De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

4 minuten leestijd

Uit 'Ex Libris', keur uit de werken van dr. J. H. Gunning, J. Hz. (Zeist, 1938) de volgende twee passages:

'Gezegenden mijns vaders

't Gebeurde in de trein, die de bergen opkruipt naar Davos. 't Was al avond. Zelfs de schittering van de felwitte sneeuw werd gehuld in de duisternis van de naderende nacht, en werd dof gelijk de dood. Vele kleine stationnetjes zijn er langs de weg geplant, elk volgend langs de stugge flanken der bergen, weer een eind hoger dan 't vorige. Bij ieder stationnetje hielden we stil; brandde een electrisch licht; straalde onzeker schijnsel uit de wachtkamer over de dikke platgetrapte sneeuw. Rond ieder stationnetje, ver en dichtbij, lichtjes van de vermoede, door de duisternis ongeziene huizen en boerderijen. Bij ieder stationnetje iemand er in, iemand er uit meestal stil, loom, moe, zwijgend gaan zitten op de eerste de beste nog open plaats in de lange wagen met doorloop in 't midden. Onze wagen was zo steeds driekwart vol. Ik zag zitten een paar Engelsen met gladde, onbeweeglijke tronies; twee dikke jodinnen met korte haren en andere korte dingen; een landgenoot met een jongen van een jaar of twintig; de oudste van die beiden met ogen, zwaar van zorg, de jongste bleek, kort van adem, moe; een paar boeren uit de bergen, sterk, hoekig, iets onverzettelijks in houding, en sterk gegroefd voorhoofd. Alles en allen stil. Zo stil, dat je hoorde hoe vol de wagen was van hun uiteenlopende gedachten. Totdat op een der stationnetjes een vrouw instapte uit diezelfde landstreek. Ze was heel oud, heel gerimpeld, heel gebogen, heel mager, zó dat de zware bergschoenen, met spijkers beslagen, onevenredig zwaar leken voor die Methusalem-jaren. Ze ging zitten en keek rond. Toen stond ze opeens op, en ging zitten bij een paar andere boeren, blijkbaar blij, dat zij bekenden vond. Dadelijk praten natuurlijk. Maar dat liep uit op 't voor die kennissen opzeggen van een Nieuwjaarsvers ('t was 4 januari), minstens honderd regels lang. En toen het uit was, kwam het mooiste. Ze begon te zingen. Mooi? Och haar stem deed denken aan een roestig katrol, dat in 30 jaar niet gesmeerd is. En toch — ja, 't was mooi. Iets heel ontroerends was er in dat zingen, zodat niemand er zelfs aan dacht te lachen om dat versleten geluid. Was 't de wijding in dat krakendzingen? Was 't het innerlijk licht, dat straalde alsof de woorden, die ze zong, met licht overgoten waren? Was 't de glans, die er kwam in die oude, moede ogen, toen, al zingend, haar gebogen rug recht werd? Ze zong van Jezus' komst op aarde, en van 't gebeuren met ieder mens, die, van de aarde opgeroepen, moet staan voor God en zeggen, hoe hij Jezus ontvangen heeft. 't Was een lang lied. En ik onthield alleen de laatste coupletten, die ik zó vertaal:

Als 'k Hem straks mag aanschouwen,
En, knielend voor Zijn troon,
Mijn handen dankend vouwen
Voor Gods beminde Zoon,
Dan juicht ontroerd mijn harte.
Dan wacht me zaligheid,
Die na veel moeite en smarte,
Gods liefde mij bereidt.

Toen zweeg ze. De trein stopte bij weer-een-stationnetje. Ze stond vlug op: knikte tegen de steeds zwijgende kennissen, en stapte uit. Ik zie nóg dat gelukkige gezicht vol rimpels; dat, zonder dat ze 't zelf wist, stil vouwen van de knokige handen bij die laatste verzen. Anderen in onze getemperd verlichte wagen hebben toch ook wel de Geest bespeurd, die, gelijk de wind, blaast waarheen hij wil. Zelfs de jodinnen waren opgehouden met apenootjes kraken...'

'Christus consolator

In de smeltkroes
Gebroken dingen
God gebruikt tot Zijn eer het liefst zulke mensen en zulke dingen, die geheel gebroken zijn. De offeranden, waarin Hij een behagen heeft, zijn gebroken en verslagen harten. Doordat Jacobs vleselijke kracht bij Pniël gebroken werd, kon God hem bekleden met geestelijke kracht. Het was, toen onze Heiland Zijn kostbaar lichaam overgaf opdat het gebroken zou worden aan het kruis, dat Zijn leven uitgestort werd als een kristallen stroom, waarin arme, dorstende zondaars het leven kunnen vinden. Op hen, die gebroken zijn in hun leven, gebroken in hun ziel, gebroken in hun eerzucht, gebroken in hun schoonste verwachtingen en idealen, gebroken in hun genegenheden — op zulken, waarop anderen met minachting neerzien en die hulpeloos en eenzaam zijn — op hen heeft de Heilige Geest het oog gericht, want die kunnen gebruikt worden tot Gods verheerlijking. Het is de gekneusde olijf, die olie voortbrengt. En eerst als de druif geperst wordt, komt de wijn tevoorschijn. Zo zal uit het gebroken hart en de verslagen geest de liefelijke geur van Gods genade en van Zijn heiligheid stromen.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's