Ook de ziel
Christus nam de menselijke natuur aan
Het luistert erg nauw, als wij het hebben over Jezus Christus, over zijn persoon en werk. De woorden moeten dan goed gewogen worden. Elke verkeerde gedachte kan voor het geloofsleven zeer nadelige gevolgen hebben. Het beeld dat wij van Jezus Christus en zijn werk voor ogen hebben, bepaalt hoe wij Hem zien en wat wij van Hem verwachten, hoe wij Hem aanroepen en hoe wij Hem dienen. Als alle slordigheid zich wreekt, dan is dat zeker het geval in ons spreken over Jezus Christus, en dus ook over zijn menswording.
Om tot die menswording ons nu te beperken, willen wij wijzen op een bepaalde formule die wij aantreffen in onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, in artikel 17, waarboven staat 'Van de menswording van Jezus Christus'.
De formule die wij op het oog hebben, luidt als volgt: 'En (Hij) heeft niet alleen de menselijke natuur aangenomen, zoveel het lichaam aangaat, maar ook een ware menselijke ziel, opdat Hij een waar mens zou zijn; want aangezien de ziel zowel verloren was, als het lichaam, zo was het van node, dat Hij ze beide aannam, om ze beide zalig te maken'.
De bedoeling van deze passage zal wel duidelijk zijn. Onze Belijdenis vindt het niet voldoende om te zeggen dat Christus onze 'menselijke natuur' heeft aangenomen. Zij gaat dat nader specificeren, door te zeggen: niet alleen wat het lichaam aangaat, maar ook wat de ziel aangaat! En het argument is: beide waren verloren, het lichaam, maar ook de ziel; en Christus is gekomen om beide te behouden, het lichaam én de ziel.
Platonisch?
Nu zullen er natuurlijk heden wel zijn, die al gelijk een bedenkelijk gezicht zetten. Is dit niet, ook hier in de Belijdenis, dat oude Griekse of Platonische dualisme? Is niet de mens een éénheid? Is het niet al lang achterhaald, dit spreken over lichaam én ziel? Is het niet verwerpelijk om te spreken over de onsterfelijkheid van de menselijke ziel?
Een feit is in elk geval, dat onze Belijdenis beide onderscheidt, en ten aanzien van de Heere Jezus Christus belijdt, dat Hij mens was naar lichaam én ziel. Een feit is ook dat de Belijdenis vooral onderstreept dat Jezus Christus toen Hij mens werd, een menselijke 'ziel' heeft aangenomen.
Hoewel het hier niet zozeer de gelegenheid is, wil ik toch opmerken dat het helemaal niet 'Grieks' of 'Platonisch' is om ziel en lichaam te onderscheiden. De Bijbel zelf gaat er ons nadrukkelijk in voor. Adam werd eerst door God geboetseerd uit het stof der aarde en toen blies God in hem een levende ziel. Dat was niet enkel 'leven', maar gekwalificeerd leven, een ander leven dan de dieren hebben. Daarom vinden wij wel in Genesis beschreven dat God op deze wijze te werk ging bij de schepping van de mens, maar ten aanzien van de schepping van de dieren alleen maar dat God hen door zijn machtswoord in het leven riep. En heeft niet later de Heere Jezus Christus zélf gesproken van hen die wel het 'lichaam' kunnen doden, maar niet de 'ziel'?
Kortom, de Belijdenis beweegt zich hier geheel binnen bijbelse banen, wanneer zij ziel en lichaam onderscheidt.
Lichaam én ziel
Een andere kwestie is echter, waarom in de Belijdenis zo nadrukkelijk wordt onderstreept dat Jezus Christus bij zijn menswording ook de menselijke ziel heeft aangenomen.
Guido de Brès, de opsteller van de Geloofsbelijdenis, heeft zelf op deze vraag een antwoord gegeven. Hij zag herleven bij de wederdopers van zijn dagen een ketterij die zich al vertoond had eeuwen tevoren, in de eerste tijd van het christendom. Apollinarus, bisschop van Laodicea had geleerd, dat Christus naar zijn mensheid bestond uit een lichaam, en meer niet. Wat bij de mens de ziel is, dat zou bij Christus zijn godheid zijn. Apollinarus déélde dus het mens-zijn; hij onderscheidde niet slechts ziel en lichaam maar scheidde ze, althans in de figuur van Jezus Christus. Christus zou een lichaam zonder ziel hebben gehad. En toch leefde Hij, want de 'godheid' nam de plaats in van de menselijke 'ziel'. En volgens Guido de Brés waren er in zijn dagen onder de wederdopers die er ook zo over dachten.
Nu behoeft dat laatste ons niet te verwonderen. Alle wederdopers leefden uit een zeker dualisme. Het geestelijke en het stoffelijke stelden zij tegenover elkaar. Mannen als Melchior Hoffman en Menno Simons kwamen daardoor op gespannen voet te staan met de leer van Christus' ware mensheid. Zij konden die ware mensheid in feite niet aanvaarden. De zuivere Zoon van God kon volgens hen, nooit dit door de zonde bevlekte menselijke vlees hebben aangenomen.
Mensbeeld
De schijn had het, dat de dopers daarmee toch wel zeer lage en nederige gedachten hadden over de mens. De mens een zondaar, met zondig vlees! Maar men vergisse zich niet. Het zondige zat voor hen in het 'vlees'. Niet zozeer in de 'ziel' of in de 'geest'. In feite waren de wederdopers hierin kinderen van de Middeleeuwen. Stuk voor stuk leerden zij een 'vrije wil'. De val van de mens heeft wel zijn lichaam in het verderf gestort, maar de ziel of althans het hoogste deel van de ziel was verschoond gebleven. Dit is dezelfde mensleer die wij ook bij Erasmus, de humanist, tegenkomen. Wat Erasmus betreft, heeft de Duitse reformatiekenner Heinrich Bornkamm, in meerdere studies dit mensbeeld uiteengezet en het geconfronteerd met de reformatorische visie op de mens, waarin men ervan uitgaat dat de héle mens is gevallen, de mens naar ziel en lichaam. Juist in de Reformatie is er van enig dualisme tussen ziel en lichaam geen sprake! Wil men van 'dualisme' spreken, dan moet men de wederdopers en Erasmus ter sprake brengen.
Het is dus door onze Belijdenis met beslistheid afgewezen, dat de Zoon Gods maar een halve menselijke natuur zou hebben aangenomen, wel het lichaam en niet de ziel.
Ziel verloren
Veelbetekenend is het, als wij in ons artikel lezen, dat de ziel 'zowel verloren' was als het lichaam. Er is niets in de mens dat door de val ongeschonden is gebleven. Het kwaad zit niet alleen maar in zijn ledematen, al kunnen die wel 'wapenen der ongerechtigheid' zijn. De ongerechtigheid zélf zit dieper. Juist wat wij noemen 's mensen hogere bestaan is verdorven. Zijn denken, zijn willen, zijn voelen, zijn begeren. En derhalve ook zijn wetenschap, zijn bekwaamheden, zijn kundigheden, zijn hele cultuur.
De zondeval reikt heel wat dieper dan de oppervlakkige wederdopers en de even oppervlakkige Erasmus leerden. Daarom kunnen wij ook op generlei wijze onszelf redden en behouden. Met een beetje moralisme is het niet te doen, zelfs niet met een beetje christelijk moralisme.
Het is voor ons heil wezenlijk noodzakelijk geweest dat Gods Zoon onze héle menselijke natuur aannam. Dat Hij mens werd naar lichaam én ziel. Zelfs zou men kunnen zeggen, dat onze ziel het nog meer nodig had dan ons lichaam.
's Mensen héle bestaan moest worden gered. Zo kon ook heel de schepping worden gered. De ganse kosmos. Omdat de verlossing diep was, daarom was zij ook breed. Het was nodig, zegt de Belijdenis, dat Jezus Christus beide aannam, om ze beide zalig te maken.
Diepte en breedte
In de huidige theologie wordt er vooral de nadruk op gelegd, dat het lichaam, het stoffelijke door Jezus Christus is gered. Men zoekt het dus vooral in de breedte. Op zich is dat niet onjuist, maar het wordt wel een kwalijke zaak als men de diepte eraan opoffert. De breedte kan in dit verband alleen bestaan bij de gratie van de diepte.
De Belijdenis heeft het nodig geoordeeld om tegen alle vervlakking bij de dopers extra deze diepte te benadrukken en te zeggen: ook de ziel.
Hierin is voor de gemeente Gods ook een rijke vertroosting gelegen. Waar zij het meest onder lijdt en mee te worstelen heeft, is de innerlijke verdorvenheid. Onze zondige aard. De verdorvenheid van ons hart. De geestelijke onkunde, onze onwil en onze onmacht. Jesaja zegt van het zondige volk Gods in zijn dagen: 'Er is niets geheels aan hetzelve' (Jes. 1:6).
In Christus geheel gered
En nu heeft Jezus Christus, in zijn menswording, dit totale zondige bestaan aangenomen. Zelf bleef Hij zonder zonde, maar Hij nam wel de hele menselijke natuur, die gezondigd had, aan. Hij is ons, zegt de Hebreeënbrief, in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Naar deze woorden verwijst ook het artikel in de Belijdenis.
Er is niets in onszelf dat wij zelf nog op enigerlei wijze zouden hebben te bewaren en te cultiveren. Het Evangelie leert ons dat wij geheel zondaar 'mogen' zijn, want dat Jezus Christus daarom ons niet zal verstoten. Uit eeuwige liefde nam Hij alles van ons aan. Wij behoeven niet onszelf, met hoe weinig of hoe veel het ook is, op de been te houden, wat ook niet zou kunnen. Wij mogen geheel en al, naar ziel en lichaam, rusten in hetgeen Hij geworden is, en Hij gedaan heeft. Het geloof kan, als het hierover gaat, alle werk laten rusten, en móet zelfs alle werk laten rusten. Om haarszelfswil! Want anders kan zij geen gelóóf meer zijn. Het geloof is een tweevoudig rusten; een rusten van alle werk én een rusten geheel in Hem, zijn persoon en werk. Om deze troost ging het in het artikel van onze belijdenis. Jezus Christus werd mens. Hij was God en bleef God, maar Hij werd mens, en wel naar lichaam én ziel. Oók de ziel!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1985
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1985
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's