De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Rondom het beroepingswerk (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rondom het beroepingswerk (3)

8 minuten leestijd

Vraag en aanbod

In het voorafgaande werd eigenlijk alleen nog maar het beroepingswerk in het algemeen aan de orde gesteld. Het wordt tijd dat we het onderwerp wat meer gaan toespitsen op de huidige situatie.

Het is misschien een beetje 'werelds', of althans wat zakelijk uitgedrukt, maar ook op de predikantenmarkt hebben we te maken met vraag en aanbod. In de geschiedenis van de kerk zijn perioden aan te wijzen waarin veel gemeenten, soms langdurig, vakant waren, en waarin dus vele vergeefse beroepen werden uitgebracht. Dan is de vraag groter dan het aanbod. Het omgekeerde was ook weleens het geval: er waren tijden waarin de markt verzadigd was en het aanbod de vraag overtrof.

In de Kerk van de 17de en 18de eeuw was er over het algemeen geen gebrek aan predikanten. Het 'wondere ambt' was nog in tel bij de grote meerderheid van ons volk, en mede daardoor ook zéér begeerd. Langdurige vakatures kwamen niet voor. Candidaten moesten vaak wachten op een beroep en stonden 'ledig aan de markt'. Het klassieke voorbeeld is de later zo zeer begeerde Bernardus Smytegelt, die, toen hij zijn studie had voltooid, twee jaar lang door geen enkele gemeente werd begeerd, en uit moedeloosheid bijna had besloten dan maar predikant te worden in Schotland, maar toen kwam er een beroep uit Borssele.

In de vorige eeuw was er zowel tekort als overschot. De rechte prediking was schaars en zeer gezocht, en Schriftuurlijk-bevindelijke predikers ontvingen hele reeksen beroepen. Tegenover hen stonden echter vele anderen, vooral onder de 'Groningers' en de 'modernen', die soms gedoemd waren hun leven lang in hun eerste gemeente te blijven, èn vele candidaten die 'niet aan de bak' konden komen. Er gaat een verhaal, voor de waarheid waarvan ik niet kan instaan, maar dat wel een beetje de situatie illustreert: er werd een bejaarde 'proponent' (candidaat) begraven; de kist werd gedragen door acht - eveneens oudere - proponenten en op het graf werd door drie proponenten een toespraak gehouden...

Vandaag hebben we gelukkig niet een soortgelijke situatie, maar wat de Gereformeerde sektor van de Kerk betreft is er wel een zeker verzadigingspunt bereikt. Deze ontwikkeling heeft zich in een kort tijdsbestek voltrokken. Nog maar zo'n twintig jaar geleden was er een behoorlijk tekort. Wie toen toegelaten was tot de Heilige Dienst en zich beroepbaar had gesteld, moest zich soms letterlijk de kerkeraden 'van het lijf' houden. Het kwam namelijk voor dat men had uitgevist waar de begeerde candidaat colloquium deed en dan stond een deputatie van de kerkeraad op de stoep van het gebouw met de beroepsbrief, om de eerste te zijn. Maar de candidaat die te weten kwam dat een kerkeraad zoiets van plan was kon dat beter afraden, want als de commissie daar lucht van kreeg kon het weleens misgaan met het colloquium... En wie in die tijd vier jaar in z'n eerste gemeente stond moest niet vreemd opkijken wanneer er op één zondag ineens drie of vier hoorcommissies tegelijk in de kerk zaten...

Wat is er in die tijd van vele kansels gebeden dat de oogst zo groot was en de arbeiders zo weinige waren, en of de Heere van de oogst arbeiders in Zijn wijngaard wilde uitzenden... Wanneer ergens gebleken is dat de Heere een Hoorder is van het gebed, dan wel op dit terrein! Er mag dan nog een aantal vakatures zijn - dat is alleen maar gezond voor de 'doorstroming' - maar van een tekort is geen sprake meer. Zelfs voorheen nogal 'begeerde' predikanten krijgen niet meteen na vier jaar een beroep. En een candidaat die terstond een beroep krijgt is een uitzondering geworden.

In korte tijd is er een zeker evenwicht ontstaan tussen vraag en aanbod en het hangt van verschillende factoren af of het aanbod de vraag niet ruimschoots gaat overtreffen.

Candidaten-overschot?

Dat is eigenlijk een onmogelijk woord: candidaten-overschot! Moeten we in een tijd waarin ontkerstening en saecularisatie om zich heen grijpen als nooit tevoren, niet dankbaar zijn dat blijkbaar nog zóveel jonge mensen zich geroepen weten tot de dienst des Woords? Ze hebben - naar we hopen en vertrouwen ijverig - gestudeerd en zijn toegelaten tot de Evangeliebediening. En dan zegt de Kerk (stilzwijgend): het spijt ons, maar we zitten vol, we kunnen van uw diensten geen gebruik maken... En dat in een tijd waarin ons land bezig is zendingsgebied te worden! In een tijd waarin predikanten in grote eenmansgemeenten zeven dagen per week werken en het gevoel hebben dan ook nog zeven dagen per week tekort te komen!

Die wijze ouderling in mijn vorige gemeente had groot gelijk, toen hij me tot de orde riep en zei: 'dominé, zult u dat woord 'candidaten-overschot' nooit meer gebruiken? Het is geen kwestie van candidaten-overschot, maar van geldgebrek. En zelfs dat is niet het juiste woord, want het geld om een tweede of derde predikantsplaats te stichten is er wel, het moet alleen bij elkaar worden gebracht!' Inderdaad doet zich het feit voor dat de gemeenten, ook op het platteland, steeds groter en bewerkelijker worden, terwijl de middelen die daarvoor nodig zijn, van een naar verhouding steeds kleinere groep mensen moeten komen.

Het is óók niet vol te houden over een candidaten-overschot te spreken wanneer we denken aan andere sektoren van de Kerk.

Op het platteland zien we dat steeds meer kleine gemeenten worden samengevoegd tot een streekgemeente, terwijl in de steden de ene predikantsplaats na de andere wordt opgeheven. Nog zeer recent is er in de Generale Synode uitvoerig van gedachten gewisseld over de mogelijkheid om de sacramentsbevoegdheid toe te kennen aan hulppredikers of zelfs aan ouderlingen omdat de schaarse predikanten wat dat betreft overbelast zijn. En dan onder óns candidaten voor wie geen plaats zou zijn? ? ?

Nu weten we allen wel welke grote problemen hier liggen. Reeds jarenlang is er in het noorden van ons land vraag naar de Gereformeerde prediking. Daar zou in de toekomst een 'afzetgebied' liggen voor onze candidaten! En inderdaad hebben diverse candidaten een beroep naar die regio aanvaard. Sommige compleet met het Liedboek en met de vrouw in het ambt, omdat ze na rijp beraad de prediking van doorslaggevende betekenis achtten. Met als consequentie dat ze in de toekomst een beroep naar een 'gewone' gemeente wel konden vergeten!

Dat anderen die stap niet durfden te doen, omdat ze onoverkomelijke bezwaren hadden tegen de liturgie of tegen de vrouw in het ambt, of omdat ze vreesden zich in de geestelijke struktuur van zo'n gemeente niet thuis te voelen, wie zou daarvoor geen begrip hebben?

Niet alzo, mijn broeders!

Hoe het ook zij, er zijn candidaten die op een beroep zitten te wachten en het is te vrezen dat de wachtlijst nog gestadig aangroeit. Een aantal gemeenten is weliswaar vakant, sommige zelfs al geruime tijd, maar dat zijn nu eenmaal geen 'candidaatsgemeenten'. Je kunt het een candidaat niet aandoen hem te laten beginnen in een grote gemeente, of in een gemeente met al te veel problemen. Het wachten is dus op de 'doorstroming'.

Maar nu zien we soms het vreemde verschijnsel zich voordoen dat, wanneer een kleine gemeente vakant wordt, de kerkeraad toch de keuze laat vallen op een predikant , terwijl daar voorheen niet aan gedacht zou zijn! Natuurlijk is die kerkeraad vrij, en zelfs verplicht om het goede voor zijn gemeente te zoeken, maar het roept toch wel vragen op wanneer overigens bekwame candidaten worden gepasseerd omdat men denkt: 'er zijn nu toch voldoende predikanten, waarom zouden we dat eerst niet proberen?' Dat is bepaald niet een geestelijke manier van bezig zijn...

Dat candidaten zorgvuldig in het oog houden waar een vakature zou kunnen ontstaan en onder elkaar de kansen afwegen is begrijpelijk. Het is alweer enkele jaren geleden dat het veelzeggende begrip 'Smytegeltsyndroom' in omloop kwam. Hoe zouden ze zich voelen wanneer (wéér) een beroep hun neus voorbijgaat? En zeker wanneer ze ergens een dienst hebben geleid en de kerkeraad blijken van instemming gaf? Er zijn wel wat wilde en oncontroleerbare verhalen in omloop, die toch misschien niet van alle grond zijn ontbloot. Er moet in geen geval kunnen worden gezegd dat zich in de kerk praktijken voordoen die in de maatschappij ondenkbaar zijn.

De verontrusting geldt overigens ook de candidaten zelf (hopelijk zijn het uitzonderingen). Dat ze begerig zijn naar een eigen gemeente is alleen maar gezond, maar die begeerte mag er niet toe leiden dat ze elkaar preekbeurten afsnoepen. En zeker niet dat ze in de prediking proberen elkaar de loef af te steken of tegenover kerkeraden 'een kwaad gerucht van hun broeders' doen horen. Of zelfs... dat ze zich anders kleden om maar de sympathie van een kerkeraad te winnen.

Het is nu eenmaal niet mogelijk, en nog minder stichtelijk, deze dingen 'hard te maken' , maar ieder begrijpt dat dit niet zómaar aan het papier wordt toevertrouwd. Daarom mogen èn kerkeraden èn candidaten zich het vermaan van Jacobus wel aantrekken: 'dit moet, mijn broeders, alzo niet geschieden'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Rondom het beroepingswerk (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's