De verzoeningsleer van Anselmus en de Hebreeënbrief
In de Waarheidsvriend van 6 febr. jl. heeft ds. K. Exalto de staf gebroken over hen die in de zondagen 5 en 6 van onze Heidelberger Catechismus een Anselmiaanse verzoeningstheorie aanwezig achten en die op zijn minst de betoogtrant daar als scholastiek, speculatief en rationeel-logisch van de hand wijzen. Met zijn pleidooi voor het behoud van in elk geval de inhoudelijke kant van de vragen en antwoorden 12-17 kan men alleen maar dankbaar zijn. Het feit dat onze Catechismus in antw. 1 onmiddellijk spreekt over onze Zaligmaker Jezus Christus en Zijn middelaarswerk, sluit de gedachte eenvoudigweg uit dat we in de genoemde zondagen te maken zouden hebben met een vorm van wegdenken van Gods openbaring in Jezus Christus en met een poging om langs de weg van een abstract-logische denktrant erachter te komen wat voor Middelaar wij nodig hadden en met de logisch-noodzakelijke conclusie dat Christus als God-mens aan de gestelde eisen voldeed. Vraag 18 luidt ook niet: Is er iemand die aan de genoemde voorwaarden voldoet? Waarop dan als antwoord zou volgen: Jazeker, Christus... enz. Integendeel, de formulering 'Wie is deze Middelaar...? ' geeft er blijk van dat in de voorafgaande vragen en antwoorden steeds de vooronderstelling aanwezig was van Gods openbaring dat er een Middelaar tussen God en mensen is. Wat de Catechismus dus in feite doet, is dit: vanuit de gegeven openbaring Gods in de Schrift aangaande onze Middelaar, Jezus Christus, gelovig nadenken over de noodzaak van Zijn verzoenend lijden en sterven. En daarbij is de bedoeling o.i. toerusting van de gelovigen (!) tegen de kracht van allerlei vormen van dwaalleer en opbouwing in het allerheiligst geloof.
Wat het eerstgenoemde betreft, denke men maar aan vraag 14 over de eventuele mogelijkheid van de betaling van onze schuld door iemand die alleen maar schepsel is. Wie hierbij de roomse devotionele praktijken met betrekking tot de Mariaverering en de heiligenverering op de achtergrond ziet, zal niet zomaar van een echt scholastieke vraag spreken, zoals wel is gebeurd; en wie het tekstmateriaal dat de Catechismus bij antwoord 14 (vgl. 16) zonder vooroordeel op zich in laat werken, zal het o.i. niet zo maar over zijn lippen krijgen om hier van een ijdele abstractie te spreken.
Aanvulling
Als aanvulling op het artikel van ds. Exalto willen we nu laten zien dat de gewraakte methode van behandeling, waarbij het woord 'moeten' een belangrijke rol speelt (vr. 15-17), ook in de Bijbel zelf voorkomt en dus niet alleen maar op rekening van de samenstellers van een confessie gezet kan worden. Het is vooral de Brief aan de Hebreeën waarin we de gedachtengang aantreffen van, eenmaal het feit van Christus' verzoeningswerk gegeven zijnde, het aantonen van de noodzakelijkheid ervan, of althans van de noodzakelijkheid van bepaalde aspecten ervan. Verschillende malen komt men dan ook in deze Brief het begrip 'noodzaak' tegen, als vertaling van een Grieks woord dat 'dwang, noodzakelijkheid, wetmatigheid, noodlot, logische noodzaak e.d.' kan betekenen.
Een voorbeeld hiervan treffen we aan in hfdst. 7, waar de schrijver, geïnspireerd door de Heilige Geest, uit de onvolkomenheid en onvolmaaktheid van het Levitische en Aaronitische priesterschap tot de noodzakelijkheid van een beter, namelijk een eeuwig en onvergankelijk priesterschap concludeert (vs. 11: wat nood was het nog...); en waarin hij in de gang van zijn betoog zelfs de abstract-logische waarheid te berde brengt dat verandering van priesterschap onvermijdelijk een verandering van wet met zich meebrengt (vs. 12). Daarbij valt het ons op dat hij niet eenvoudigweg de heiligheid, onschuld, zondeloosheid en goddelijke verhevenheid van Christus verkondigt, poneert, maar dat hij de noodzaak ervan vanuit de vergankelijkheid van het aardse priesterwerk voor zijn lezers duidelijk en min of meer aannemelijk probeert te maken. Een kerntekst in dit verband achten we vs. 26: 'Want een zodanige Hogepriester betaamde ons', d.i. hadden wij ook nodig, 'heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden'.
De kern
Wanneer dan verder de schrijver in hfdst. 8 de kern van zijn bedoeling onder woorden tracht te brengen (vs. 1), dan duurt het maar een paar verzen of hij concludeert uit het werk van de oudtestamentische hogepriester tot de noodzakelijkheid voor Christus om ook iets te offeren. Het opvallende daarbij is dat hij ook hier niet onmiddellijk in ronde bewoordingen verkondigt wat het dan wel is dat Christus geofferd heeft, maar dat dat pas veel later in de gang van zijn betoog gebeurt, nl. in hfdst. 9 : 12 vv. Trouwens, dat geldt ook voor de naam van Christus; die wordt pas weer in 9 : 11 genoemd. Terwijl we op grond van hfdst. 5 : 12-6 : 1 rustig mogen aannemen dat de eerste lezers van de Hebreeënbrief al lang wisten dat Christus Zichzelf, Zijn eigen bloed, voor hun zonden geofferd had, komt de mededeling daarvan pas, nadat de schrijver breedvoerig aangetoond heeft dat het oude verbond en het oude heiligdom met zijn cultus niet genoegzaam waren tot uitdelging van de zonde. Met heel zijn gedachtengang probeert hij zijn lezers daarvan eerst te overtuigen, alvorens hen te wijzen op het eenmalige en genoegzame van Christus' offer van Zichzelf. Op die manier komt hfdst. 9 : 11-14 toch als een verrassing, om met een woord van ds. Exalto te spreken. Kennelijk vond de schrijver, liever: de Heilige Geest, een dergelijk inzicht in de noodzaak van Christus' offer voor de geadresseerden gewenst.
Ook in het vervolg van hfdst. 9 komen we nog enkele keren het spreken over de noodzakelijkheid van het een en ander tegen. In VS. 16 'bewijst' de auteur de noodzaak van het sterven van Christus uit de algemeen geldige regel dat er van het verkrijgen van een testament pas sprake is, als de erflater overleden is. En in vs. 23 stelt hij dat allerlei oudtestamentische zaken als schaduwen, maar daarom ook de hemelse zaken als de vervulling ervan, door een offer geheiügd moesten worden.
Wie eenmaal deze 'redeneertrant' in de Hebreeënbrief ontdekt heeft, ontwaart haar ook daar waar niet direkt van 'noodzaak' en 'noodzakelijkheid' sprake is. We denken nu b.v. aan hfdst. 2 : 10, waar de Schrift nota bene zegt dat het God 'betaamde' (d.i. voegde, paste) om Jezus door lijden te heiligen. Als je niet beter wist, dan zou je hier toch denken dat God aan een hogere Noodzakelijkheid dan Zichzelf onderworpen is! Ook in vs. 14 en vs. 17 wordt gezegd dat Jezus bepaalde dingen moest doen om de zonden van het volk te kunnen verzoenen. 'De aard van de situatie waarin de mens verkeerde, eiste een bepaalde en onontkoombare manier van verlossing' (A. F. J. Klijn).
Aard van de noodzakelijkheid
Genoeg dus om aan te tonen dat de redeneergang van de Catechismus in zondag 5 en 6 ook in de Schrift zelf terug te vinden is. Het zal duidelijk zijn dat de Schrift in de genoemde gevallen niet een logische noodzakelijkheid bedoelt, in die zin dat God niet anders had gekund, een redelijke noodzaak, die langs de weg van de louter logische conclusie van het een uit het ander verkregen wordt. Wij zouden zeggen: Laat dat dan ook van de Catechismus gelden. Wat de aard van deze noodzakelijkheid betreft, geven we het woord aan Calvijn, die in een hoofdstuk van zijn Institutie dat als titel heeft: Dat Christus, om het ambt van Middelaar te volbrengen, mens moest worden het volgende betoogt: Verder was het voor ons van groot belang dat Hij die onze Middelaar zou zijn, waarachtig God en waarachtig mens zou zijn. Wanneer men vraagt naar de noodzakelijkheid daarvan: het was niet een objectieve (Lat. simplex) noodzakelijkheid, zoals men dat pleegt te noemen, of een absolute noodzakelijkheid; maar zij vloeide voort uit het hemelse besluit, waarvan de zaligheid van de mensen afhankelijk was (II, 12, 1). Lezing van heel dit hoofdstuk uit de Institutie zal ons tot de overtuiging brengen dat de opstellers van onze Catechismus eerder aan Calvijn dan aan Anselmus schatplichtig waren.
De conclusie uit dit alles is in onze ogen deze, dat niet alleen de materiële inhoud van de betreffende zondagen uit ons kerkelijk leerboek, maar ook de formele gedachtengang niet met negatieve kwalificaties als 'anselmiaans', 'scholastiek', of 'ijdele speculatie' afgedaan mogen worden. Indien men dergelijke verwijten staande zou willen houden, dan diene men te bedenken dat ze evenzeer de Heilige Schrift zelf, alsook de verzoeningsleer van Calvijn treffen. Vanuit de gedachtengang in Hebreeënbrief gezien is het er wel verre vandaan dat we de Catechismus op dit punt ervan zouden moeten beschuldigen het wonder en het aanbiddelijke van Gods verlossingsplan te hebben weggeredeneerd. Wie dat beweert - en het is en wordt in alle ernst beweerd - heeft niet gezien dat de ontvouwing van de (relatieve, vanuit Gods openbaring gedachte) noodzakelijkheid van Christus' waarachtige Goden mens-zijn alles te maken heeft met 'het voortvaren tot de volmaaktheid' (Hebr. 6 : 1), m.a.w. met de verbreding en verdieping van het geestelijk leven, de groei in het geloofsleven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's