De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Prof. dr. J. Severijn en de kerk (12)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Prof. dr. J. Severijn en de kerk (12)

9 minuten leestijd

Waar het Severijn vooral om ging, blijkt opnieuw uit zijn referaat, gehouden op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond in 1950 over 'Fundamenten en Perspectieven van Belijden'.

De commissie voor de nieuwe kerkorde meende, dat er behalve die kerkorde, ook een proeve van nieuw belijden nodig was, tegenover 'de afgoden' en verzoekingen van de tijd. Zij vroeg aan de synode een opdracht om daartoe het initiatief te nemen. Zij kreeg die. Een subcommissie werd in het leven geroepen en het resultaat van haar arbeid werd in 1949 na uitvoerige besprekingen door de synode aanvaard. Zo ontstond 'Fundamenten en Perspectieven van Belijden', dat aan de kerkeraden en classicale vergaderingen werd voorgelegd als een proeve van hernieuwd reformatorisch belijden, met toelichting. Dr. K. H. Miskotte schreef in verband hiermee zijn 'De kern van de zaak'.

Opzet

Van belang is, dat heel de opzet van dit geschrift, dat 19 artikelen telt, bepaald wordt door de belijdenis van het Koninkrijk Gods als grondgedachte van de Heilige Schrift. Tegenover allerlei machten en ideologieën in het heden - zo luidt het hier - is de kerk temeer geroepen dit Koninkrijk te belijden. Zo wordt in dit geschrift grote nadruk gelegd op de geschiedenis als heilsgeschiedenis in eschatologisch perspectief en wordt er tevens gesproken over de bijzondere verkiezing en de toekomst van Israël. Die nemen een bijzondere plaats in in het heilshandelen van God. De gemeente van Christus is niet volgroeid en het Koninkrijk komt niet tot volle openbaring, zolang Israël niet tot haar Messias is teruggebracht. Meerdere artikelen handelen over Christus, en de door Hem tot stand gebrachte verlossing, waarbij Zijn ambten centraal staan. In Hem en Zijn werk Hgt het Koninkrijk vast gefundeerd.

Opmerkelijk is, dat de Drieëenheid Gods niet aan het begin als een 'leerstuk' wordt beleden, doch aan het eind in een alles af­ sluitende lofprijzing. Eén artikel handelt over de overheid. De bezinning op haar roeping was dóór en na de Tweede Wereldoorlog opnieuw actueel geworden. In dit artikel wordt gezegd, dat de overheid niet 'neutraal' mag zijn en zich niet mag laten leiden door wereldbeschouwingen en ideologieën 'van beneden uit'.

Gemist wordt echter een afzonderlijk belijden aangaande de Schrift en haar geheel enig gezag.

Proeve

De reacties uit de kerk kwamen, pas laat binnen. Eerst in 1952 vond de bespreking ervan op de synode plaats. Het kwam niet tot een officiële aanvaarding ervan als een nieuw belijdenisgeschrift. Het bleef een proeve.

Men hoopte echter wél, dat door dit geschrift de bezinning in de kerk op haar belijden, juist in éen tijd, waarin er zoveel onkunde en verwarring was óp godsdienstig, maatschappelijk en zedelijk gebied, zou doorgaan - dat de kerk daardoor in haar apostolaat zou gediend worden - en zij de oude richtingsverschillen op een verantwoorde wijze te boven zou kunnen komen. Hier speelde een bepaald éénheidsstreven doorheen?

Severijn refereerde dus over deze proeve. Hij noemt eveneens eerst de aanleiding tot en de bedoeling van dit geschrift. Er zijn er - zo zegt hij dan - die blij zijn met deze proeve. Volgens hen wordt daarin beleden - inderdaad in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en in gemeenschap met de belijdenis der vaderen. Hij meent echter, dat ze toch meer opkomt uit een geestelijk klimaat, dat haar eigen kijk heeft op die gehoorzaamheid en die gemeenschap, die hij echter niet in overeenstemming acht te zijn met de religie van de belijdenis. Dit zet hij verder uiteen.

Volgens de opstellers van de proeve gaat het daarin centraal om het Christusgetuigenis. Doch Severijn benadrukt dan weer, dat wij dit vinden in het profetisch en apostolisch getuigenis van de Schrift als geheel enig Woord Gods, met geheel enig gezag. Zo getuigt Christus dat Zelf in de Schrift. Zo zijn die twee zelfs niet enigszins van elkaar los te maken.

De opstellers van de proeve schreven ook, dat zij een opzettelijke belijdenis aangaande de Schrift achterwege lieten, omdat het hier gaat niet om een formele, maar materiële zaak. Heel de inhoud van de proeve zou volgens hen getuigen van het gezag van de Schrift, in materiële zin! Maar daarom juist vindt Severijn dit verzuim een groot manco en verdacht! Juist hier had men duidelijk moeten laten blijken, wat in deze de grondslag van het geloof van de vaderen, van de kerk en de gemeenschap daarmee inhoudt! Ondanks enkele welluidende uitdrukkingen is de proeve nu op dit belangrijke punt zwevend gebleven. Hier en daar schijnt men de gouden draad van het reformatorisch belijden te kunnen opmerken. Doch men stuit ook op uitspraken, die meer lijken op een synthetisch kunstprodukt van meerdere theologische beschouwingen, die geen vrucht zijn van de rechte gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift.

Zo staat men ook critisch tegenover bepaalde, toch niet onbelangrijke getuigenissen in de Schrift, b.v. wat betreft de algemene openbaring en haar betekenis; én de relatie tussen de dood en de zonde.

Volgens Severijn wilde men vluchten enerzijds voor de schim van belijdenisvrees en anderzijds voor die van belijdeniskramp. Doch intussen weigerde men de grondslag en regel van het geloof, nl. de Schrift als dé gezaghebbende waarheid Gods in beslissende zin op een niet voor misverstand vatbare wijze te erkennen. Nu maakte men toch de Christus los van de Schrift en het Christusgetuigenis zwevend.

Severijn blijft het principieel fout vinden, dat men zich onthouden heeft van een afzonderlijke belijdenis aangaande de Schrift. Kon, wilde men daartoe niet komen? Nogeens betoogt hij, dat het hier gaat om één van de voornaamste stukken van het geloof, waarbij hij weer uitvoerig Calvijn - Institutie 17-2, 3, 5, en 18-1-citeert en het verwijt van 'boekreligie' met nadruk afwijst. Geen schriftbeschouwing, zo zegt hij ook hier; maar de hartelijke en onvoorwaarlijke erkenning van en onderwerping aan de Schrift als dé Waarheid Gods, boven elke menselijke critiek verheven, zijn het kenmerk van hen, die van de kerk zijn en in haar geloof delen.

Hogere eenheid?

In het referaat wordt verder opgemerkt, dat dit alles zo belangrijk is, omdat de proeve pretendeert, kort en eenvoudig de leer van de kerk weer te geven. Bedoelt men - zo luidt dan de vraag - hiermee, een leer, die in deze tijd als de leer van de Hervormde Kerk, zoals zij reilt en zeilt, wordt aangeprezen? Bedoelt men alle verschillen en zelfs tegenstellingen in een hogere éénheid te grijpen en als dé leer voor te stellen? Of bedoelt men toch nog belijdenis te doen van hét geloof, dat ons van de vaderen is overgeleverd? Het wekt soms de indruk dat men dit alles tegelijk in één begrip 'de leer der kerk' heeft trachten te verenigen, in de hoop, dat de Heilige Geest het zou willen gebruiken om naar dit recept de Hervormde Kerk tot een éénheid te brengen in predi­king, geloof en belijden.

Severijn gaat in zijn referaat ook in op het feit, dat in de proeve de gedachte van het Koninkrijk Gods sterk domineert. De opstellers wilden hiermee naar voren brengen, wat de kerk in het heden tegenover de machten en ideologieën, met nadruk heeft te belijden. Tevens wilden zij het: 'Hoe krijg ik een genadig God?' van Luther en het 'Soli Deo Gloria' van Calvijn, het soteriologisch en theologisch gezichtspunt - met elkaar verbinden vanuit de prediking van het Koninkrijk Gods. Severijn meent, dat Luther en Calvijn zó niet van elkaar af te schermen zijn. Het 'Soli Deo Gloria' ontbrak immers bij Luther niet, evenmin het 'Hoe krijg ik een genadig God?' bij Calvijn. Men doet nu, alsof men het ontbrekende sluitstuk van de Reformatie heeft ontdekt in de verbinding van deze twee gezichtspunten in die gedachte van het Koninkrijk.

Severijn gaat hier zover, dat hij zegt dat de opzet van de proeve wel eens meer bepaald zou kunnen zijn door gezichtspunten uit de nieuwere ontwikkeling van het theologisch denken. Het Schriftgeloof kwam in het gedrang; en niet het geloof in de Schepping, doch de evolutieleer ging het denken beheersen. De bijbelse leer van de mens, de zonde en verlossing werd aangetast en op menige kansel niet meer gepredikt. Ook de opstellers van de proeve merkten op, dat het leven van de kerk en de theologie zich ging ontwikkelen buiten de inhoud van de belijdenisgeschriften om. Bij dit alles ontbrak het aan een blijvende toetsing van de belijdenis door de levende kerk aan de Schrift.

Deze situatie drong ertoe, te zoeken naar een samenbindend verband. En die vond men in de gedachtestructuur van het Koninkrijk? De leer van de kerk moest in dit raam worden geplaatst?

Specuiatie

Volgens Severijn zou de wijze waarop deze Rijksgedachte wordt uitgewerkt, meerdere malen de neerslag zijn van een theologische speculatie, die niet door de Schrift wordt gerechtvaardigd. Ze geven volgens hem ook weinig blijk van een inzicht in het geestelijk karakter van het Koninkrijk. Helaas werkt hij dit in zijn referaat niet nader uit. Wij zouden dit graag gezien hebben. Wij menen hier ook vraagtekens te moeten plaatsen. Was de beoordeling van de proeve op dit punt niet te negatief? Het is toch niet onjuist, dat er nadruk gelegd wordt op het Koninkrijk Gods? Geeft de Schrift daar geen aanleiding toe? Deden b.v. prof. Van Ruler en anderen dit ten onrechte? Geschiedt dit thans in de zendingstheologie ten onrechte? En het Koninkrijk Gods is in de Schrift toch niet een louter geestelijke zaak? Toch was het niet ten onrechte, dat Severijn bij dit karakter van het Koninkrijk, dat het stellig óók heeft, extra de vinger legde! Slaat de moderne theologie thans niet duidelijk door naar de andere kant? De grote zendingsman Stanley Jones heeft eens gezegd, dat de kerk soms zo 'afgeschermd' het Kruis heeft gepredikt, dat mensen het Koninkrijk zonder het Kruis zijn gaan zoeken. Echter, thans wordt vaak de gedachte van het Koninkrijk zó naar voren gebracht en gepraktiseerd, dat de verzoening in vertikale zin in de mist verdwijnt en alleen overtrokken in horizontale zin de aandacht krijgt. De totale verlorenheid van de mens, en de noodzaak van de verzoening met God en van de persoonlijke bekering en wedergeboorte schijnen 'gepasseerde stations' te zijn, het Evangelie der verzoening wordt veranderd in een nieuwe wet, het geloof verdund tot een dóen, en het Koninklijk gesaeculariseerd en te zeer in het maatschappelijke vlak getrokken!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Prof. dr. J. Severijn en de kerk (12)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's