Rondom het beroepingswerk (5)
Ook de predikanten!
Wanneer we elkaar aansporen om de 'ethiek' van het beroepingswerk in acht te nemen, dan is dat niet alleen voor de kerkeraden, maar ook voor de predikanten bedoeld. Het voorgaande zou de schijn hebben kunnen wekken alsof het alléén kerkeraden zijn die nu en dan kromme wegen bewandelen. Het kan wat dit betreft geen kwaad ook eens in ons domineesvlees te snijden.
Bij een deel van de gemeente hebben we de naam dat vrijwel uitsluitend materiële factoren de doorslag geven bij de beslissing op een beroep. Een mooie pastorie, een beter salaris, een aantrekkelijke streek om te wonen, goede studiemogelijkheden voor de kinderen, door deze en dergelijke overwegingen zouden we ons voornamelijk laten leiden bij het aannemen of bedanken. Ook met het oog hierop hoeven we ons niet te verantwoorden of te verdedigen, maar mogen we zeggen: 'Die mij oordeelt is de Heere'. Dan zullen we echter bij een beroep ons ook zó moeten opstellen dat we zelf geen aanleiding geven tot deze meningsvorming.
Liever geen beroep?
In andere sectoren van de kerk worden de predikanten vaak 'gepolst' of ze prijs stellen op een beroep. Het blijkt voor te komen dat twintig of meer dominees worden benaderd die geen van allen interesse hebben in verandering van standplaats. Dat kerkeraden als gevolg van de vele negatieve reacties soms ten einde raad zijn is te begrijpen.
Het zal duidelijk zijn dat we deze methode in het algemeen afwijzen. Een beroep is een geestelijke zaak: 'van de gemeente en mitsdien van God geroepen'. Als het goed is kunnen we ons pas op een beroep bezinnen wanneer het vóór ons ligt. Wanneer we van tevoren al 'nee' zeggen zouden we mogelijk de Heilige Geest in de weg kunnen gaan staan. Het is immers de Heere die, Zijn dienstknechten zendt tot wie Hij wil en wanneer Hij wil? (D.L., hfdst. 1, 3)
Dat wil niet zeggen dat er op de regel geen uitzonderingen kunnen zijn. Een predikant kan bepaalde redenen hebben waarom hij zich tijdelijk niet beroepbaar stelt. Anders zou de bekende vraag van een kerkeraad of de dominee een eventueel beroep in over weging zou willen nemen, ook een zinloze formaliteit zijn.
De redenen waarom een predikant meent de boot te moeten afhouden zijn van strikt persoonlijke aard, en een buitenstaander kan over de geldigheid daarvan niet oordelen. Mijns inziens kan hij niet als argumenten aanvoeren: 'ik heb het hier nog zo goed naar m'n zin' of 'mijn werk is nog niet af'. Want of wij het naar onze zin hebben doet niet terzake, en wanneer zijn we in een gemeente ooit met het werk gereed?
Wanneer we voor onszelf, na biddend overleg, tot de conclusie zijn gekomen dat we de gemeente nog niet kunnen verlaten, dan moeten we dat ook maar eerlijk zeggen. Dat is beter en zakelijker dan beroepen op ons laten afkomen waarvan we bijna met zekerheid kunnen zéggen dat we ervoor zullen bedanken. Maar wanneer de goegemeente zegt: 'hij kon zich beter niet laten beroepen, want hij bedankt toch voor alles', dan heeft zij daartoe niet het recht. Want wie kan de motieven beoordelen?
Het kennismakingsbezoek
'Wanneer denkt dominee de gemeente te bezoeken?' Dat is één van de eerste vragen die een kerkeraad stelt na het uitbrengen van een beroep. Een datum wordt afgesproken en een programma wordt opgesteld.
Onmisbaar bestanddeel van zo'n kennismakingsbezoek is voor mij het voorgaan in een kerkdienst, hetzij op zondag, hetzij op de avond van de bezoekdag. Het is me bekend dat er kerkeraden en collega's zijn die daar anders over denken: het geeft maar extra spanning en de gemeente weegt je woorden op een goudschaaltje om er (onjuiste) conclusies aan te verbinden. Ik denk echter dat er geen echte ontmoeting is geweest wanneer predikant en gemeente elkaar niet hebben ontmoet in het Woord.
Voor de predikant en zijn echtgenote is zo'n kennismakingsbezoek echt geen 'uitje'. Ze krijgen een aantal — tot nog toe — onbekende mensen te zien en te spreken. Er wordt van hen verwacht dat ze voor alles en iedereen belangstelling zullen hebben. Daarbij staan ze onder de hoogspanning van de naderende beslissing: aannemen of bedanken? En ze moeten voortdurend op hun woorden passen, want al te positieve reacties kunnen ongegronde verwachtingen wekken.
Over het kennismakingsbezoek gaan allerlei verhalen door kerkelijk Nederland. Verhalen die moeilijk op hun waarheidsgehalte getoetst kunnen worden. De dominee die de duimstok bij zich had en de afmetingen van de muur noteerde om te kijken of zijn grote kast daar wel kon staan. En zijn collega die verheugd was bij het zien van een kippehok in de tuin, want nu kon hij tenminste weer eens pluimvee houden. En — dat is natuurlijk de moraal van het verhaal — ze bedankten tóch nog...! Ook al hebben we er geen enkele bedoeling mee, ik denk dat we ons moeten wachten voor alles dat ongegronde hoop kan wekken. Zoals eens iemand tegen me zei: 'Zeg maar: ja, ja, en nee, nee, en dan zeg je eigenlijk nóg te veel...'
De beslissing
Na drie weken bedenktijd moet je dan eindelijk definitief 'ja' of 'nee' zeggen. Hoe komt zo'n beslissing tot stand? Daarop is niet een eensluidend antwoord te geven. Het ene beroep 'doet' je meer dan het andere. De ene predikant neemt ook veel gemakkelijker een beslissing dan de andere. Dat heeft ook met het karakter te maken. Sommige predikanten zijn van elk beroep volkomen van de kaart, andere nemen het wat nuchterder op. Er zijn er die het eerste het beste beroep aanvaarden omdat ze in die nieuwe gemeente een taak zien liggen, er zijn er ook die zo vastgeworteld zijn dat men ze niet wegkrijgt. Ik denk dat verreweg de meeste collega's de regel kennen die bij de beslissing voor een beroep geldt: 'in dubiis abstine', dat wil zeggen: bij twijfel onthouden. Daarvoor zijn trouwens ook andere gezegden in omloop: bij mist niet uitvaren, in het donker niet verhuizen, enz. De bedoeling is duidelijk: als je niet zeker weet dat je moet gaan, dan moet je blijven.
En met die beslissing moeten we dan ook maar niet wachten tot het allerlaatste ogenblik. Dominees die 's nachts om 5 minuten voor 12 een scriba bellen zijn hopelijk uitzonderingen, maar als ze er zijn, dan houden ze wel de roepende gemeente onnodig in spanning. Als het toch bedanken wordt, dan weten ze dat 's morgens om 9 uur óók al. Dan is het beter ook jezelf maar van die last te bevrijden.
Hoe weet een predikant wat hij moet doen? Die vraag wordt nogal eens gesteld. Het is duidelijk dat het een reeks van factoren is waardoor de beslissing wordt bepaald. Maar wat geeft nu precies de doorslag? Dat is een vraag waarop het antwoord nauwelijks aan derden kan worden gegeven, omdat de beslissing — als het goed is — in de binnenkamer, voor het aangezicht van de Heere gevallen is.
Wie naar de orde der kerk is beroepen — dus 'van de gemeente en mitsdien van God' — hoeft de beslissing niet naar buiten te motiveren. Het is wel gebruikelijk dat een predikant na een telefonisch bedankje een brief aan de kerkeraad schrijft om dat bedankje te bevestigen. Ook in zo'n bedankbrief moet een zekere terughoudendheid worden betracht. 'Mijn werk is hier nog niet af' is een gevaarlijk gevoelsargument, want een maand later kun je een ander beroep aannemen! Het moet dan bij die kerkeraad wel vreemd overkomen dat je in zo korte tijd ineens gereedgekomen bent met je werk...
De consulent
Nog een paar woorden over de figuur die we bijna zouden vergeten en die toch onmisbaar is in het beroepingswerk: de consulent. Hij is voorzitter van de kerkeraad en zonder zijn aanwezigheid mag geen officiële vergadering worden belegd, mag ook geen enkele beslissing worden genomen. En op de beroepsbrief prijkt zijn handtekening. Er zijn kerkeraden die de consulent beschouwen als 'een noodzakelijk kwaad', zoveel mogelijk alles bedisselen zonder hem, en hem alleen nodig hebben om de stukken te tekenen.
Nu alweer jaren geleden was er een kerkeraad die niet 'op één lijn' zat in het beroepingswerk. Beraadslagingen over de vraag welke predikant gehoord moest worden liepen op onderling geharrewar uit. Maar voor de consulent, die van een andere 'modaliteit' was wilden de broeders dat liever verborgen houden. Daarom vergaderden ze met elkaar en wanneer dan de kaarten waren geschud hielden ze een officiële vergadering met de consulent erbij, en dan was de zaak gauw beklonken. Op zekere avond echter wilde een van de broeders een bepaald onderwerp aansnijden, waarop een ander, in het bijzijn van de consulent, uit z'n mond liet vallen: 'Joh, daar hebben we nu toch in de voorvergadering al lang genoeg over gepraat'...
De consulent passeren is een kwalijke zaak. Maar de consulent moet ook z'n plaats weten. Hij is 'consulent' (letterlijk: raadgever) en heeft dan ook geen beslissende, maar slechts een adviserende stem. Hij mag de kerkeraad niet manipuleren — als deze zich tenminste zou laten manipuleren! — hij mag hoogstens wat bijsturen. De consulent heeft belang bij een spoedige vervulling van de vacature, dus hij zal niets liever willen dan zichzelf overbodig maken, maar dat kan niet tot elke prijs. Samen met de kerkeraad heeft hij het beste voor de gemeente te zoeken.
Post Scriptum W. van Gorsel
Er zijn op deze serie artikelen nogal wat schriftelijke en telefonische reacties binnengekomen. Ik stel me voor in een slotartikel wat nader op deze reacties in te gaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's