De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Jacob Revius: wie is de dader?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Jacob Revius: wie is de dader?

9 minuten leestijd

Leven

Het jaar 1986 is een Revius-jaar. Zal er veel van te merken zijn? Heeft zijn boodschap de geëmancipeerde 20e-eeuwers nog wat te zeggen? In dit artikel wil ik in elk geval enige aandacht besteden aan het leven en vooral het werk van deze grote 17e-eeuwse, calvinistische dichter. Ik geef eerst in vogelvlucht een beschrijving van zijn levensloop. Vier eeuwen geleden, in november 1586, werd Jacobus Reefsen in Deventer geboren. Hij zou een der grootste dichters worden die het Nederlandse calvinisme heeft voortgebracht. De jonge Jacob - die zijn achternaam volgens de gewoonte van die tijd later zou verlatinseren tot Reefsenius en Revius - groeide op in een calvinistisch gezin. Zijn vader Ryck Reefsen was burgemeester van Deventer. We zitten dan midden in de 80-jarige oorlog en dat heeft de jonge Revius aan den lijve ondervonden. Hij is nog maar zes maanden oud als Deventer weer in Spaanse handen overgaat. Zijn vader is op dat moment in het westen en het gezin verhuist naar Amsterdam.

In 1604 gaat Revius theologie studeren, eerst in Leiden, daarna te Franeker en tenslotte in diverse universiteitssteden in Frankrijk. Een brede en diepgaande studie dus, die hem zeer te pas kwam tijdens zijn verdere leven. Hij zou ook steeds verder blijven studeren en verdiepte zich, om slechts één typerend voorbeeld te geven, in de Syrische taal!

In 1612 wordt hij predikant, eerst in Zeddam en Aalten-Winterswijk, vervolgens in 1614 in zijn geboorteplaats Deventer. Een drukke tijd breekt aan. Hij houdt zich niet afzijdig in de strijd tussen remonstranten en contra-remonstranten. Uit diepe overtuiging kiest hij en behoort hij tot de contra-remonstranten. Ook op cultureel terrein is hij in zijn eigen stad zeer actief: hij is betrokken bij de op- en inrichting van een muziekcollege en van het Atheneum Illustre, nog voortlevend in de bekende Atheneumbibliotheek. De Dordtse Synode, die het besluit nam tot de bijvelvertaling die we de Statenvertaling noemen, wijst hem aan als revisor van het O.T. Deze benoeming maakt duidelijk dat Revius een voortreffelijk kenner van het Hebreeuws was.

In 1641 wordt hij benoemd als regent van het Staten-College in Leiden. Zijn taak is daar toezicht te houden op en begeleiding te geven aan theologische beursstudenten. Behalve tegen de remonstranten keert hij zich daar, evenals Voetius te Utrecht, fel tegen het cartesianisme, het filosofisch stelsel dat genoemd is naar Cartesius (Descartes), die een sterk vertrouwen had in de menselijke rede: 'ik denk, dus besta ik' (cogito ergo sum).

Vele geschriften verschenen in de loop van zijn leven, zowel theologische als letterkundige. Ik noem hier alleen zijn prachtige psalmberijming, een verbetering van die van Datheen, en zijn Over-ijsselsche Sangen en Dichten. Hoogleraar werd hij niet, hoewel hij daarvoor zeker de capaciteiten had. Dit moet wel te maken hebben met de felheid waarmee hij zich in diverse polemieken heeft geuit.

Hij overleed in 1658 op 72-jarige leeftijd, na een druk en arbeidzaam leven.

Over-ijsselsche Sangen en Dichten

In 1634 verscheen de dichtbundel Over-ijsselsche Sangen en Dichten. Het is de bundel van zijn blijvende roem. Hoewel, eigenlijk moet ik het woord 'roem' schrappen. Revius' gedichten zijn door zijn tijdgenoten weinig gewaardeerd. De bundel werd niet vlot verkocht. Misschien kwam dat omdat hij woonde in het verre Overijssel: kan er uit het oosten iets goeds komen? Mogelijk kon men ook zijn boodschap - mens, ken uw zonde! - niet zo waarderen.

In de 20e eeuw wordt hij herontdekt. Met ere moet de dissertatie van W. A. P. Smit genoemd worden: De dichter Revius. Smit bezorgde ook een nieuwe editie van de Over-ijsselsche Sangen en Dichten. Deze is vervolgens een aantal jaren geleden weer herdrukt zodat de bundel ook nu nog altijd verkrijgbaar is. De echte kenners gaan in de 20e eeuw zien hoe groot het dichterschap van Revius is, hoe indrukwekkend het taalvermogen en de dichterlijke kwaliteiten van diens poëzie zijn.

De bundel bevat twee delen. Het eerste deel geeft in een soort 'mozaïek' de hoogtepunten van de bijbel in het O.T. en het N.T., van Genesis tot Openbaring. Het tweede deel bevat een groot aantal vaderlandse gedichten, waarmee Revius de lijn van de oude geuzenpoëzie voortzet. Hier wil ik ingaan op enige bijbelse gedichten, gewijd aan het lijden, het sterven en de opstanding van Jezus Christus.

De eigenlijke dader

Diep ontroerend zijn de verzen die Revius wijdde aan Jezus' geboorte. Ik hoop daar in een kerstartikel aandacht aan te besteden. Niet minder ontroerend tekent de dichter het lijden van de Heiland. Die ontroering vloeit voort uit zelfkennis en verwondering. Revius wist dat Jezus in de plaats trad van de zondige mens die hijzelf was. Zeer duidelijk heeft hij dat verwoord in het sonnet dat zijn bekendste gedicht is geworden: 'Hij droeg onze smerten'.

Hij droeg onze smerten
Hij droeg onze smerten
T' en zijn de Joden niet, Heer Jesu, die U kruisten,
Noch die verradelijk U togen voor 't gericht,
Noch die versmadelijk U spogen in 't gezicht,
Noch die U knevelden, en stieten U vol puisten1),

T' en zijn de krijgslui niet die met haar felle vuisten
Den rietstok hebben of den hamer opgelicht,
Of het vervloekte hout op Golgotha gesticht,
Of over Uwen rok tsaam dobbelden en tuisten2):

Ik ben 't, o Heer, ik ben 't die U dit heb gedaan,
Ik ben den zwaren boom3) die U had overlaan,
Ik ben de taaie streng daarmee Gij ginkt gebonden,

De nagel, en de speer, de gesel die U sloeg,
De bloed-bedropen kroon die Uwen schedel droeg:
Want dit is al geschied, eilaas! om mijne zonden.

Dit gedicht wordt wel veel geciteerd en voorgedragen, maar men leest het nogal eens verkeerd. Natuurlijk ontkent Revius niet dat de Joden en de krijgslieden feitelijk betrokken waren bij de dood van Christus. Daarom kunnen we de eerste acht regels zó samenvatten: de Joden en de krijgslui die U kruisten, zijn het ten diepste niet. De wezenlijke dader is de mens van alle tijden. De dichter wil zeggen dat Christus voor zondaren van alle tijden leed en de smart droeg. Ik, zondaar, ben niet klaar met te wijzen op de kruisigende Joden en Romeinen. Daarom luidt de titel ook: 'Hij droeg onze smerten'. De dichter stelt dus de feitelijke daders en de wezenlijke daders tegenover elkaar en het tweede gedeelte van het sonnet is gebouwd op de persoonlijk beleefde belijdenis: 'Ik ben het' en het is geschied 'om mijne zonden'.

De beginregel heeft drie accenten: 'T' en zijn de Joden niet (...)'. Ze zijn alle drie te verdedigen, maar waarschijnlijk doen we het gedicht het meest recht als we het zwaarste accent op 'zijn' leggen, want dit betekent hier: in wezen zijn; in werkelijkheid zijn. Wie de Joden en Romeinen de schuld toeschuift is heel oppervlakkig bezig. Revius legt de kern bloot: wij zijn het, zondaren zijn het, ik ben de eigenlijke dader. Het gedicht is indrukwekkend niet alleen wat de inhoud maar ook wat de vormgeving betreft. Revius was een vakman als dichter, die wist hoe je een sonnet moest schrijven met een inhoudelijke wending na de achtste regel en met een vast rijmschema. Ik wijs hier ook op het schitterende middenrijm in de regels 2 en 3 waardoor bepaalde woorden des te sterker opvallen: 'verradelijk' - 'versmadelijk' en 'togen' - 'spogen'.

Dood en leven

Jezus is het 'groene hout', aldus Revius, dat wordt neergeveld:

Eveneens, o boom des levens,
Jesu Christe, Jacobs held.
Met veel schrikkens, met veel bevens
Zie ik U terneer geveld.

Als de dichter schrijft over de dood van de Heiland, doet hij dat in verzen vol tegenstellingen en paradoxen, stijlfiguren die laten zien dat hij volop een renaissancistisch dichter was, die de cultuur van zijn tijd kende en die daarvan gebruikte wat hij kon gebruiken. Zo schreef hij het volgende korte gedicht:

Dood Christi

O leven onzer ziel, o Vorst van 't eeuwig leven,
O die het leven zelfden doden hebt gegeven,
Hoe hebdij4) van de dood Uw leven niet verlost! Wie hadde ooit gemeend dat God ook sterven kost5)?

Het gaat om leven en dood, om dood en leven. Deze woorden keren steeds weer terug. De paradox is dat God, het Leven, op Golgotha sterft. Bij het volgende korte gedicht, dat aansluit bij het hierboven geciteerde, komt de dichter tot de paradoxale uitspraak dat de dood óók kan sterven:

't Zelve

Plichtanker6) onzer hoop, steenrotse van 't betrouwen.
Afgrond van onze liefd' in wien wij zijn behouwen,
Gij zijt 't die de dood al stervende verwon.
Hoe! wie vermoedde dat de dood ook sterven kon?

Jezus' dood schenkt de doden het leven. Hij heeft de dood doen sterven. De onoverwinnelijke dood is gesneuveld op Golgotha.

Opstanding

De dood heeft niet het laatste woord voor degenen die van Christus zijn. In het gedicht 'Verrijzenis' maakt Revius Jacobs vreugde over het feit dat Jozef niet dood was maar leefde, tot de zijne. Jezus' opstanding is zijn troost. Door Hem kan hij blijmoedig sterven, 'verzekerd' de 'zaligheid te erven'.

Verrijzenis

Leeft Jozef, dien ik lang in 't dood-boek had geschreven,
Sprak Jacob, oude man, en werd hij zo verheven,
Zo ben ik vergenoegd, zo wil ik reizen heen
En zien zijn hogen staat, en sterven wel tevreên.
Leeft Jezus, die alree ten grave was gedragen,
Is Hij gerezen op na drie gehele dagen,
En heeft Hij alle macht in hemel en op aard',
Zo ben ik wel getroost: ik wil te Godewaard
En zien Zijn Heerlijkheid. Blijmoedig wil ik sterven
Verzekerd met mijn Heer de zaligheid te erven.

Revius is vaak getekend als somber en zwartgallig. Hij tilde inderdaad niet licht aan de zonde. De mens achtte hij diep gevallen. Revius kende iets van het beven voor Gods heiligheid. Maar hij bleef niet in de zonde 'liggen'. Dat maken zijn Christusverzen ons duidelijk. Tegenover het zwart van de zonde plaatst hij het hcht van Christus. Zijn Christus-verzen getuigen van verwondering én van de zekerheid des geloofs:

(...) Blijmoedig wil ik sterven
Verzekerd met mijn Heer de zaligheid te erven.


1) builen

2) dobbelden

3) kruishout

4) hebt Gij

5) kon

6) plechtanker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Jacob Revius: wie is de dader?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1986

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's