De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Beraadsgroep hervormd  gereformeerde bonden schrijft minister

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Beraadsgroep hervormd gereformeerde bonden schrijft minister

6 minuten leestijd

De Beraadsgroep Hervormd Gereformeerde Bonden richtte zich met het volgende schrijven aan zijne excellentie mr. J. G. Rietkerk, minister van Binnenlandse Zaken,

De brief betreft een uitspraak van de Kroon m.b.t. een voordracht tot vernietiging van APV-bepalingen inzake strafbaarstelling van vloeken in het openbaar. (A.P.V. = Algemene Politie Verordening)

Excellentie Kennis genomen hebbende van diverse persberichten en van uw antwoord d.d. 5 september jl. op vragen van Tweede Kamerlid Schutte, voelen wij ons gedrongen ons tot u als vertegenwoordiger van de Kroon, betreffende de in hoofde dezes vermelde zaak, te wenden. De gehoorzaamheid aan God en aan Zijn Zoon Jezus Christus, alsmede onze verantwoordelijkheid als burgers van ons land voor de toekomst van onze samenleving dringt ons tot het bewandelen van deze weg. Wij worden anderzijds door een zekere schroom geremd, aangezien aan de Kroon de beslechting van geschillen is opgedragen, welke werkzaamheid onzes inziens in de richting van rechtspraak tendeert. En wij willen ons niet schuldig maken aan beïnvloeding van een naar rechtspraak tenderende activiteit. Het alternatief - zwijgen - kwam ons echter onverantwoord voor. Het is ons een behoefte in het navolgende tot uitdrukking te brengen wat ons beweegt om uw aandacht te vragen.

Wij moeten constateren dat het verschijnsel van het vloeken van God in het openbaar, in ons land bijzonder wijd verbreid is. De waardering van dit verschijnsel verschilt sterk, al menen wij te mogen stellen dat het door niemand als welgevoeglijk wordt beschouwd, integendeel.

Wij vermogen in vloeken geen voor grondwettelijke bescherming in aanmerking komende uiting van een gedachte of gevoelen te zien, evenmin als bijvoorbeeld in een uitroep van pijn, angst of vreugde, een zucht van vermoeidheid of verlichting, enz. Het enige verschil tussen vloeken enerzijds en bedoelde andere uitleg anderzijds is, dat de eerste wél en de laatste niet kwetsend kan zijn voor medeburgers.

Liever dan van vloeken spreken wij van het misbruiken van de Naam van God. Misbruik is elke vorm van gebruik welke niet is volgens Gods bedoeling met de openbaring van Zijn Naam. De waarschuwing - bedreiging met straf in het derde van de Tien Geboden - richt zich tegen alle noemers van de Naam, christenen zowel als niet christenen.

Met de door ons gekozen omschrijving van het vloeken - als misbruik van Gods naam - , in welke omschrijving is gepoogd het wezenlijke karakter daarvan te vatten, is reeds aangegeven dat wij het lichtvaardig gebruik van Gods Naam niet als een onschuldig tijdsverschijnsel kunnen waarderen. Niet vloeken is voor ons niet slechts een kwestie van beschaving, maar veel meer van heiliging. Vloeken ligt niet alleen op het terrein van de etiquette, doch veel meer op het ter­rein van de ethiek. Derhalve staat het tegengaan van het vloeken voor ons niet op één lijn met bijvoorbeeld het tegengaan van schuttingtaal.

Men zou ons de vraag kunnen stellen wat óns nu het vloeken van niet-christenen aangaat.

Allereerst mogen wij erop wijzen dat het derde gebod een universele strekking heeft. Opmerkelijk is het dat het verbod van lastering van de Naam behoort tot het zevental rechtsregels dat volgens de joodse leer bindend is voor de gehele mensheid. In de Talmoed worden deze wetten aangeduid als: 'De zeven wetten van Noach's zonen. Het gebruik van Gods Heilige Naam gold ook voor de niet-jood, niet als vrijblijvend.

Voorts gaat ons het vloeken - als verwensing of exclamatie - door niet-christenen in deze zin aan, dat wie vloekt over zichzelf een verwensing uitroept, hetgeen ons, vanwege onze verantwoordelijkheid voor onze naaste, niet onverschillig kan laten. Tenslotte kwetst ieder, die vloekt daarmee zijn medemensen, voor wie het op de lippen nemen van de Naam van hun Schepper, Onderhouder, Rechter en Redder een zaak van existentiële betekenis is. Zeker wanneer het vloeken de strekking heeft om opzettelijk God te lasteren is er naar hun besef sprake van een crimen laesae summae majestatis, een zonde tegen de hoogste majesteit.

Wij onderkennen dat niet elk vloeken dezelfde strekking heeft en niet steeds als bedoeling heeft om God te lasteren. Godslastering veronderstelt de wil om God te smaden, terwijl die bij het vloeken niet steeds aanwezig is. Vloeken gebeurt veelal impulsief, onnadenkend en naar zijn strekking veelal onopzettelijk. Maar ook dan kan het vloeken niet als een onschuldig, onbeschaafd verschijnsel worden afgedaan. Het verbod, waarover wij eerder spraken, treft ook het achteloze gebruik van Gods Naam. Smalende opzettelijke godslastering is in ons land bij de wet met straf bedreigd. Wij moeten echter helaas constateren dat deze strafbepalingen niet of nauwelijks daadwerkelijk in onze rechtsorde functioneren. Overigens menen wij er toch van uit te mogen gaan, dat de voor de grondwetsherziening tot stand gekomen bepalingen tegen het vloeken in het openbaar, gehandhaafd blijven.

Zo kennen wij ook strafbepalingen tegen belediging en discriminatie van onze medemens. Terecht zijn ook diverse vormen van majesteitsschennis strafbaar gesteld. Het door vloeken, anders dan opzettelijke godslastering misbruiken van Gods Heilige Naam, heeft de rijkswetgever niet strafbaar gesteld. Om die reden hebben verscheidene lagere overheden, in het bijzonder gemeenten, in hun verordeningen bepalingen opgenomen ter bestrijding van het vloeken. Daarmee gaven zij bovendien uitdrukking aan de wens van de meerderheid der gemeentelijke volksvertegenwoordigers en daarmee van de plaatselijke bevolking. Wij zijn van mening dat de herziening van onze Grondwet, die, met name wat het eerste vernieuwde hoofdstuk betreft, in het teken staat van de rechten van de mens en de burger, niet tot gevolg mag hebben dat de gemeenten die door plaatselijke regelingen de schending van het recht Gods op een eerbiedig gebruik van Zijn Naam hebben willen beschermen en deze bescherming wensen te handhaven, gedwongen mogen worden deze bepalingen te schrappen. Wij doen daarom een eerbiedig maar dringend beroep op u er niet toe bij te dragen dat de Kroon zal besluiten de enige nog bestaande blijk van publieke afkeuring van het in het openbaar vloeken van de Naam, die heilig is en goed en die ons zo dierbaar is, als strij­dig met het recht van de mens, uit te wissen. Instandhouding van bedoelde bepalingen getuigt van eerbied, voor Gods wet en van respect voor talloze burgers, terwijl niemand in dit land gehandicapt wordt in zijn taalkundige uitdrukkingsmogelijkheden. Wij hopen van harte dat u het bovenstaande ernstig wilt overwegen bij het nemen van een beslissing terzake. Wij bidden u en allen die in hoogheid zijn gezeten de genadige wijsheid Gods en de ondersteuning vanwege de Allerhoogste bij uw gewichtige arbeid toe.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Beraadsgroep hervormd  gereformeerde bonden schrijft minister

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's