De oude weg
Onkerkelijkheid, wat doen we er mee? (2)
We mogen hier de vraag wel stellen: Wat heeft de Kerk nu gedaan in haar directe omgeving?
Het antwoord zou kunnen zijn: Evangeliseren - of om het onderscheid met de zending overzee aan te duiden - inwendige zending. Nu weet iedere belangstellende wel, wat met inwendige zending bedoeld wordt, maar het bepalen daarvan ligt al een stuk moeilijker. Als eerste gebruikte prof. F. Lucke deze uitdrukking in zijn boek: De tweevoudige inwendige en uitwendige zending der Protestantse Kerk (1843). Daarin vat hij de inwendige zending op als 'de arbeid van de kerk onder haar leden, welke door allerlei omstandigheden van haar gescheiden zijn'.
In 1849 gaf Wichern zijn beroemde gedenkschrift de titel: De inwendige zending der Duitse Protestantse Kerk. Hierin beslaat de inwendige zending een ruimer veld dan bij Lucke. Wichern verstaat hieronder: De vrijwillige arbeid van het gelovige deel der Christenheid ter verwerkelijking van de wedergeboorte van de onverschillige menigte onder haar.
Weer anderen noemen haar: zorg voor zwakken, redding van dwalenden, bescherming van bedreigden of buitenambtelijke arbeid van de gelovige onder de dwalende Christenheid.
Hoewel wij de ene uitdrukking gelukkiger vinden dan de andere, valt één ding ons op, nl.: het gaat om zwakke, afgedwaalde, onverschillige Christenen. Met nadruk op Christenen.
Het is duidelijk: Zij horen er nog wel bij, zij zijn niet vreemd aan het Evangelie, wel innerlijk, maar niet verstandelijk.
We vinden dat ook terug in onze Kerkorde, in de artikelen IV en VIII.
Art. IV lid 5. Aan de predikant-evangelisten is toebetrouwd de verkondiging ... ten behoeve van hen, die van het Evangelie vervreemd zijn, om door deze arbeid mede werkzaam te zijn in de kerstening van de wereld.
Art. VIII lid 4. De kerk richt zich in de verbreiding van het Evangelie tot hen, die daar van vervreemd zijn, om hen terug te brengen tot de gemeenschap met Christus en Zijn Kerk, enz.
Alle nadruk valt dus op het vervreemd zijn, maar er toch nog bijbehoren. Dit gold zeker tijdens het leven van Wichern.
Op papier stond het goed met de kerk, maar in werkelijkheid hadden een onbijbelse prediking, wereldsgezindheid, armoede en zedeloosheid, velen van de kerk vervreemd. Het was een situatie, zoals we die ook vinden in het O.T. bij de profeten. Is het dan verwonderlijk, dat men ook in de prediking teruggreep naar die zelfde profeten?
Was voor West-Europa (in ons land was het immers net eender, denk aan de opkomst van het Reveil), dat in dezelfde zonde gevallen was als Israël dan niet dezelfde oproep nodig?
Men greep dan ook terug naar Ezechiël 37. De slapende gemeente van Christus, moest tot nieuw leven, nieuwe bloei en nieuwe werkzaamheid worden gebracht.
Men wilde terug naar de Heere, terug naar de plaats, waar Hij sprak van verzoening, van gerechtigheid en van heil voor Zijn volk, ook al wilde dat dan niet naar Zijn stem horen (Psalm 81).
Eender was het bij ons: Een gedoopte natie, een volk dat daarom ook Zijn eigendom vvas, maar niet wilde luisteren.
Evenals in het oude Israël, ging men de niet gelovige oproepen om terug te keren naar de Heere en Zijn dienst, en men sloot dan aan bij het besef dat nog aanwezig was.
Dit alles werd m.i. nog versterkt door de gedachte, dat de kerk zonder meer geïdentificeerd werd met het nieuwe Israël.
Zo kwam de volgende lijn naar voren:
a. De kerk moet ge-reformeerd worden. Tesamen zijn wij afgeweken!
b. Maar ook waar deze reformatie inzette, bleef men profetisch getuigen tot de afgewekenen van het 'huis' van Israël.
En die afgewekenen, dat was de rest van het volk.
Zo ontstond de traditionele afbeelding van de Evangelist: Een man op de hoek van de straat, met om zich heen een aantal mensen, tot wie hij sprak van het éne nodige.
En met een geweldige bezieling heeft men dit werk ter hand genomen. Zij drongen aan op bekering van wil, zin en lusten. Zij spraken van die éne liefdedaad van de Vader, die Zijn Zoon gezonden had.
Maar ook op andere wijzen, wierpen zij het net uit om mensen te vangen. Daadwerkelijk trachtte men de nood te lenigen, voortgaande in de lijn van de reformatie.
Deze wijze van werken heeft men aangehouden, al mogen er dan kleine verschuivingen zijn geweest.
De Evangelist is blijven staan en hij roept nog steeds: Kom ga met ons en doe als wij! En wie zal ons zeggen met hoeveel zegen.
Wezen van de Reformatie
Nu zou het een slechte zaak zijn, indien wij meenden, dat de inwendige zending eerst bij Wichern en zijn voorgangers, zoals Francke b.v., inzette.
Terecht merkt prof. dr. S. v. d. Linde op, dat in wezen we de hele reformatie mogen zien als inwendige zending. Immers ook zij wisten, niet weer bij het begin te hoeven beginnen, omdat de Heere een begin gemaakt had en niemand, dat ongedaan had kunnen maken. De Kerk, dié in die tijd erg diep wegschool moest weer aan het licht gebracht worden.
Daarmee zag de Reformatie haar weg gewezen.
De weg van de inwendige zending zag zij op drie manieren: Allereerst prediking, vervolgens catechese en pastoraat.
En in dat alles staat Christus centraal. De kern van dit wordt gevormd door zonde en genade, ongeloof en geloof, leven naar de Geest tegenover leven naar het vlees, geloof en bekering, de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof.
En in dit alles kreeg de enkeling een zware heilzame nadruk, maar dan toch wel met deze herinnering, dat de door en tot God bekeerde en teruggebrachte enkelingen worden samengebonden in het lichaam van Christus, dat de kerk is.
Constaterend mogen we zeggen dat Calvijn c.s. de mens het Evangelie verkondigde en hem opriep tot een waarlijk Christelijk leven van geloof, hoop en liefde voor God en mensen.
Deze gedachte door de Reformatoren aangegeven, heeft men vastgehouden ook in ons land.
Bij de synode van Dordrecht van 1578 blijkt uit de bijgevoegde vragen, die toegevoegd zijn aan de acta, dat er een probleem was m.b.t. de gedoopten die niet 'meeleefden'. Wij zouden zeggen de randkerkelijken. Vallen deze nu onder de tucht, ja of nee? Opmerkelijk is het antwoord, dat gegeven wordt. Een antwoord, dat wij misschien niet zouden verwachten.
Men maakt eerst onderscheid tussen Doop en Heilig Avondmaal. De doop is getuigenis van God, en zo zegt men dan: Je moet ze vermanen als de profeten in het O.T., opdat zij zullen komen tot een waarlijk Christelijk leven.
Gezien echter de herderlijke zorg en bewogenheid, die de synode gekenmerkt heeft, zeggen wij niets teveel, indien wij stellen, dat die bewogenheid ook door moest klinken in het vermaan. De bewogenheid, die we ook tegen komen bij de profeten, om een voorbeeld te noemen: Micha 6:3, waar de Heere door de mond van de profeet zegt: Mijn volk, wat heb Ik u gedaan, en waarmee heb Ik u vermoeid. Maar dan ook het vervolg van vers 6. Hij heeft u bekend gemaakt, wat goed is, enz.
Het is deze lijn, die weer opgevat werd in de 19e eeuw, door Wichern, Oberlin, maar ook door Heldring en de zijnen.
En achter deze voortrekkers bewoog zich een ongekend heilsleger van beschikbare mensen.
Het was voor hen een vanzelfsprekende zaak, dat Gods daad van reddende liefde moest verkondigd worden en dat deze daad van reddende liefde gevolgd moest worden door een reeks van liefdedaden, waaraan gestalte gegeven is op sociaal en politiek terrein.
Deze paragraaf afsluitend willen wij nog eenmaal wijzen op de volgorde die we hier steeds zien, nl. eerst Woordverkondiging, die gevolgd wordt, maar soms hiermee hand in hand gaat, door dienstbetoon.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's