Uit de pers
Tijdbepaaldheid
Het nummer van 8 november van Scheps' Kerknieuws bevat een uitvoerig gesprek met de Kamper nieuwtestamenticus, prof. dr. J. V. Bruggen. Deze vrijgemaakte hoogleraar promoveerde in Utrecht op een proefschrift over datering van het in Galaten 2 genoemde overleg in Jeruzalem, getiteld 'Na veertien jaar'. Voorts schreef hij over huwelijk en emancipatie in Bijbels licht. Het interview geeft een goede indruk van de wijze waarop Van Bruggen de wetenschappelijke bestudering van het Nieuwe Testament ziet in relatie tot de antieke en joodse wereld, de betrouwbaarheid van de Schrift, gezag en historiciteit. Op de vraag of Van Bruggen ook tijdgebonden elementen in de Bijbel ziet, geeft hij het volgende antwoordt:
'Omdat het begrip "tijdgebonden" zo ontzaglijk belast is geworden, zou ik persoonlijk liever spreken van tijdbepaalde elementen. Het Nieuwe Testament is in de taal en in de cultuurwereld van zijn tijd geschreven. Maar dat houdt niet in dat het daarmee een tijdgebonden boodschap komt brengen. Het werk van Plato bevat ontzaglijk veel dat tijdbepaald is. Je ruikt gewoon dat hij in Athene schreef en in zijn tijd. Toch schrijft hij dingen die daar zeer ver boven uitgaan en die tot vandaag toe veel mensen blijven boeien. En dat is nu nog maar het boek van een mens. De menselijke geest kan in zijn tijdbepaaldheid dingen zeggen en schrijven die volledige niet-tijdgebonden zijn. Dat is de mogelijkheid van de creatie. Daarvan heeft de Heere dan ook gebruik gemaakt. Wat we in de Bijbel in een bijzondere vorm tegenkomen, is niet uitzonderlijk. Het is de taak van de exegeet behoedzaam af te tasten welke elementen tijdbepaald zijn en welke niet. Het begrip "tijdgebonden" is veel te eenzijdig om er de Bijbel als geheel recht mee te doen. Er staan heel veel dingen in de Bijbel die hun tijd gehad hebben omdat ze vervuld zijn. Maar dat is een andere vorm van tijdgebondenheid dan die men vandaag bedoelt. Dat is dus niét een cultuurgebondenheid, maar een beperking tot een bepaalde periode van de heilsgeschiedenis. Sommige delen van het Oude Testament hebben duidelijk een zekere beperktheid voor een periode. Ze hebben nog wel betekenis voor ons, maar dan toch op een andere manier dan vroeger.
Bovendien komen er uitspraken voor in de Bijbel, bijv. in de brieven van Paulus, die heel duidelijk slechts ad hoc, voor één moment gedaan zijn. Als Timotheüs een jas van Paulus moet meenemen, geldt dat voor één keer. En dan zijn er ook nog uitspraken die op een reeks van handelingen slaan, een bepaalde duur hebben. Weer andere uitspraken betreffen algemene zaken, zoals bijv. het huwelijk of de verhouding tussen ouders en kinderen. Laat ik een voorbeeld geven. In het Nieuwe Testament komt de slavernij ter sprake. Maar er wordt nergens in de Bijbel gezegd dat we slaven moeten hebben. Er staat wel dat er slaven zijn. Het Oude Testament heeft heel duidelijk de teneur om de slavernij terug te dringen. Je mocht binnen Israël geen slaaf zijn. Er wordt al in het Oude Testament een breekijzer in de slavernij gezet. Als je dan leest hoe Paulus aan Philemon schrijft over een weggelopen slaaf, legt hij eigenlijk dynamiet onder de slavernij. Ervan uitgaande dat er slaven zijn, geeft de Bijbel daar allerlei richtlijnen voor. Nu staan er daarnaast ook uitspraken over het huwelijk in de Bijbel. Het huwelijk is ook een cultureel bepaalde zaak. Kun je nu op de zelfde manier zeggen dat ook de uitspraken over het huwelijk vandaag niet geldig meer zijn? Naar mijn mening niet. Van het huwelijk staat er wel dat het een instelling van God is, maar van de slavernij niet. Het huwelijk gaat terug naar Genesis 2. Dan ben ik op een principieel ander vlak bezig dan bij de slavernij. Dat blijkt ook uit de uitwerking door Paulus. Als hij geboden geeft aan de slaven, baseert hij die niet op een soort scheppingsgebod. Maar als hij schrijft over de verhouding tussen man en vrouw in het huwelijk, doet hij dat wel. Wat Paulus schrijft over de slavernij, is beperkt tot de maatschappelijke verhoudingen van toen. Veranderen die, dan moet je naar analogie daarmee werken, maar niet recht toe, recht aan. Dat geldt ten aanzien van het huwelijk niet. Als je het begrip "tijdgebondenheid" hanteert en dan niet geduldig vanuit de exegese vaststelt hoe de Bijbel zelf aangeeft waar de constante elementen liggen en waar er sprake is van een verstrengeling met de cultuur van die tijd, benader je de Bijbel met een botte bijl.'
De voorzichtige benadering van Van Bruggen is belangrijk om een reformatorische Schriftopvatting af te grenzen van biblicisme en fundamentalisme. Toch doen de door de auteur genoemde voorbeelden nog wel vragen rijzen. Ik deel zijn mening dat het huwelijk terug gaat naar Genesis 2 en dat we in dat opzicht op een ander vlak bezig zijn dan wanneer het gaat over slavernij. Maar moeten we toch ook ten aanzien van de vormgeving van het huwelijk, de uitwerking van de man-vrouw relatie niet tijdbepaaldheid in rekening brengen. Ik denk aan wat de Bijbel zegt over de bruidsschat, de wijze van huwelijkssluiting, de positie van de vrouw in Israël etc. Met andere woorden, het vraagstuk van de verstrengeling van de bijbelse boodschap met de cultuur van de tijd waarin de Bijbelboeken ontstaan zijn, is bepaald niet eenvoudig. Is het vaststellen van de constanten alleen een zaak van geduldige exegese, of spelen daarin toch ook geloofsapriori's een rol van betekenis? Van Bruggen wil vanuit zijn gereformeerd verstaan van de Schrift op een open wijze zijn wetenschappelijk werk doen. Dat blijkt uit zijn antwoord op de volgende vraag van de interviewer.
'Acht u het ook mogelijk dat u van de theologie waarmee u het niet eens bent, toch wat kunt leren. Denkt u weleens: wij zijn toch wel wat eenzijdig en hebben een zekere correctie nodig. Ik denk bijv. aan de bevrijdingstheologie die er zo sterk de nadruk op legt dat het evangelie voor de armen is.
Wij kunnen van iedereen leren. Er is geen extremiteit of er zijn waarheden in. De bevrijdingstheologie bepaalt er ons bij dat er onderdrukking is in de wereld en dat we de armen vaak vergeten hebben. Maar elementen van waarheden of gedeelten van waarheden, opgenomen in een systeem dat als systeem niet klopt, worden daardoor eigenlijk buiten werking gesteld. Daardoor helpen ze niet. Wanneer je oog hebt voor de verdrukten in de wereld en je laat dan het hele evangelie opgaan, in een soort bevrijdingstheologie, help je niet echt. Wat je ook aan de onderdrukten moet geven dat is de vertroosting van de Heere God. Met deze theologie, raak je die kwijt. Wanneer we de Bijbel als geheel nemen, zien we dat hij niet in de eerste plaats een bevrijdingsideologie biedt, maar het evangelie van God over de nieuwe wereld verkondigt en ons allereerst tot zondaars maakt die de genade van de Here Jezus Christus nodig hebben. In dat kader worden dan ook de uitspraken gedaan over het omzien naar de armen, naar de weduwen, naar de verdrukten. Haal je ze echter uit dat kader, dan komen ze in een heel verkeerde belichting te staan. Het is bijzonder waardevol aan heel het Nieuwe Testament, heel de Schrift aandacht te schenken. De kennis van de Bijbel is vandaag gering. Men werkt vaak met slogans, losse bijbelteksten, die wel imponeren, maar die ver van huis zijn gehaald. Veel bijbelteksten worden soms gebruikt als de veer op een hoed waar ze niet op horen.'
Zelf heb ik enkele jaren geleden de stelling geponeerd dat de zgn. tweede-naamvaltheologieën van betekenis zijn doordat ze ons attenderen op verwaarloosde aspecten van de Bijbel maar dat zij door hun verabsolutering en eenzijdigheid gevaar lopen in sectarisch vaarwater te geraken. Waarbij ik nog wel aanteken, dat het begrip 'bevrijdingstheologie' ook nogal verschillend ingevuld wordt.
***
Zuinig met de rechtsorde
Rondom de regeringsbeslissing over te gaan tot plaatsing van kruisraketten heeft zich een discussie ontsponnen over het al of niet gewettigd zijn van burgerlijke ongehoorzaamheid in deze situatie. Er heerst een soort overeenstemming dat er situaties kunnen zijn dat dit middel als uiterste overblijft. Maar of de kwestie van de kruisvluchtwapens in een land waar nog altijd parlementair democratische besluitvorming mogelijk is en om de zoveel jaren vrije verkiezingen gehouden worden, zo'n situatie vormt, waag ik met velen te betwijfelen. Ik sluit me gaarne aan bij de tot nuchterheid oproepende woorden van prof. dr. K. Runia in het Centraal Weekblad van 8 november:
'Er zit een geweldige spanning in deze materie. In situaties van uiterste noodzaak kan het nodig zijn naar dit middel te grijpen. Maar tegelijk is men dan bezig om de bestaande rechtsorde te ondermijnen. En dat is in ons geval geen kleinigheid. Onze rechtsorde mag niet volmaakt zijn, maar ze is wel een van de beste in deze gebroken wereld. We hebben in ons land een democratische rechtsorde waar velen elders jaloers op zijn en waar we zelf wel heel zuinig mee om moeten gaan.
Waarschijnlijk zal niet ieder het hier mee eens zijn. In ieder geval hoort men nogal eens zeggen dat het feit dat de regering zich niets aantrekt van 3 3/4 miljoen handtekeningen, een bewijs is dat onze rechtsorde maar zeer gebrekkig werkt. Deze redenering lijkt me echter niet sterk. Men overschat hiermee de mogelijkheden van een actie als het volkspetionnement. Trouw schreef in een hoofdartikel terecht: "In onze democratie is een petitionnement geen tussenstation, maar een eindpunt. Het beoogt uitdrukkelijk niet om de architectuur van onze parlementaire democratie te wijzigen. Het is slechts een middel om daarbinnen gehoor te vinden". Als dat laatste niet lukt, heeft men blijkbaar de meerderheid niet kunnen overtuigen.
Maar gaat het hier niet om een zaak van het geweten ? En is gehoorzaamheid aan het geweten niet van hoger orde dan de democratische rechtsorde? Ook deze redenering is op zichzelf allerminst sluitend. Natuurlijk is het geweten ongelooflijk belangrijk en moet er in voorkomende gevallen ruimte worden geschapen voor gewetensbezwaren, maar men kan niet eisen dat in elk willekeurig geval de algemeen aanvaarde, rechtvaardige en voor allen gelijke rechtsorde moet wijken voor een beroep op het geweten van de enkeling of van een kleine of grote groep uit de bevolking. Wie dit wel vraagt, tast de rechtsorde in haar diepste wezen aan. Ja maar, zegt men, wij willen alleen maar geweldloze acties en we zijn bereid de er eventueel uit volgende straffen te dragen. Met andere woorden, we aanvaarden de consequenties die de bestaande rechtsorde aan onze daden verbindt. We hopen alleen maar dat onze acties ook bij anderen tot het inzicht zullen leiden dat de genomen besluiten onjuist zijn. Het lijkt me toe dat men op deze wijze de draagwijdte en de risico's van burgerlijke ongehoorzaamheid sterk onderschat. Men schijnt zich niet te realiseren dat op zich zelf geweldloze acties de overheid nogal eens dwingen om met sterke hand op te treden. Enkele jaren geleden gingen mensen op de rails liggen om treinen tegen te houden. Ze moesten via krachtdadig optreden van de politie worden verwijderd. Wat zou zoiets vandaag betekenen, nu de gemoederen van velen door de teleurstelling toch al verhit zijn? Hetzelfde geldt van de weigering om een gedeelte van de defensiebelasting te betalen. Ook dit zal reacties van de kant van de overheid oproepen. Komt men zo niet in een spiraal van actie en reactie terecht die, voor men er erg in heeft, tot geweld kan leiden?
Terughoudend
We staan met dit alles op een breekpunt in onze democratische samenleving. Kerken, politieke partijen, vakbonden, vredesbewegingen enzovoort, zullen hier uiterst voorzichtig en terughoudend moeten spreken en handelen. Zolang iedere burger in ons land nog de volle vrijheid heeft om voor zijn mening uit te komen en alle mogelijkheden die de democratie biedt, kan gebruiken om het door hem gewenste doel te bereiken, lijkt het me toe dat de fase van burgerlijke ongehoorzaamheid niet is aangebroken.
Nu is er op dit punt bij velen beduchtheid. Ook mevr. Strikwerda, voorzitster van KKN, heeft zich zeer terughoudend uitgelaten op dit punt. Ze zei dat ze wel kon begrijpen dat mensen naar dit middel gingen grijpen, maar ze zag zelf nogal wat problemen.
Eenzelfde soort reaktie trof ik in Herv. Nederland aan van prof. Goudzwaard. Ik twijfel niet aan de integriteit van mevr. Strikwerda of prof. Goudzwaard. Wel vraag ik me af, of er in hun opstelling niet een onhelderheid schuilt? Geeft men, als men zegt, dat men burgerlijke ongehoorzaamheid in deze situatie wel kan begrijpen, mensen toch niet een argument in de hand om metterdaad dit middel te hanteren. Op de bijeenkomst in de Houtrusthallen bleek hoe de massa lak had aan de bezwerende woorden van leiders van het IKV en het KKN om minister Lubbers toch vooral aan het woord te laten en aan te horen. Zal diezelfde massa een uiting van berip van de kant van KKN of IKV in de context van hun verzet tegen de regeringsbeslissing niet vertalen in een openlijke aanmoediging? Dan kan men achteraf wel zeggen: 'Ja, maar we hebben er niet toe opgeroepen' en de handen in onschuld wassen, maar het spreekwoord zegt niet voor niets: wie wind zaait, zal storm oogsten. Laten we om met Runia te spreken zuinig zijn op de rechtsorde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's