Verpleegkundige in 1986
Beroep en beroepsethiek
Als ik het 'hoofdje' voor dit artikel neerschrijf heb ik de neiging, om er achter te zetten - is anders dan in 1961. In die 25 jaar is er heel wat veranderd. Dat kan overigens ook van veel andere zaken worden gezegd. Vijfentwintig jaar geleden was ook niet alles beter dan nu. We moeten het verleden niet te veel idealiseren.
Als we iets schrijven over het beroep van verpleegkundige in deze tijd dan kan altijd nog worden gesteld dat het een mooi beroep is, nog altijd een mooi beroep. Een beroep waar veel voor wordt gevraagd, echter ook een beroep dat veel geeft. Er zijn nog altijd mensen die in een stress situatie terecht zijn gekomen, misschien wel voor de rest van hun leven ziek of invalide zullen zijn. Je kunt als verpleegkundige zo veel betekenen voor je medemens. Het is ook een beroep dat ook in onze tijd nog altijd veel waardering oogst. Verpleegkundige zorg wordt door patiënten duidelijk op prijs gesteld. Het is ook een beroep waar van kan worden gezegd dat het noodzakelijk en nuttig is om het uit te oefenen. Dat is een belangrijk gegeven.
Veel mensen vragen het zich af 'wat is het nut van alles wat ik doe?' Een verpleegkundige behoeft zich die vraag niet te stellen. Behalve nuttig is het erg boeiend om mét en voor mensen die ziek zijn bezig te zijn. Dat geldt voor een ziekenhuis maar ook voor een inrichting voor zwakzinnigen, al is de hulpverlening vaak geheel verschillend. De verpleegkundige heeft in haar of zijn werkprogramma altijd de mens in het middelpunt staan. Dat is heel wat anders dan dood materiaal.
Behalve het werken voor en ten behoeve van patiënten is daar ook het kontakt met de kollega's. Dat laatste is ook een wezenlijk kenmerk van het beroep van verpleegkundige. Je werkt in een team. Als je nog leerling bent zit je samen in een bepaalde studiegroep. Je zit samen in de late, of samen in de nachtdienst op een bepaalde afdeling. Als dat allemaal kan in een huis waar de sfeer goed is dan geeft dat een teamgeest of saamhorigheid die ergens anders niet gemakkelijk zal worden aangetroffen.
Elk ziekenhuis (om mij daar dan maar bij te beperken) heeft een eigen sfeer. De sfeermakers zijn alle werkers in zo'n ziekenhuis, dat zal duidelijk zijn. (leerling-)Verpleegkundigen hebben echter in dat geheel van zaken toch wel een aparte plaats; ze vormen ook de grootste discipline in het huis.
Dat zij een aparte groep zijn konstateerde ik weer eens toen ons ziekenhuis 25 jaar bestond en wij een reünie organiseerden. Er werd massaal op ingeschreven. Mensen die elkaar jaren niet hadden gezien ontmoetten elkaar daar weer. Het waren echter bijna uitsluitend verpleegkundigen die zich hadden aangemeld. Een ziekenhuis vormt kennelijk voor een (leerling-)verpleegkundige toch altijd nog veel meer dan een plaats waar je je werk verricht.
Het werken in een dergelijk team, het samen studeren en werken in dat aparte wereldje, wat we dan ziekenhuis noemen, geeft het beroep van verpleegkundige toch wel een heel aparte inhoud. Ik geloof niet dat het ergens anders in die mate voorkomt dat meerdere mensen uit verschillende disciplines: verpleegkundigen, laboranten, fysiotherapeuten, medici, tegelijkertijd allen voor een en de zelfde mens bezig zijn. Als het dan lukt om een patiënt weer uit een levensbedreigende toestand te krijgen dan geeft dat een voldoening welke in haar soort met niets anders is te vergelijken. Zulke dingen gebeuren eigenlijk alleen maar in de gezondheidszorg en dan met name in een ziekenhuis. Als zo'n patiënt dan later ontslagen kan worden en je hebt daar dan persoonlijk iets, of misschien wel veel aan kunnen bijdragen dan geeft dat erg veel voldoening. Als dat gevoelen er niet is dan had men nooit verpleegkundige moeten worden. Dat is een van die mooie facetten van het beroep van verleegkundige.
Ik kan me ook vele gesprekken herinneren die ik met patiënten heb mogen voeren. Sommige zijn genezen het ziekenhuis weer uit gegaan. Ik herinner me ook gesprekken met patiënten die niet meer beter zijn geworden. Ik moet er overigens bij zeggen dat zulke gesprekken niet zo vaak voorkomen. Vergeten doe ik ze echter niet meer. Ze zijn ook typisch voor de situatie waarin mensen verkeren.
In een ziekenhuisgemeenschap wordt zeer intensief geleefd. Je maakt met alle facetten van het leven kennis. Hier wordt een kind geboren, waar jaren op werd gewacht. Daar sterft een mens, oud maar soms ook nog jong, soms door velen betreurd soms ook door niemand. In zo'n omgeving te werken vraagt een hoge inzet, maar geeft ook veel. Het is ook een sterk vormend beroep. Als je eenmaal verpleegkundige bent blijf je dat ook. Na twintig jaar ben je als zodanig, door mensen die er zicht op hebben, nog te herkennen.
Ik zou over deze zaken nog veel meer kunnen schrijven maar de ruimte is beperkt en ik wil ook nog enkele andere zaken aan de orde stellen.
Ontwikkelingen 1
De verpleegkundige komt voort uit de charitatieve sektor. De invloed van de diaconessen van Theodoor Fliedner zijn we nog niet vergeten. Zij hebben een enorm stempel gedrukt op de ontwikkelingen in de wereld van de verpleegkundige. Nu nog zijn de sporen in de verpleging en verzorging van de patiënten duidelijk terug te vinden.
Wat vele mensen niet weten is dat voor de tijd van de opkomst der diaconessehuizen het er in de verpleging in ons land, met name in ons land, maar erg droevig uit zag. Het nivo van de verpleging was droevig en zonder meer slecht te noemen. De goede ontwikkelingen die de verpleging onder invloed, van het reveille en de diaconessenarbeid heeft ondergaan, is niet te overschatten. Dat charitatieve gebaseerd op de diaconia: het dienen van de (zieke) naaste is de laatste decenniae duidelijk aan het veranderen. De technische ontwikkelingen van onze tijd en de daaraan ontleende efficiency, bleken een meer zakelijke instelling met zich mee te brengen. Laten we overigens niet te gemakkelijk de techniek de schuld geven van die zgn. verzakelijking. Ook met gebruikmaking van de huidige techniek kan de verpleging mensvriendelijk zijn. De techniek is niet de reden waarom de benadering van, en de onderlinge relatie tussen verpleegkundigen en patiënten zo verzakelijkt is. De sekularisatie heeft in de gehele maatschappij verkillend gewerkt. Dat doet het ook in de gezondheidszorg. In de relatie verpleegkundige en patiënt wordt dat echter beduidend sterker als negatief ervaren dan in de fabriek en op het kantoor. In het kielzog van de sekularisatie viel natuurlijk ook het Bijbelse diaconia: het dienen van de naaste, ten prooi aan de geest van deze tijd.
In de top van de organisatie van veel gezondheidszorginstellingen zijn bovendien de laatste jaren managers geplaatst, die van huis uit niet in de gezondheidszorg zijn opgegroeid. Deze mensen zijn van huis uit gewend slechts te rekenen met zaken die meetbaar, weegbaar en telbaar zijn. Het begrip 'zorgen voor' laat zich daar echter niet altijd even gemakkelijk door vertalen. Er moet natuurlijk ook in de verpleging efficiënt gewerkt worden. Een efficiency die het bij de P.T.T. soms erg goed doet werkt echter niet op de zaal of kamer waar zieke mensen worden verpleegd. De op deze wijze georganiseerde instellingen sturen de verpleegkundigen die zich echt willen inzetten voor hun zieke medemens de verkeerde kant op. Dat werkt erg teleurstellend voor deze vaak zeer gemotiveerde jonge mensen. Een andere zaak is dat het ziekenhuis zich heeft ontdaan van de langdurige zieken. Economen hadden uitgerekend dat deze patiënten op te dure bedden lagen. Dat is natuurlijk wel een beetje waar. De verpleeghuizen zijn overigens ook niet goedkoop gebleken. Het viel mij op, dat toen ik in Jeruzalem het Shaare Zedek ziekenhuis bezocht, ik een andere situatie aantrof. Daar lagen de langdurig zieken wel in het ziekenhuis, waar een aparte afdeling voor hen was gereserveerd. Deze patiënten werden echter wel door dezelfde verpleegkundigen als de andere patiënten verpleegd. Het lijkt wellicht een detail, het is echter een zaak van groot belang.
In onze ziekenhuizen zeggen we tegenwoordig al vrij snel die of die patiënt die moet maar weg want daar kunnen wij (technisch) toch niets meer aan doen. Op deze wijze voeren we een dergelijke patiënt van ons verpleegprogramma af. Een dergelijke visie heeft ook voor verzakelijking gezorgd. Hetzelfde zien we nu bij mensen die moeten gaan sterven ontstaan. Ook aan die mensen kunnen wij (met onze techniek) niets meer doen. Zo ligt de ene ontwikkeling in het verlengde van de andere. Op deze wijze bepaalt ook de techniek onze opname indicatie. In de lijn van secularisatie, verzakelijking en efficiency ligt ook het steeds gemakkelijker accepteren van euthanasie. Dat kunnen we in elk geval technisch wèl.
Ik zeg niet dat deze zaken overal realiteit zijn. We moeten niet te snel generaliseren. De ontwikkelingen en het denken in die richting zijn echter wel heel duidelijk aanwezig. Het doorbreken van dat denken wordt nog wat afgeremd. Dat lijkt echter slechts een kwestie van tijd te zijn. Als Christen heb je het in die denkwereld erg moeilijk. Gods Woord wijst ons namelijk een heel andere weg dan dit rationele medisch denken. Er ontbreekt een dimensie aan, of beter gezegd de basis van het denken verschuift. Naarmate echter de techniek in de zorg rond de patiënt zijn falen gaat vertonen komt de persoonlijke zorg en de verpleging van de patiënt meer centraal te staan. Echt zorgen voor heeft per definitie iets charitatiefs in zich. Om werkelijk charitatief bezig te kunnen zijn heeft men een drijfveer nodig.
Niemand zal kunnen tegenspreken, dat het juist de Christenen zijn geweest die inhoud hebben gegeven aan die charitatieve zorg. Dit staat echter haaks op de huidige visie in de gezondheidszorg. De sekularisatie heeft het charitatieve: het werken vanuit de Christelijke barmhartigheid verdrongen dat is de oorzaak van de verzakelijking. De techniek, de bezuinigingen en de zgn. efficiency geven deze ontwikkelingen slechts handen en voeten. In die sfeer past wél de euthanasie maar niet het verzorgen en verplegen van een patiënt die 'toch niet meer beter wordt'. Met deze ontwikkelingen kunnen we niet mee gaan. We zullen ons er tegen dienen te verzetten.
Ontwikkelingen 2
Wat doen we nu als Christenen nog in de gezondheidszorg? Doen we niet beter om ons er maar van te distanciëren? Dat is natuurlijk de vraag waar je op een gegeven moment tegen aanloop. Hoe ver kun je (mee) gaan. We kunnen ons er niet van losmaken, de gezondheidszorg is uit de werken der Christelijke barmhartigheid voortgekomen. De sporen zijn er nog heel duidelijk van aanwezig. Wij zelf komen er wellicht vroeg of laat als patiënt mee in aanraking. Bovendien funktioneert een ziekenhuis, weliswaar wat minder dan vroeger het geval was, als opleidingsinstituut. Opgeleide mensen hebben uit onze kring hebben we én nu én straks zo enorm hard nodig. Ik kom daar straks nog even op terug.
Het is goed ons te realiseren dat er zich de laatste jaren duidelijk tegenontwikkelingen hebben afgetekend. We hebben een vereniging van verpleegkundigen en andere werkers in de gezondheidszorg, 'Het Richtsnoer'. We hebben Phebe, we hebben een Nederlands Artsen Verbond, we hebben de juristenvereniging Pro Vita, de Stichting Schuilplaats, de Nederlandse Patiëntenvereniging. Allemaal organisaties die heel duidelijk inzien dat het allemaal zo maar niet door kan en mag gaan. Er komt een psychiatrisch centrum van de grond. Er komt een verpleeghuis van de Gereformeerde Gezindte in Ridderkerk. Er is nog zoveel te doen en er zijn ook nog veel mogelijkheden. Daarvoor zijn straks ook allemaal mensen nodig. Mensen met een opleiding en ervaring.
Er zijn gelukkig ook nog ziekenhuizen, daar beperk ik mij nu maar even bij, waar het gelukkig ook nog mogelijk is om zonder al te veel problemen te werken. Het is overigens een erg goede zaak dat vele mensen zich realiseren wat er aan de hand is. De schaalvergrotingen hebben ook slecht gewerkt. Ontstond er een fusie tussen een Christelijk en een niet-Christelijk ziekenhuis dan werd er altijd een neutraal ziekenhuis geboren. Dat denken in schaalvergrotingen dat zal echter ook wel weer eens stoppen. De eerste symptomen daarvan zijn al gehoord. De anthroposofen stichtten b.v. enkele jaren geleden een ziekenhuis op het terrein van Berg en Bosch, van 34 bedden.
Er staat nu een uitbreiding tot 120 bedden op stapel. Wat zij kunnen moet straks ook bij ons gebeuren denk ik. Niet omdat dat allemaal zo leuk lijkt maar omdat het bittere noodzaak zal blijken te zijn. De kwalijke ontwikkelingen gaan namelijk echt door. Sekularisatie in de gezondheidszorg blijkt voor de patiënt, die van die zorg gebruik moet maken, levensgevaarlijke konsekwenties te hebben. Het was als een der eersten de gezondheidszorg, die de zegen mocht ervaren van het feit dat er mensen opstonden die in gehoorzaamheid aan Zijn Woord zich met de zorg om de zieke mens bezig gingen houden en daardoor ook achting en een bijna grenzeloos vertrouwen van de bevolking door verkregen. Het is weer de gezondheidszorg die als eerste in onze maatschappij de wrange vruchten plukt van de vloek van het gesekulariseerd bezig zijn met (zieke) mensen. Het vertrouwen in deze vorm van gezondheidszorg blijkt sterk achteruit te gaan. Er is van een groeiend wantrouwen sprake. In een sfeer van wantrouwen stikt echter het begrip zorg in de gezondheidszorg.
Hooguit blijft er dan nog iets van 'behandelen tegen een bepaald (hoog) tarief' over. Het is derhalve erg noodzakelijk daar waar we kunnen deze ontwikkelingen om te buigen. Dat moet zo wel binnen als buiten de muren van de instellingen gebeuren. We moeten ons er derhalve zeker niet van distanciëren. Werken zo lang het dag is! Oók als het moeilijk is of dreigt te worden.
Verpleegkundig directeur Streekziekenhuis
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's