Globaal bekeken
In het blad De School met de Bijbel, orgaan van het Verband van Scholen van Geref. Belijdenis, stond een artikeltje over 'Het jeugdboek op school en in huis'. Aangehaald wordt een woord van Alexander Vinet: 'Goede kinderboeken behoren tot de beste onderde literatuur voor volwassenen'. Hier volgt een stukje over 'de geschiedenis van het kinderboek'.
'Als we de geschiedenis van het kinderboek nagaan, dan zien we dat er tot het eind van de 18e eeuw hoegenaamd geen kinderlectuur voorhanden was. Tussen 1770 en 1780 doet er iets zijn intrede dat er op begint te gelijken. In die tijd, de tijd der verlichting, zagen de pedagogen in de lectuur voor het kind een middel om de jeugd te vormen. Centraal stond daarbij het vertrouwen op de deugden van de opgroeiende mens.
Toch wilde men in die tijd niet helemaal los van het religieuze werken. De kerk stond nog steeds in het midden van het leven... Echter was bij de grote massa het christelijk geloof verworden tot: 'de hemelpoort staad wijd open, als je maar deugdzaam leeft'. U merkt, 'de geschiedenis herhaalt zich'.
De eerste jeugdlectuur die toen op de markt verscheen was dan ook helemaal doortrokken van die geest Allerwegen trachtte men via het boek de algemene deugd aan te kweken. Een schoolvoorbeeld hiervan is wel het boek 'de brave Hendrik'. Lieve kinderen, zeiden ouders en onderwijzers in die tijd, volgt slechts het voorbeeld van Hendrik en het zal u wel gaan. Nu deze Hendrik was dan ook braver dan braaf.
Bij het streven om er bij de kinderen vooral de braafheid en deugdzaamheid en gehoorzaamheid in te pompen, werd ook de wreedheid de kinderen in die tijd niet onthouden, getuige het volgende gedichtje:
MIETJE EN HET MES
O! Mietje, Mietje! pas toch op,
Wat doet ge met een mes? ...
Speel liever met uw mooie pop.
Of brei, of leer uw les!...
Kom, wacht nog maar een ogenblik,
Dan komt uw moeder weer,
En snijdt voor u dien peperkoek
Toe, leg dat mes gauw neer. -
Maar neen, zij gaat met snijden voort.
Daar helpt geen bidden voor...
Het mes schiet uit.
Door niets gestuit!
En snijdt haar midden door! -
Daar rolt het lijfjen op de grond.
De benen blijven staan!
Nu is 't te laat.
Geen schreeuwen baat.
Met Mietje is 't gedaan! -
Dus kindertjes onthoudt deze les:
Blijft met de handjes van het mes!
In dit gedichtje valt het op dat de kinderen in die tijd met ge of gij werden aangesproken. Een geheel andere verhouding als in onze zgn. moderne tijd. Het was waarschijnlijk de grootmoeder die op de kinderen moest passen terwijl de moeder naar haar werk was, terwijl dit drama zich afspeelde. Zo ging dat in die tijd.'
***
Henri Arie van Splunder - 700 jaar. Opschrift van een artikel in De Combinatie, plaatselijk blad van Ridderkerk. Aangezien Ridderkerk geboorteplaats van schrijver dezes is, trok het stuk mijn méér dan gewone aandacht.
Van Splunder, een begrip in Ridderkerk. Op de foto oogt hij nog precies als zeg veertig jaar geleden, toen ondergetekende net kwam kijken en de heer Van Splunder voor kinderbegrippen al oud was. Nog elke zondag kerkt hij een keer in de oude vertrouwde Singelkerk. Ik vroeg me af of hij nog altijd op dezelfde plaats zit: laatste bank, recht voor de preekstoel. Ds. W. L. Tukker bewoont thans het huis, dat Van Splunder na het overlijden van zijn vrouw (ze werd 89 jaar) verliet. En dan nog één detail: ds. C. A. Korevaar trouwde één van de dochters, één van de tweeling. Hier volgen een paar stukjes uit het artikel over de heer Van Splunder, geboren in Vroomshoop.
'Vader's jaarsalaris - glimlacht Van Splunder - bedroeg zegge en schrijve f 1000, - plus vrij wonen, het vruchtgebruik van de moestuin, een koe voor de melk, paard en dogcar om zich te verplaatsen. Geen slechte secundaire arbeidsvoorwaarden en voor die tijd een alleszins redelijk bestaan. In de directeurs woning moest voor de eigenaar van de vervenerij steeds een logeerkamer in gereedheid worden gehouden. Een meneer uit Utrecht, die zich overigens zelden of nooit in het verre Vroomshoop liet zien. Jaarlijks bracht vader bij hem rapport uit. Dat was in die tijd een wereldreis waarover in het bedrijf vol ontzag werd gesproken: 'Van Splunder is naar Utrecht!' Wij waren beland in een wereld op de drempel van het industriële tijdperk. Achter het huis stonden de turfstrooisel en de brikettenfabriek. Kilometers ver achteruit het veen in reikten de lorrierails, waarover de grondstoffen werden aangevoerd. Lineaalrechte blinkende strepen door het grauwbruine turfland. Een veelkolonie in ontwikkeling met alle beperkingen van dien. Het doffe staccato van de locomobielen in het veld en de stoomfluiten op de fabrieken bepaalden het rythme van de dag.
De welvaart in Vroomshoop, één van Nederland's jongste veenkoloniën, liet nog op zich wachten. Een nederzetting zonder spooraansluiting met louter zandwegen. Drinkwater uit een regenbak (altijd een beetje bruin), boven de keuken- en kamertafel een petroleumlamp en als jongen op klompen naar school. Dat zijn zo de herinneringen uit mijn prille jeugd, vertelt de bijna honderdjarige. Wij wisten echter niet beter en voelden ons in ons huis gelukkig en tevreden. De verbindingen met de buitenwereld (wij waren op Almelo aangewezen) werden met de trekschuit onderhouden. Het gezellige roefje staat mij nog als de dag van gisteren voor ogen. De wat zoutige geur van de turf kachel aan boord kan ik mij nog in de neus halen.
Op twaalfjarige leeftijd kwam ik van school. Mijn oudste broer zat op kantoor, moest echter in dienst en werd grenadier. Ik nam de plaats op zijn kruk in.
In die tijd was Vroomshoop nog van telefoon verstoken al bestond die al wel. Vader legde zelf over een lengte van zo'n kilometer of twaalf een privélijn aan naar een winkel in scheepsvictualiën in Almelo. Deze ervaring zou hem later goed van pas komen. Via deze lijn werden boodschappen en bestellingen naar en van Almelo doorgebeld. Tegen vergoeding deed de winkelier de rest. Zo onderhield vader het contact met de buitenwereld. (..)
Tot mijn negentigste jaar heb ik auto gereden. Toen ik bemerkte dat mijn gezichtsvermogen wat achteruit ging, vond ik het zelf niet langer verantwoord en stopte er mee. Dat was wel een hard gelag. Bij de aanschaf van mijn eerste auto bestonden de rijbewijzen nog niet eens.
Nu woon ik in De Riederborgh, vijftien jaar geleden door Van Splunder gebouwd. De verzorging is er voortreffelijk, boven alle lof verheven.
Het gehoor en het gezicht beginnen me nu aardig in de steek te laten. Je staat ook niet meer zo vast op. de benen. Gelukkig blijft mijn geest helder. De dingen dezer dagen hebben nog mijn voortdurende belangstelling.
Ik kan het mezelf bijna niet voorstellen: honderd jaar! Van een ander wil je het wel geloven, maar van je zelf...! In één lang leven vanuit je trekschuit naar de maan. Je moet het toch allemaal maar verwerken. ledere zondagochtend ga ik nog naar de kerk, de Singelkerk. Mevrouw Rijsdijk, een vroegere huishoudelijke hulp van mijn vrouw, begeleidt mij.
Ik leef bij de dag en ben dankbaar voor alles waarmee God mij in mijn lange leven heeft gezegend en nog dagelijks doet.
Vergeet dat laatste vooral niet te vermelden.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's