geuit op grond van niet-theologische factoren, b.v. de ontwapenende houding of de vriendelijke manier van omgaan met mensen, of de opstelling ten aanzien van ethische en politieke stellingnamen. Dergelijke factoren zijn niet geheel en al van belang ontbloot, maar leggen theologisch nauwelijks gewicht in de schaal. Ook een paus, die een krachtige persoonlijk!heid is en als zodanig bij velen waardering oogst om zijn wijze van optreden, blijft de pretentie voeren plaatsbekleder van Christus te zijn. Die pretentie hebben we op grond van de Schrift af te wijzen. Men leze de Hebreeënbrief! En ten aanzien van de structuur van de kerk betekent dit, dat er voor de bijbelse gedachte van het algemeen priesterschap der gelovigen in een zo centraal bestuurde kerk nauwelijks ruimte is.
Overigens blijft het rommelen binnen de R.K.-kerk. In Elseviers Weekblad van 19 okt. stond een gesprek met kardinaal Arns van Brazilië, medestander van de bevrijdingstheoloog L. Boff, waarin deze de mening verkondigde: 'bisschoppen zijn er maar om het volk te dienen'. Arne uitte in dit gesprek zijn teleurstelling over de strakke koers van Rome, de kloof tussen de romeinse theologie enerzijds en het geloof van de basis anderzijds. Hij sprak van een tijd van conservatisme, waarin een derde Vaticaans concilie nauwelijks zin zou hebben. Ook Hans Küng uitte zich onlangs opnieuw zeer negatief over de gang. van zaken. De kerk beleefde z.i. magere jaren. 'Waar zal dit alles toe leiden?', vraagt men zich als protestants toehoorder af. Een ding staat vast: Zolang de structuur niet tot in zijn kern wordt aangetast en zolang de pauselijke pretentie blijft bestaan, zullen klachten over conservatisme weinig baten.
Het gaat maar niet om de tegenstelling 'conservatief - progressief' - hoe weinig zeggen deze woorden op zich! - , het gaat ten diepste om de vraag naar de erkenning van Jezus Christus als Hoofd van zijn gemeente. En de ambtsdragers kunnen het kerkvolk alleen maar dienen, als ze zich dienaren weten van Hem, Die het alleen voor het zeggen heeft en Die die eer met niemand deelt.
***
Cultuur en woestijn
De Stichting Reformatorische Wijsbegeerte hield enkele weken geleden een congres over het thema: 'God en onze cultuur'. Uit het verslag van dr. P. Blokhuis in het blad Opbouw van 18 oktober citeer ik het volgende:
'Voor velen staat onze kultuur in het teken van de woestijn. Dat kan aanleiding zijn tot onverschilligheid en doemdenken. De kultuur "doet" ons iets. Ze richt iets aan in de ziel. Kan een gelovige volhouden, dat God iets met een dergelijke kultuur te maken heeft? Dat kan zeker wel, als men ziet dat het woord "woestijn" in de bijbel aanduiding is van een diepe dubbelzinnigheid. Aldus prof. dr. J. van der Hoeven op het afgelopen zaterdag gehouden kongres van de Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte over God en onze kultuur.
Woestijn
Van der Hoeven, hoogleraar wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, was de eerste spreker op dit drukbezochte kongres. In zijn betoog stond hij uitvoerig stil bij de verhouding tussen kultuur en woestijn. De woestijn is in de bijbel steeds aanwezig, van Genesis tot Openbaringen. Men kan niet over kultuur spreken zonder de woestijn erbij te betrekken. Van der Hoeven wees erop dat voor het volk Israël de woestijn onder andere tussengebied was tussen het "angsthuis" Egypte met zijn geweldige kultuur en het beloofde land Kanaän waar het volk een andere kultuurweg zou moeten gaan. Het leven in de woestijn werd gekenmerkt door eenvoud. Maar die eenvoud hield geen kultuurloosheid in of kulturele slordigheid. In de boeken van Mozes wordt veel verteld over de voorbereiding voor het maken van de tent der samenkomst. Toch bleef de woestijn woestijn. Het volk werd beproefd. In die beproeving was echter ook oefening, voorbereiding.
Kultuur
Kultuur, aldus Van der Hoeven, is geen extra, geen voorrecht van een elite. Kultuur, in de zin van vormend bezig zijn, hoort bij de mens. God roept ons daartoe, alleen al doordat Hij ons geschapen heeft. Deze roep komt tot ieder mens in elke situatie. Dat gaat verder dan de roeping van één mens, één volk of zelfs één tijdperk. Het maakt overdracht van kultuurresultaten en ontmoeting tussen mensen noodzakelijk.
Kultuur als antwoord op een oproep is in strijd met menselijke zelfgenoegzaamheid, zei Van der Hoeven. Zelfgenoegzaamheid uit zich in het streven naar macht, beheersing of in het jagen naar genot, zelfbehagen en opschik. Daartegenover plaatste Van der Hoeven noties als zorgzaamheid, zorgvuldigheid, stilering en ingetogenheid.
Kleding is bijvoorbeeld ook in de woestijn geen luxe opschik, maar: bekleed-zijn met waardigheid, zorg hebben voor het eigen bestaan. Ik ben de mens die ik mag zijn ook door mijn kleding.'
Een boeiend thema om over door te denken. Dat de gemeente op haar tocht door de eeuwen heen de woestijnervaring niet bespaard blijft, laat de Schrift gedurig zien (het boek Numeri, Matth. 4, Openb. 12). De woestijn: plaats van beproeving en oordeel, plaats ook van loutering en zegen. Oordeelstijd en bruidstijd, verlating en nabijheid, geborgenheid en afwezigheid. Doorgaans verbinden we in de prediking het thema van de woestijntocht met andere zaken dan met een bezinning op wezen en waarde van de cultuur. Het is goed wanneer denkers en dichters ons op andere perspectieven wijzen. In onderwijs en vorming, in de bezinning op samenlevingsvragen stuiten we gedurig weer op de opdracht, die we als christenen anno 1985 hebben ten aanzien van de cultuur. Van der Hoeven probeerde op genoemd congres een weg te wijzen die tussen cultuurpessimisme en cultuuroptimisme doorgaat. Er waren op dit congres ook andere stemmen, o.a. een zeer pessimistisch geluid van dr. F. de Graaff, die b.v. voor wetenschap en techniek nog nauwelijks een zinvol perspectief kon aanwijzen, maar daarin weer tegengesproken werd door prof. dr. E. Schuurman. Een ding is duidelijk: Deze denkers zijn wel ver verwijderd van het cultuuroptimisme van de stichter van de VU, Abraham Kuyper. Hoe kan het ook anders als we letten op de om zich heen grijpende secularisatie. Cultuur in de woestijn. Maar er is er Een die in de woestijn een weg baant. En het perspectief blijft: de woestijn die zal bloeien als een roos.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's