Rondom het beroepingswerk (2)
De Commissie
Wanneer een predikantsvakature ontstaat is de (wijk)kerkeraad verplicht zo spoedig mogelijk het beroepingswerk ter hand te nemen. Voordat echter een beroep kan worden uitgebracht moet kunnen worden aangetoond dat de gemeente in staat is in het onderhoud van een predikant te kunnen voorzien. Eén van de formaliteiten waaraan moet worden voldaan is het vragen van advies aan de Commissie voor het Beroepingswerk. Deze Commissie bestaat uit negen personen, benoemd door de Generale Synode, uit de lidmaten der Kerk. Volgens Ord. 3, Art. 4, heeft deze Commissie tot taak:
a) Voorlichting te geven aan gemeenten die staan voor de vervulling van een predikantsvakature.
b) Voorlichting en bijstand te geven aan predikanten, die aan de Commissie hun bereidheid hebben te kennen gegeven tot het in overweging nemen van een beroep of het aangaan van een ruiling van standplaats.
Toen destijds deze Commissie in het leven werd geroepen waren velen in de Kerk bezorgd dat dit het begin zou worden van inmenging in het beroepingswerk. De Commissie zou weleens de eerste stap kunnen worden op weg naar de bisschop, die predikanten willekeurig zou gaan verplaatsen, of aan een gemeente een predikant zou opdringen die niet in de geestelijke structuur van die gemeente paste. Vooral het feit dat een predikant aan de Commissie kenbaar kan maken weleens van gemeente te willen veranderen, leidde tot argwaan.
Inmiddels zijn we nu al jarenlang gewend aan het bestaan van de Commissie en is het wel gebleken dat de vrees ongegrond was. De zelfstandigheid van de kerkeraden is er niet door aangetast. Een kerkeraad is wèl verplicht bij de Commissie advies te vragen, maar is in geen geval aan dat advies gebonden. Zelfs niet één van de aanbevolen predikanten behoeft te worden 'gehoord'. Pas wanneer de vakature een jaar heeft geduurd moet de adviesaanvrage worden herhaald, maar ook dan is de kerkeraad vrij het advies voor kennisgeving aan te nemen.
Over het bestaan van de Commissie kan verschillend worden geoordeeld. In het kader van het Gereformeerde kerkrecht blijft ze uiteraard een 'corpus alienum' (vreemd lichaam). Ik heb ook sterk de indruk dat de meeste kerkeraden zich erbij neerleggen dat de Commissie er nu eenmaal is en dat haar advies moet worden gevraagd, maar dat ze zichzelf 'mans' genoeg achten om het goede voor hun gemeenten te zoeken. Maar nu denk ik misschien te veel aan de eigen sektor van de kerk. Want ik weet ook van gemeenten die 'gehoorzaam' het lijstje namen afwerkten die door de Commissie waren genoemd, net zolang tot de vakature was vervuld.
Het advies
De Commissie verwacht van de kerkeraad die advies vraagt een 'profielschets', zowel van de gemeente als van de gewenste predikant. Zij wil het beleid van de kerkeraden niet beïnvloeden en houdt dan ook zoveel mogelijk rekening met de wensen.
Na verloop van enige tijd ontvangt de kerkeraad het advies, bestaande uit een lijstje met namen in alfabetische volgorde. Met dat laatste wil de Commissie de schijn vermijden aan de ene predikant de voorkeur te geven boven de andere. Als ik goed ben ingelicht is het aantal namen tegenwoordig iets groter dan vroeger. Terwijl men in het verleden volstond met een stuk of vier, vijf namen (ik heb het ooit meegemaakt dat er slechts twee namen werden genoemd!) is een achttal thans geen uitzondering.
De Commissie houdt bij haar adviezen geen rekening met geruchten als zou een bepaalde predikant geen beroep in overweging wensen te nemen. Alleen wanneer een predikant zelf aan de Commissie heeft bericht voorlopig niet te willen muteren wordt zijn naam ook niet genoemd.
Het spreekt vanzelf dat de aanbevolen predikanten vier jaar of langer in een gemeente hebben gestaan. Voor de rest onthoudt de Commissie zich van het geven van kwalificaties. De kerkeraad komt ook niet te weten of een predikant zelf de wens te kennen heeft gegeven van gemeente te willen veranderen, of dat zijn naam is genoemd zonder dat hij daarvan kennis heeft.
Of de aanbevolen predikanten altijd de meest geschikten zijn voor de betreffende vakature is natuurlijk in z'n algemeenheid niet te zeggen. In de eerste plaats zijn de leden van de Commissie ook niet alwetend. Ze kennen niet alle predikanten en ze zijn ook niet altijd op de hoogte van hun capaciteiten. En ten tweede is het advies 'vertrouwelijk', zodat slechts weinigen weten welke namen in een bepaalde vakature werden aanbevolen.
Uiteraard heb ik zelf 'ambtshalve', soms als vertrekkend predikant, soms als consulent, weleens aanbevelingen onder ogen gehad. Ook heb ik van andere kerkeraden weleens (vertrouwelijk!) informatie gekregen. In het ene geval stemden de aanbevelingen tot tevredenheid, in het andere geval riepen ze vragen op. Wanneer een advies al te veel namen bevat van predikanten die jaren in een gemeente hebben gestaan zonder ooit een beroep te hebben gehad (wat weleens een enkele keer gebeurt), dan is het niet zo verwonderlijk dat kerkeraden argwaan krijgen en denken dat de Commissie bepaalde predikanten 'kwijt wil'.
Waarbij ik me haast om te onderstrepen dat de Commissie uiterst gevoelig werk doet en het zeker niet alle kerkeraden naar de zin kan maken.
De hoorcommissie
Wanneer de keuze op een bepaalde predikant is gevallen moet hij 'gehoord' worden. Dat is een eeuwenoude traditie, die ook vandaag nog zin heeft. Een kerkeraad, die immers acht moet geven op de leer, mag niet afgaan op geruchten. Ook kan een 'ingeblikte' preek het 'horen' niet vervangen. Natuurlijk zijn ook andere facetten van het ambtelijk werk van belang bij de keuze van een bepaalde predikant, maar in ieder geval moet men de te beroepen dienaar van het Woord zelf gehoord èn gezien hebben in een dienst des Woords, liefst in zijn eigen gemeente.
'Horen' is een verantwoordelijk werk - daarover later - maar kan ook een vermoeiende bezigheid zijn. Vooral wanneer een vakature langer begint te duren en er telkens opnieuw grote afstanden moeten worden afgelegd, zijn de broeders soms een halve zondag of langer uit hun gezinnen. Hoewel met hen meelevend zou ik tot hun troost willen opmerken dat het 'horen' voorheen nog wel wat zwaarder was... Men moest reizen met openbaar vervoer (zaterdag heen en maandag terug!) en vaak de zondag doorbrengen in een hotel of bij verre familieleden, soms nog in een naburige gemeente, want men wilde persé anoniem blijven. Ik herinner me uit mijn jeugd nog het verhaal van een toen reeds bejaarde ouderling die vanuit Zeeland een dominé ging horen in het noorden van Friesland. Het was rond de eeuwwisseling. De twee broeders - groter was de hoorcommissie niet, zoveel vertrouwen had de rest van de kerkeraad kennelijk in hen! - gingen 's zaterdagsmorgens vroeg op reis om maandagavond laat weer thuis te komen. Het moet hen wel voldoening hebben gegeven dat de gehoorde predikant ook werd beroepen en dat hij het beroep aannam...
Juist omdat het horen toch nogal een zware belasting vormt, lijkt het me niet juist dat die last gedragen wordt door een vaste hoorcommissie. Bij het voortduren van een vakature is het billijker dat telkens andere 'verspieders' worden uitgezonden. Dat geeft niet alleen wat verlichting van de last, maar ook enige spreiding van de verantwoordelijkheid.
Moeten de broeders een schriftelijk verslag maken en dat uitbrengen aan de kerkeraad of moeten ze de dienst opnemen op een band- of cassetterecorder? Voor beide methoden zijn argumenten pro en contra aan te voeren. Maar in ieder geval moet de hoorcommissie, zo mogelijk na de dienst en anders op een later tijdstip, in gesprek zien te komen met de predikant. In dat gesprek mogen geen toezeggingen worden gedaan, want over een eventueel beroep moet de gehele kerkeraad beslissen. De broeders mogen niet verder gaan dan het stellen van de vraag of de predikant een eventueel beroep in overweging zou willen nemen.
Er zijn hoorders!
Een hoorcommissie brengt onrust, zowel in de pastorie als in de gemeente. De hoorders zelf kunnen ertoe bijdragen dat die onrust tot een minimum wordt beperkt. Het komt, denk ik, weinig meer voor, dat de ouderwetse 'overval-methode' wordt toegepast: de predikant signaleert vanaf de kansel enkele vreemde heren in het zwart, die hem na de dienst staan op te wachten. Dat kan hèm danig van zijn stuk brengen, terwijl zijn echtgenote onverwachts met een aantal koffiedrinkers wordt geconfronteerd... Waarom dat geheimzinnige gedoe? Het is toch een kleine moeite om vóór de zondag de predikant te laten weten dat men van plan is hem te komen horen, en te vragen of hij na de dienst gelegenheid heeft voor een gesprek?
Wanneer de gemeente ontdekt 'er zijn hoorders', dan kan dat ook een schokeffect geven. Vooral wanneer men z'n predikant nog niet kwijt wil! De hoorders doen er dan ook goed aan zich in de dienst wat bescheiden op te stellen. Door de kerk draven om een bandrecorder aan te sluiten bijvoorbeeld kan de nodige irritatie opwekken. Niet alle kerkgangers zijn zo humoristisch als een ouderling in één van mijn vorige gemeenten, die heel lakoniek aan een paar hoorders vroeg: 'hebben jullie eigenlijk wel een luistervergunning?'
Maar gemeenteleden moeten ook niet agressief doen tegenover 'hoorders'. Opmerkingen als 'wat komen jullie hier doen? ' of 'je zult toch onze dominé niet weghalen?' zijn niet gepast. Wanneer de gemeente vakant wordt moet haar kerkeraad óók op pad om te horen! Overigens is het geen kwaad teken wanneer een gemeente wat geprikkeld reageert bij het zien van 'hoorders'. Het is een gezonder reaktie dan die van het meisje in de bakkerswinkel, tientallen jaren geleden. Enkele broeders waren 's zaterdagavonds uit de bus gestapt en de eerste, de beste bakkerwinkel binnengegaan om iets te kopen en dan langs hun neus weg te vragen of er ergens een onderkomen voor de nacht was. Het meisje had onmiddellijk dóór wat het doel van hun komst was, liep huppelend naar binnen en zei, zo luid dat het in de winkel te horen was: 'Hoera, we raken de dominé kwijt'. Dat de broeders toen wel met enige reserve hebben geluisterd is te begrijpen...
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's