Globaal bekeken
Enkele weken geleden gaven we In deze rubriek iets weer over de engelse dominee Stirling, die zich met techniek bezig hield. Nederland is vandaag ook zo'n dominee rijk, maar die is dan ook electrotechnicus van huis uit. Het is ds. J. Mostert te 's-Gravenmoer. Hier volgen enige gegevens terzake van de 62-jarige pastor, die recent zijn 25-jarig ambtsjubileum vierde.
'Zelf deed hij ook het nodige aan orgelbouw: vervaardigde een koorpositiefje en een pijporgel, verbouwde enkele orgels, voorzag sommige orgels van een electrische windvoorziening of van een electronische subbas van eigen ontwerp, bouwt thans een electronisch twee-klaviers studie-pedaalharmonium, waarvoor hij het grootste deel van de onderdelen betrekt uit defecte televisietoestellen. Hij construeerde voor enkele van zijn kerken een electronisch Psalmbord, vervaardigde of verbeterde in een veertigtal kerkgebouwen een luidspreker-of een doventelefooninstallatie, en, alleen al in zijn huidige gemeente bracht hij een bijna achthonderd klokken en horloges weer aan de gang, voor welke werkjes hij de maandag als karweitjesdag reserveert. Hij loopt warm voorde Stirlingmotor, in de vorige eeuw uitgevonden door oud-collega Rev. Roberf Stirling, als heetgas-motor geperfectioneerd door dr. Ir. R. J. Meijer, broer van wijlen de bekende en muzikale hervormde predikant ds. H. F. Meijer. Ook ziet hij veel toekomst in het benutten van de onuitputtelijke en milleuongevaarlijke bron, de windenergie (Plan Lievense).'
***
'Een rietschagt was 't, waardoor slegts Jubal blies,
Die namaals tot een zevental aanwies.
In later tijd blies men door hondert pijpen
Registers en 't klavier flux aan te grijpen
Was 't werk, terwijl de kas vol wind gepropt
De buizen vult door vingers opgeklopt
Tot vorming van de Bas- of Tenorklanken.'
'De pijpen van het orgel', een stukje uit 'Orgelklanken uit de Alblasserwaard' (Oudaenstraat 17, Papendrecht). Hier volgt een deel van dat stukje.
'Aldus bracht de 18de eeuwse rijmelaar Westhovius zijn bewondering voor de klanken van het nieuwe orgel in Maassluis' Grote Kerk in 1732 tot uitdrukking. Maar het instrument "orgel" verdient meer belangstelling dan uit dit rijm blijkt. In eerdere nummers van Orgelklanken hebben we de constructie van het orgel al beschreven. Daarom ditmaal een wat meer gedetailleerd verhaal over het klinkende deel ervan, het pijpwerk. De pijpen kunnen verdeeld worden in twee hoofdgroepen, lippijpen of labiaalpijpen en tongpijpen of linguaalpijpen.
De lippijp bestaat uit een voet en een corpus, die door een kern van elkaar gescheiden zijn. Boven de kern is een rechthoekige opening uitgesneden, de opsnede. De onder- en de bovenrand van de opsnede heten onderlip en bovenlip. Tussen de onderlip en de kern ligt een smalle spleet, de kernspleet Wordt nu wind door de voetopening geblazen, dan stroomt deze uit door de kernspleet, botst tegen de bovenlip en raakt daar in een wervelende beweging die van de buitenkant naar de binnenkant van de bovenlip pendelt en de door het pijpcorpus ingesloten luchtkolom in trilling brengt. De snelheid van de trilling hangt af van de lengte van de luchtkolom. Hoe langer de luchtkolom, des te lager de toon die wordt voortgebracht en omgekeerd. De lengte van de pijpvoet speelt hierbij geen rol. Het pijpcorpus kan rond of vierkant zijn, kegelvormig of trechtervormig. Het boveneinde kan open, gedeeltelijk gesloten of helemaal gesloten (gedekt) zijn. Een gedekte pijp klinkt een octaaf lager dan een open pijp van dezelfde lengte. Kort samengevat zijn de hoofdeigenschappen van de lippijpen:
- De pijplengte bepaalt de toonhoogte;
- De lippenbreedte (mondbreedte) bepaalt de klanksterkte;
- De diameter (wijdte) en de vorm van het corpus, de opsnede en het materiaal van de pijp bepalen de klankkleur.
De tongpijpen zijn heel anders geconstrueerd, zoals figuur 2 laat zien. De tong is een licht gebogen veerkrachtige metalen strip, die met het ondereinde vrij staat van de lepel.
Dit is een buisje, van onder gesloten en zijdelings afgevlakt, waardoor een langwerpige opening ontstaat die grotendeels door de tong wordt afgesloten. Lepel en tong worden samen met een spie vastgeklemd in de kop en dit geheel geplaatst in de stevel, die op de windlade staat.
Op de kop wordt de schalbeker geplaatst. Wanneer wind in de stevel stroomt, tracht zij door de opening tussen tong en lepel te ontwijken. Door de kracht van de stroming wordt de tong van de lepel afgedrukt totdat ze bij een bepaalde uitslag weer terugveert. Het aantal uitslagen van de tong komt overeen met de frequentie van de toonhoogte. Deze frequentie is afhankelijk van de lengte van het vrij verende deel van de tong.. Deze lengte kan worden ingesteld met een verschuifbare stemkruk.
De schalbeker heeft geen invloed op de toonhoogte, maar wel op de klanksterkte en vooral op de klankkleur. Wanneer de beker ongeveer dezelfde lengte heeft als een open pijp van dezelfde toonhoogte, spreken we over "volle bekerlengte". Het meest sprekende voorbeeld hiervan is de trompet, die in vrijwel ieder orgel voorkomt. Maar het aantal bekervormen dat in de praktijk wordt toegepast is heel groot. Alleen figuur 3 toont er al 12, naast de meest voorkomende 12 labiaalpijpen. En het zijn vooral de tongregisters die de enorme veelzijdigheid van de orgelklank demonstreren.
Het orgel is reeds meer dan 2000 jaar geleden uitgevonden en het spreekt wel vanzelf dat de open en gedekte fluit even oud zijn. Maar tijdens de eeuwenlange ontwikkeling van het orgel zijn er steeds nieuwe pijptypen bijgekomen. Aangenomen mag worden dat deze ontwikkeling in de 16de eeuw vrijwel was voltooid. Maar welke klankeffecten stonden de toenmalige orgelmakers voor ogen? Die van de stadspijpers, de stadsmuzikanten die onder andere de gemshoorn, de kromhoorn, de bombarde, de zink en de serpent bespeelden. Toen leefde dus al het idee om met een enkel instrument door één muzikant bespeeld een geheel orkest te kunnen nabootsen. Een idee dat enkele eeuwen later weer werd opgepakt toen de strijkorkesten ontstonden en in het orgel zijn weerslag vond in registers als viola, violon, gamba e.d. Bewonderenswaardige prestaties!'
***
Dr. G. H. Cohen Stuart, theologisch adviseur van de Nederlandse Hervormde Kerk in Jeruzalem zegt in zijn laatste rondzendbrief iets over het op handen zijnde joodse Purimfeest.
'Dit jaar valt Poerim (of Lotenfeest) in de Stille Week (25, 26 maart). Het is een feest van schijnbaar uitgelaten carnavalsachtige vreugde, omdat eenmaal de poging het joodse volk uit te roeien voorkomen werd. De jodenhater Haman viel in de put, die hij voor de joden had gegraven. leder jaar worstel ik met de vraag, waaróm het de enige keer is, dat de geplande pogrom mislukte. Zou het soms toch een sprookje zijn?
De ernst van het feest is het eeuwig dreigend antisemitisme. In het boek Esther, dat centraal staat bij Poerim, wordt Haman afstammeling van Agag genoemd, de koning Amalek (1 Sam. 16). Deut. 25:17, Ex. 17:8 vertelt, dat na de uittocht van Amalek Israël in de achterhoede aanvalt. Daarom zegt Ex. 17:16 dat de Here God een strijd voert met Amalek van geslacht tot geslacht. Joodse traditie leert, dat er alleen sprake kan zijn van een heilige oorlog tegen hen, die er opuit zijn Gods volk te vernietigen. De meerderheid in Israël ziet terreuraanslagen op burgerdoelen in dat licht. Wie wegens die aanslagen een reis naar Israël afzegt, buigt voor de plannen van Haman. Door de strenge controles is geen land veiliger te bereizen dan Israël.
Koningin Esther en Koning Ahasveros voeren geen theologische dialoog. Ahasveros weet niet eens dat ze Jodin is. Israël heeft met het oog op het overleven van de steeds terugkerende jodenhaat niet veel behoefte aan mensen, die belangstelling hebben voor de joodse wortels van het christendom. Dat Jezus een jood was wisten maar al te vaak ook diegenen, die in de Stille Week opriepen Zijn bloed op joden te wreken.
Ahasveros heeft het vernuftige plan van Haman niet eens door. Haman's "een volk, dat de wetten des konings niet wil volbrengen" is een knappe vervorming van het "anders" zijn van Israël - "een volk dat verstrooid en verdeeld leeft met andere wetten" (Est. 3 : 8). Esther is schijnbaar geassimileerd. Tussen haar en Ahasveros is een huwelijksband - wat je ook van een haremhuwelijk denken wilt. Het is een relatie tussen een niet-jood en een jodin. Alleen de niet-jood kan de vernietiging keren. Al wordt de naam God in Esther niet genoemd, toch is de verlossing een wonder. Het is een wonder, als een niet-jood zijn macht voor verlossing van joden inzet.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's