Christusbelijdenis en het zwaard
Het afleggen van openbare belijdenis des geloofs in de gemeente komt als zodanig niet voor in de Schrift. De publieke geloofsbelijdenis van Christus' Naam en werk is echter zó duidelijk in de Schrift dat de kerk daaraan de openbare geloofsbelijdenis zéker mocht ontlenen.
Meestal wordt dan verwezen naar de belijdenis van Petrus in Matth. 16. Als Christus vraagt: 'wie zeggen de mensen dat Ik, de Zoon des mensen, ben' en Hem dan door de discipelen gezegd wordt dat er verschillende antwoorden gegeven worden, namelijk Johannes, Elia, Jeremia of een andere profeet, dan spitst Hij de vraag persoonlijk toe: 'maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?' Én dan antwoordt Petrus: 'gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God'. Dat weet u niet uit uzelf, zegt Christus dan, maar van Mijn Vader. Op deze petra, zo vervolgt Christus dan, zal Ik mijn gemeente bouwen. Petra betekent steen; het zit in de naam van Petrus opgesloten. Die benaming behoort echter bij alle gelovigen, zegt Calvijn, 'omdat zij, op het geloof in Christus gegrond, door een heilige eenstemmigheid tot een geestelijk gebouw worden toebereid, opdat God in hun midden wone'. Het is goed te begrijpen dat deze tekst menigmaal in verband met de openbare geloofsbelijdenis aan de orde is.
Er is ook dat andere Schriftwoord, dat bij de openbare geloofsbelijdenis vaak wordt genoemd, namelijk 'wie Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik belijden voor Mijn Vader, die in de hemelen is' (Matth. 10 : 32).
Wanneer we beide Schriftplaatsen nauwkeurig bezien dan is één ding duidelijk: de belijdenis des geloofs heeft een inwendige en een uitwendige kant.
Inwendig
Toen Petrus zijn belijdenis uitsprak 'Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God...' was dat bepaald geen vanzelfsprekende zaak. De Farizeeën en Sadduceeën stonden haaks op de boodschap van Jezus. En wanneer de mensen ernaar gevraagd werden kwamen ze hoogstens tot de uitspraak een profeet, nooit de Profeet. En als Christus al mensen om zich heen had dan volgden ze Hem om de tekenen, die Hij deed, bijv. om de vermenigvuldiging van de broden. Als wonderdoener vond hij aanhang maar niet als de Christus, die de weg ging naar het Kruis om verzoening aan te brengen voor de zonden. Toen Christus daarover, na de vermenigvuldiging van de broden, ging spreken, keerde de één voor de ander zich af: deze rede is hard, wie kan ze horen? Maar als Christus dan aan zijn discipelen vraagt: willen jullie ook niet weggaan dan is het antwoord van dezelfde Petrus: 'tot wie zouden we heengaan. Gij hebt (immers) de woorden van het eeuwige leven?' De Christusbelijdenis van Petrus en van de andere discipelen kwam voort uit 'openbaring'. Mijn Vader, die in de hemelen is, die heeft het u geopenbaard!
Calvijn zegt van die belijdenis 'Gij zijt de Christus..' dat het een korte belijdenis is, die de hele inhoud van ons behoud in zich bevat. Diegene, die Christus aangenomen heeft 'ontbreekt voortaan niets meer om volkomen zalig te zijn', zegt hij.
Wie de Naam van Christus heeft leren spellen, wie de Persoon van Christus heeft leren lief krijgen — al is het nóg zo in beginsel — die mag die Naam ook uitspreken wanneer hij of zij voorin de kerk, voor het aangezicht van God en ten aanhore van de gemeente staat. Er is maar één Naam tot behoud gegeven. Die éne Naam blijft ook slechts over voor diegenen, die die Naam geopenbaard kregen, wanneer het sterf uur daar is. Om die ene Naam, als de Openbaring van God in deze wereld, gaat het in het uur van onze belijdenis. Wanneer die Naam vanuit het diepst van het menselijke hart wordt beleden, dan is het de Heilige Geest, die het in die ure geeft. En het is de Naam die de Vader heeft geopenbaard. Daarom gaat het in de ure van de geloofsbelijdenis om de belijdenis van de Drieënige God, die ons in Christus zeer nabij gekomen is.
Het doen van belijdenis heeft zo een intieme, een persoonlijke kant. Is die belijdenis écht, dan is ze voor het leven. Als dan ook vandaag Christus vraagt: willen jullie ook niet weggaan, dan is ook vandaag het antwoord: 'tot Wie dan?' Geen Naam is er zoeter en beter voor het hart. Wie door de Heilige Geest bij Christus en de belijdenis van Zijn Naam is gebracht kan nooit meer van Hem af; wïl ook nooit meer van Hem af, al kan er menigmaal de vrees zijn dat men Zijn Naam en werk verloochenen zal. Ook Petrus kwam immers, ondanks zijn spontane en goede belijdenis, tot een verloochening in zijn leven. Maar hij mocht daarna ook opnieuw oog in oog staan met de Zaligmaker, na de Opstanding. De liefde werd vernieuwd, opnieuw uitgesproken en bevestigd. Zo kan het ook vandaag nog gaan (moeten) met kinderen van God. Want wie zijn treden in de sporen van God mag zetten en dat ook uitspreekt bij zijn belijdenis zegt erbij: 'opdat mijn voet niet uit zal glijden' en bidt erbij 'wil mij voor struikelen bevrijden en ga mij met uw heillicht voor'.
Uitwendig
De openbare geloofsbelijdenis heeft ook een uitwendige kant: 'wie Mij belijden zal voor de mensen'. Er zijn mensen, die menen dat het voldoende is om bij en voor zichzelf te 'geloven'. Naar buiten toe behoef je daarvan niets te laten merken. Het kan zelfs ook kerkelijk gewettigd worden door de geloofsbelijdenis spannigsloos te maken en neer te halen tot officieel lid worden van de kerk. De roeping tot getuige zijn wordt dan ook van zijn klem beroofd.
Belijdenis doen van de Naam van Christus betekent echter ook getuigenis naar buiten. Calvijn vraagt zich zelfs af of wie dit niet doet zich niet 'buiten het huisgezin van God bant', 'Want er is geen gelovige van wie de Zoon van God niet wil dat hij een getuige zal zijn.' Natuurlijk, niet ieder heeft dezelfde mate van het geloof, niet ieder heeft dezelfde gaven gekregen om in Christus' naam mee te woekeren, niet ieder is op dezelfde plaats gesteld: gij in uw klein hoekje en ik in het mijne. En verder is het altijd weer de vraag wannéér, op welke plaats, op welke wijze we getuigenis zullen (moeten) geven van de Naam van Christus. Calvijn spreekt over voorzichtigheid en dapperheid. De rechtvaardige kent tijd en wijze. Niet op elke plaats en op elke tijd wordt dit getuigenis gevraagd en ook niet op elke wijze.
Recent liep ik door Amsterdam. Op een druk plein stond een groepje jonge mensen met een geluidsinstallatie te evangeliseren. Er waren geen hoorders, of het moesten dan alle voorbijgangers zijn. Toen zo de Naam van Christus en Zijn lijden aan het Kruis als het ware werden uitgeschreeuwd moest ik denken: moet dat echt zo? Kan men zo ook niet onnodig spot oproepen? Maar dat belijdenis van de Naam van Christus om getuigenis naar buiten vraagt is zonneklaar.
Dat getuigenis kan plaats vinden door direct spreken, het kan ook plaats vinden door de loutere wijze van zijn, van leven van een christen in deze wereld. Het kan, nee het zal zeker ook tot uitdrukking komen in keuzen die gemaakt worden.
Het zwaard
Het is veelzeggend dat wanneer Christus spreekt over 'Wie mij belijden zal voor de mensen ...', Hij ook volgen laat 'Wie Mij verloochenen zal voor de mensen ...' en dat Hij er dan direct op laat volgen dat Hij niet gekomen is om vrede te brengen op aarde maar het zwaard. Hij is zelfs gekomen om mensen 'tweedrachtig' te maken tegen elkaar: dochter tegen moeder, schoondochter tegen schoonmoeder, een zoon tegen zijn vader. Wie hier een alibi aan meent te kunnen ontlenen voor ordinaire familieruzies en vetes zit er natuurlijk naast. Dan zijn er nog wel andere Schriftplaatsen te vinden, waarin juist de nadruk valt op het feit dat Christus, en degene die Hem volgen mag, vredestichter is. Maar die tweedrachtigheid om de Naam van Christus is er ook.
Het kan dus zelfs (nodig) zijn dat kinderen tegenover hun ouders getuigenis moeten geven van de Naam van Christus en dat dit tweedracht oproept. Dat kan om heel concrete dingen gaan: om de krant die de ouders lezen (in hoeveel gezinnen wordt niet de neutrale streekpers gelezen), de televisie die het gezin beheerst, de programma's die gezien worden, de omroepgids waarop men is geabonneerd (Tros-kompas?), de wijze waarop de zondag wordt besteed, het feit dat de zondag gehalveerd wordt door slechts één kerkgang, de politieke keuze die wordt gemaakt, de bijdrage die geleverd wordt aan de kerk, het taalgebruik in het gezin, de lectuur die binnenkomt (vier miljoen Nederlanders lezen Privé , Story, Mix), de schoolkeuze voor de kinderen, de geldbesteding. De lijst is met veel voorbeelden aan te vullen.
Misschien merkt iemand op dat er vandaag meer sprake van is dat ouders tegenover hun kinderen moeten getuigen. Dat natuurlijk ook. En dan is het voor oprecht belijdende ouders een diep verdriet wanneer ze zien dat hun kinderen niet in de wegen van de Heere gaan. Maar in het betreffende Schriftgedeelte zegt Christus dat kinderen tegen hun ouders opstaan. Die volgorde heeft betekenis, want er volgt op dat wie vader of moeder liefheeft boven Hem, Hem niet waardig is.
Als het voorkomt dat kinderen zich van ouders moeten 'afscheiden' vanwege het belijden van de Naam van Christus dan moeten zij zich daardoor niet laten schokken, zegt Calvijn, ook al maant hij hier tot grote voorzichtigheid.
In ieder geval heeft het belijden van de Naam van Christus naar buiten toe ook de confrontatie in zich. Christus wordt in het publieke leven beleden in-tegenspraak. De vrede van Christus is een vrede van het hart, die ook bereid maakt om vrede te stichten.
Maar het zwaard is er ook. En in een tijd waarin het christendom steeds meer van meerderheid minderheid wordt en de samenleving wettelozer wordt, zal merkbaar zijn wat dat betekent. Belijdenis doen vraagt publieke keuzen. Die keuze kan gemaakt moeten worden in het gezin, op school (ook de christelijke), ook binnen de kerk(en), ze moet zeker gemaakt worden in de maatschappij. En wanneer er vrees is hoe te kiezen of te spreken: wie oprecht de keuze mocht doen mag zich ook verzekerd weten van de belofte dat Christus zelf in het uur, waarin het nodig is, gééft te spreken. Belijden vraagt voorzichtigheid én dapperheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's