't Wordt maar geen kerst in Israël
In Jeruzalem ligt de bekende wijk Mea Shearim, een soort Urk in de 'heilige' stad. De mannen lopen er in orthodox-joodse dracht. In die wijk is het orthodox-joodse religieuze leven te tasten en te proeven op alle hoeken van de straten. En vrijdags, na zonsondergang — als de sabbath een aanvang neemt — spoeden de mannen zich naar het tempelplein, naar de klaagmuur. Niet dat daar dan alleen orthodoxe joden zijn. Ook joden van minder orthodoxe signatuur, uit alle landen van de wereld, komen dan bij de klaagmuur om hun gebeden te zeggen en uit de thora te lezen. En temidden van het drukke gewoel lopen de toeristen om het religieuze gebeuren gade te slaan. Voor de meeste toeschouwers een stukje folklore.
Voor wie Jeruzalem bezoekt, zeker voor wie dat voor de eerste keer doet, is de gang naar de klaagmuur op vrijdagmiddag een 'must'; in hoge mate een toeristische attractie. Maar voor wie dieper nadenkt, voor de christen met name, die bij het Woord van Oude Testament en Nieuwe Testament leeft, ligt achter dit hele gebeuren bij de klaagmuur de diepe kloof, die tot vandaag joden en christenen scheidt. Wat Joden ook bidden mogen bij de klaagmuur en welke inhoud de gebedsbriefjes ook hebben mogen, die mensen in de spleten tussen de stenen stoppen, achter dit hele gebeuren ligt het weeklagend roepen om de Messias, om de Beloofde van oude tijden af.
Wie de ernst in deze van de joodse religie op zich voelt afkomen kan de verzoeking op zich afkrijgen: tóch twee wegen, een weg voor de Jood en een weg voor de christen? Maar toch, néé, om Christus-wil nee! Er is onder de hemel geen andere Naam gegeven , waardoor wij moeten zalig worden. Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven. Jezus is gekomen als dé Messias, óók van Israël. Simeon zong het uit, toen hij het Kind Jezus in de armen nam: 'een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van uw volk Israël.'
Het wérd kerst in Israël. Simeon zong ervan. Maar wie bij de klaagmuur staat beseft dat het nog altijd maar geen kerst wil wórden in Israël.
Heerlijkheid
Overigens is het wél opmerkelijk dat Simeon in zijn lofzang de heidenen en Israël afzonderlijk noemt. Licht tot verlichting der heidenen. Jawel, maar ook tot heerlijkheid van Israël, volk van God. Op het moment dat Simeon zijn lofzang zingt voltrekt het heilsgebeuren van de geboorte van de Zoon van God, van de beloofde Messias, zich nog slechts binnen de grenzen van Israël, hoezeer ook al vreemden, zoals de wijzen, getuigen mogen zijn van het Licht, dat opgegaan is tot verlichting der heidenen, van de gojim. De Messias zal voorlopig nog slechts Zijn gang temidden van Zijn volk maken. Totdat Hij er verworpen wordt en tot op het kruis zich het geding voltrekt tussen Hem en Zijn volk: 'Vader vergeef het hun want zij weten niet wat zij doen'.
Het bittere raadsel van Gods heilsgeschiedenis is dat Hij gekomen is tot het zijne maar de zijnen hebben hem niet aangenomen (Joh. 1 : 11). Intussen gold ook echter voor Israël dat — hoewél de zijnen Hem verwierpen — diegenen, die Hem hebben aangenomen, macht kregen om kinderen Gods te worden, namelijk diegenen die in Zijn Naam geloofden. De eerste getuigen van Kruis en Opstanding, de eerste christenen waren desalniettemin Joden en zij brachten de boodschap verder, naar de heidenen. Sindsdien zijn het de enkelingen uit het jodendom geweest, die Christus als de Messias hebben beleden. Maar het volk als zodanig verwierp Hem. Bekeerde Joden zijn er de tijden door geweest. In ons land denken we aan Salomon Duytsch, aan Isaäc da Costa. En vandaag zijn er de Messias-belijdende Joden, die zelfs een eigen orgaan 'Hadderech' uitgeven. Maar hét Joodse volk? Dat volk kijkt men in het hart als men bij de klaagmuur staat. Het ziet daar nog steeds uit naar de komst van Hem die al gekomen is.
Heerser in Israël
Ik stelde al dat in de verwerping van Jezus als Messias door Zijn eigen volk een bitter raadsel in Gods heilsgeschiedenis ligt. Temeer treft ons de 'hardnekkige' weigering van het Joodse volk om Hem als Messias te aanvaarden als we lezen hoe in de beloften aangaande de komende Messias in het Oude Testament het volk toch telkens zo met name wordt genoemd.
Heerser in Israël zou Hij zijn, zegt Micha in zijn profetie (Micha 5 : 1). De tekst in Micha 5 staat overigens tegen de achtergrond van de oordeelsaankondiging van de profeet aan het slot van Micha 4. Over Jeruzalem wordt gezegd in vlammende taal: 'Nu, rot u met benden, gij dochter der bende, hij zal een belegering tegen ons stellen; zij zullen de rechters van Israël met de roede op het kinnebakken slaan.' Jeruzalem zal niet alleen omsingeld, belegerd wórden door anderen, door andere troepen, maar — zo voegt Calvijn toe, op grond van het grondwoord in de tekst — Jeruzalem zal zichzélf aan banden leggen. En zelfs de bestuurders van het rijk — de rechters — zullen docr de Heere aan beschimpingen worden blootgesteld.
Maar dan de omslag. Bethlehem, onbetekenend stadje in Juda, 'uit u zal Mij voortkomen die een Heerser zal zijn in Israël.' Het oordeel slaat om naar de belofte toe. Hoewel Calvijn in zijn uitleg steeds Jeruzalem, Juda en de kerk dooreen gebruikt, spreekt hij hiér toch gericht(er) over Israël zélf. Hij zegt: 'Met deze woorden verklaart God, dat Hij niet besloten heeft het volk zó te doen ondergaan, dat Hij het na enige tijd niet meer wilde herstellen'. Het volk wordt slechts 'voor een tijd verworpen'. 'Er is echter geen twijfel aan, of de profeet herinnert de gelovigen tegelijkertijd ook aan de belofte, die aan David was gegeven. Vanwaar komt immers voor het uitverkoren volk de hoop op redding anders dan uit de eeuwigheid van het Koninkrijk?'
Hier vallen dus bij Calvijn woorden als herstel van het volk, uitverkoren volk, belofte aan David gegeven. God geeft zelf, als de bestuurders in Israël op de kaak geslagen zijn, een nieuwe Heerser, een Vorst. En Wiens Naam mogen wij hier anders invullen dan die van Hem, die in Bethlehem geboren werd, Vorst Messias, Jezus Christus, Licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van het volk Israël!
En toch... het wórdt maar géén kerst in Israël. Ook hier geldt: 'waar blijft de belofte van Zijn toekomst?' Die vraag wordt in het laatst der dagen door spotters gesteld met betrekking tot de oordeelsdag, de dag van de wederkomst van Christus. Maar op dezelfde wijze kunnen we in twijfel de vraag stellen als we naar Israël zien. Vanuit Israël, vanuit Jeruzalem is de prediking van het Evangelie van de gekomen Messias, de geboren Koning der Joden, onder de volkeren verspreid. In de kortste keren werden volkeren gekerstend, gemeenten gesticht, kwamen over de hele wereld mensen tot bekering. Zending onder Israël mislukte. Israël bleef er — als volk — buiten. Hoewel de enkelingen wél een voorschot waren op de oogst.
Waarom betoonde Christus zich geen Heerser over Israël te zijn? De Heilige Geest gaat toch van Christus uit om het uit Hem te nemen? Waarom is het 'onwederstandelijke' van de Geest zo weinig merkbaar geweest als het over Israël gaat?
In een discussie zei een joodse rabbi: verkondigen jullie ons Jezus maar als de Messias. De boodschap zal ons tóch niet raken. Tekenend voor de 'hardnekkigheid'.
Toch niet gering
Als de evangelist Mattheüs het woord uit Micha 5 over de 'Heerser in Israël' over neemt is er intussen sprake van een opvallende wijziging (Matth. 2 : 6). In Micha heet Bethlemhem 'klein onder de steden van Juda'. Maar Mattheüs zegt over Bethlehem: geenszins de kleinste onder de Vorsten van Juda. Want uit Bethelehem komt de Leidsman voort die het volk Israël — 'Mijn volk' — weiden zal.
Bethlehem is in de ogen van de evangelist opeens niét meer klein, niét meer gering. Bethlehem is om zo te zeggen in de adelstand verheven. Bethlehem is Koningsstad geworden, want de Grote Koning is er geboren. Zó wordt de genade van God groot gemaakt, tegen al het zichtbare in. Het onooglijke wordt groot. Het verachte wordt verheven. Een provinciestadje wordt wereldstad, geboortestad van de Koning, van Vorst Messias. Toch gelóófstaal van de evangelist!
En toch... het wordt maar geen kerst in Israël. Het wordt ook maar geen kerst in Bethlehem. Jawel, duizenden toeristen bezoeken er per jaar de 'geboortekerk' en zéker rondom kerst is die kerk in trek. En de velden van Efratha — op drie plaatsen aangewezen buiten het stadje — trekken de 'pelgrims' die er het 'Ere zij God' zingen bij duizenden. Maar het volk staat erbij, leeft erbij en ziet toe.
Bethlehem is thans weliswaar een stadje met een arabische bevolking en er wonen momenteel christenen. Maar Israël staat wat het kerstgebeuren betreft van verre. Christenen laten — uit een drang tot relequienverering — de kerken er intussen over elkaar heen tuimelen. Zó zelfs dat die ene geboortekerk drie departementen heeft voor verschillende christelijke denominaties. Bepaald geen getuigenis van de geboorte van die Ene, Wiens lichaam ook één is. Zijn Lichaam is kennelijk verdeeld geraakt. En hét volk wordt niet tot jaloersheid verwekt. Israël moet wel weinig onder de indruk komen van onze kerstvieringen, alleen al gegeven de grote verdeeldheid.
Zal het dan nooit kerst worden in en voor Israël? Die vraag blijft ons pijnigen. Elke keer weer als een christen, die bij zijn Bijbel leeft, in Bethlehem komt is er dat gemengde gevoel. Wat hebben we als christenen met het Kind gesold, zoals er vandaag in de concrete kerstvieringen mee gesold wordt. Maar ook: wat zien we weinig van de belofte dat Christus Heerser zou zijn en van de vervulling, namelijk dat Hij Leidsman werd. Wat zien we er weinig van dat Bethlehem van ón-betekenend gróót werd.
Een lijdende Koning
Is intussen zó niet steeds de gang van de Koning geweest? In het onbetekenende Bethlehem geboren, tot verbazing van de wijzen, die gevraagd hadden: waar is de geboren Koning der Joden?
Daarna: Koning op een ezel. Vervolgens, Koning aan het Kruis, met alleen een bordje boven Zijn hoofd dat eraan herinnerde dat Hij Koning was.
En toen Hij triumfantelijk de dood overwonnen had, Zijn Koningsheerschappij had betoond over de koning der verschrikking, onttrok Hij zich aan ons natuurlijk oog, totdat zelfs een wolk Hem weg nam voor de ogen der Zijnen.
En ook sindsdien is Zijn koningschap in de geschiedenis voor het natuurlijk oog verhuld gebleven. Waar bleef de vrede van de Messias, waar bleek dat Hij het Licht der heidenen was, en waarom — om een woord van Nietzsche te gebruiken—zagen christenen er zo onverlost uit?
En waarom tenslotte bleef Bethlehem toch het onooglijke stadje en bleek nergens dat Hij ook heerser in Israël was?
Bidden we als christenen niet: Uw koninkrijk kome? Hoewel het koninkrijk ook reeds gekomen is. En toch, in volle ontplooiing zal het nog zichbaar moeten wórden. Alle knie zal zich eenmaal voor Hem buigen en ieder zal dan gedwongen of vrijwillig betuigen dat Hij Kurios was en is. Het geloof mag dit weten, mag de volle ontplooiing van dit koninkrijk verwachten. Zouden we bij die verwachting ook niet mogen insluiten dat Hij Heerser is in Israël en dat ook dat zichtbaar zal worden?
In de gezelschappen in de vorige eeuw werd altijd een stoel vrij gelaten voor het geval ook de dominee komen zou; de dominee van een kerk of gemeente overigens, waarvan het niet direct te verwachten was.
In Den Haag werd in de Tweede Wereldoorlog — zo vernam ik het in de prediking — in de kerk(en) de bank van het koningshuis leeg gelaten. De koningin mocht tóch eens komen, hoe onwaarschijnlijk dat ook was.
Zouden we zo in de kerk — ook dat neem ik maar over uit de preek — niet een bank leeg laten voor Israël? Omdat het volk tóch — dwars tegen alle verwachting in — komen zal! Omdat Christus, de Messias, toch Heerser, toch Leidsman, toch Koning is van Zijn volk!
Het wordt maar géén kerst in Israël. Maar toch wordt het één keer kerst in Israël. De Koning staat er Borg voor.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1985
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1985
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's