'Hoe houden we de jongeren bij de kerk?' (10)
Met het oog op de jongeren
6. Door een goed pastoraat aan jongeren (3)
e. Door hun vragen serieus te nemen Eén van de problemen in het werk onder de jongeren (evenals in het evangelisatiewerk) is, dat velen geen vragen meer stellen. Velen hebben zich teruggetrokken in de nevel van de onverschilligheid en vragen zich bijvoorbeeld niet meer af, waarom ze er zijn... wie ze zijn... of God bestaat of niet...
Voordat het zover is in iemands leven, is er wel wat gebeurd! Want heeft ieder mens niet een diepgewortelde levensnieuwsgierigheid? Kleine kinderen vragen: waar kom ik vandaan? En bij het opgroeien komt de vraag: waar ga ik heen? Vandaar dat overal in de wereld verklaringen van het bestaan worden gezocht en gegeven. De religies hebben er weet van.
Wie dan geen levensvragen meer stelt, is kennelijk zijn levensnieuwsgierigheid kwijtgeraakt. Die zal niet meer rekenen met verrassingen die zich in het leven voor kunnen doen, o.a. de verrassing van het vinden van antwoorden op levensvragen.
Onbeantwoorde vragen
Wat kan er dan gebeurd zijn? Hoe komt het, als jongeren geen prikkels meer voelen om vragen te stellen? Misschien wel, omdat hun vragen niet serieus genomen worden. Er zijn wel meer oorzaken van de afwezigheid van levende vragen te noemen, maar zou dit er in ieder geval niet één van zijn? Ik denk het wel. Jongeren krijgen vaak geen antwoord op hun vragen. Of ze krijgen antwoorden die niet bij de vragen passen. Of degene aan wie de vragen gesteld worden, leeft zelf - misschien met de schijn van het tegendeel - in de nevel van de onverschilligheid en wéét gewoon geen antwoord, en geeft wellicht hooguit het antwoord van een ander dat hij zich onrechtmatig toegeëigend heeft.
Er is vaak ook sprake van vervreemding, in de zin dat jongeren vandaag vragen stellen die ouderen vroeger niet gesteld hebben. De tijden zijn ook wel erg veranderd. En als je dan niet meegegroeid bent en niet met beide benen in deze tijd staat, wat moet je dan met al die vragen aan?
Als jongeren geen of geen goede antwoorden krijgen op hun vragen, dan kan hierin een barrière liggen voor het zien en ervaren van de actualiteit en de relevantie van het Evangelie. En dan kunnen er verschillende dingen gebeuren. Ze gaan de antwoorden elders zoeken. Dat doen er velen. Of ze houden op met het stellen van vragen en ze hullen zich in onverschilligheid of ze vervallen er werkelijk in... langzamerhand komen er andere dingen voor in de plaats... maar ze blijven zich binnen de structuren van kerkelijk leven en traditie ophouden. Velen houden dit laatste echter - mede vanwege de uitdagingen van onze tijd - niet vol en maken zich los van de band met de kerk.
De Heilige Geest en wij
Hoe moeilijk is het om jongeren die onverschillig geworden zijn - zowel binnen (hoe paradoxaal dit ook klinkt) als buiten de kerk - te bereiken! Nu geloven wij inderdaad in de kracht van Gods Woord en in de kracht van de Heihge Geest, die harde harten breken kan en die onverschillige harten in vuur kan doen ontbranden. Ik zou zeggen: of er nu vragen gesteld worden of niet! Vragen die gesteld worden zijn geen aanknopingspunt voor het werk van de Heilige Geest, hoewel ze voor ons in de overdracht van het Woord natuurlijk wél een aanknopingspunt kunnen zijn. Maar wij weten ook, dat de Heilige Geest middelijkerwijs werkt. Dat 'middelijkerwijs' slaat o.a. op ons, mensen. En wij hebben de roeping om onze jongeren het Evangelie, ontdaan van alle franje, in zijn actualiteit en relevantie voor ogen te stellen, zowel door daar in ons eigen leven iets van te laten zien als ook door in hun leef- en belevingswereld te kruipen om naast hen te kunnen staan en hen voor te kunnen gaan. En hoe belangrijk is het om daar van meetafaan, als de kinderen nog heel jong zijn, mee te beginnen. Het vragenstellen van jongeren - en jongeren (kinderen) stellen eigenlijk altijd vragen - wordt mede bepaald door de opvoedingssituatie. Het vragenstellen van jongeren met betrekking tot geloof en leven wordt mede bepaald door de wijze waarop wij in opvoeding en kerkelijk onderricht hen met het Woord leren omgaan en naar de stem van de Goede Herder leren luisteren. En blijkt dan niet vaak, dat het onderwijs vanuit het Woord tot vragen prikkelt?
Altijd 'gelegen tijd'
Het mag niet zo zijn, dat jongeren met hun vragen bij ons niet terecht kunnen. Misschien dat we er niet altijd raad mee weten, maar als het goed is, weten de jongeren dat het wat hun vragen betreft bij ons altijd 'gelegen tijd' is. Soms zullen we er verlegen mee zijn en onze verlegenheid tegenover hen ook moeten uitspreken. Een andere keer zullen we de durf moeten opbrengen om een antwoord te geven dat anders is dan het antwoord dat we zelf vroeger op dezelfde vraag ontvingen en dat velen vandaag misschien nóg geven.
Vaak zullen we zelf prikkels ontvangen om te onderzoeken of ons standpunt in bepaalde zaken wel houdbaar is en of onze houding wel juist is. Om tot de ontdekking te komen, dat we voortdurend correctie vanuit de Schrift nodig hebben en dat er in de omgang met jongeren veel te leren valt.
Zegen
Wat een zegen als jongeren nog vragen stellen! Laat ze maar komen met hun vragen! Zijn we erop voorbereid? En zijn we er ook tegen bestand? Laten we hen ertoe uitnodigen en prikkelen door het Woord heel dicht bij hen te brengen, in het geloof en met de verwachting dat de Heilige Geest ons zo gebruiken wil om hen tot de Heere Jezus te leiden en in Zijn navolging te leren leven.
Ten laatste moeten we erkennen dat - bij alle levensnieuwsgierigheid die mensen 'eigen' is en bij alle vragen die hiermee samenhangen - er geen mens is die naar God, de Vader van Jezus Christus, vraagt. Er is geen mens die uit zichzelf om genade vraagt. Het EvangeUe is dan ook niet naar de mens, ook niet naar de jongeren. Ten diepste weten wij, dat het Evangelie het antwoord is op een vraag die niet wordt gesteld.
ƒ. Door hun kritiek serieus te nemen 'Wat een zegen als jongeren nog vragen stellen!' zeiden we. We voegen hier nu aan toe: wat een zegen als jongeren nog kritisch zijn! Natuurlijk, er is verschil tussen kritiek en kritiek. Er is kritiek die bedoeld is om overal een schop tegenaan te geven. Dat is agressieve kritiek. Het is heel moeilijk om daarmee om te gaan. Hoewel dat altijd nog makkelijker is dan de omgang met jongeren die nergens kritiek op hebben, omdat ze totaal onverschillig geworden zijn. Zolang jongeren zich uiten is er nog contact, is er nog een gespreksmogelijkheid, is er nog gelegenheid voor reactie, voor een weerwoord. Jongeren met agressieve kritiek houden zich overigens niet of nauwelijks op binnen de grenzen van het kerkelijk leven.
Er is ook andere, kritiek, die ik vragende kritiek zou willen noemen. Daar is het mij nu met name om te doen. In agressieve kritiek wordt afstand genomen, in vragende kritiek zit een stuk betrokkenheid. Ik ben ervan overtuigd, dat in veel kritiek van jongeren op de kerk en op de gang van zaken in de eigen gemeente hun betrokkenheid tot uiting komt. De achtergrond is vaak een bij hen levende onvrede over het feit dat de kerk of de eigen gemeente niet is zoals zij volgens de Schrift zou moeten zijn. En dat kan op zich al vastzitten op het gegeven, dat er voor hen als jongeren zo weinig oog en ook zo weinig ruimte is. Als ze zich dan kritisch uiten, dan zit daar de vraag achter om aandacht, om openheid, om eerlijkheid, om hef de, om ruimte. We hebben ons die kritiek dan aan te trekken.
Er is méér waar zij zich kritisch over uiten. Bijvoorbeeld over tradities die leeg en daardoor dor en doods geworden zijn. Vaak gaat het ook over de eredienst. En over de prediking die nogal eens moeilijk te begrijpen is en waarin zij zichzelf en hun vragen niet tegenkomen.
Kunnen wij - ouderen, ambtsdragers - de kritiek van jongeren verdragen? Zijn wij bereid om onszelf, ons bezig-zijn en ook de tradities die wij hoogachten en hooghouden in het licht van het Woord te laten doorlichten?
Nu weet ik wel, er valt vaak wel iets af te trekken van kritiek door jongeren vanwege de wijze waarop ze gegeven wordt. We moeten daar echter niet kinderachtig over doen. Daar moeten we doorheen kunnen kijken. Jongeren hebben immers in hun groeiproces, met alle groeipijnen die daarmee samenhangen, zo hun eigen wijze van doen en ook hun eigen wijze van spreken. Wij moeten daar niet op reageren - zoals vaak gebeurt - met het leveren van kritiek op hèn (dat is afstandelijke kritiek), want zo vervreemden wij hen juist van ons.
Bij alle kritiek hebben we ons af te vragen: Waar komt ze vandaan? Wat zit erachter? Is ze terecht? Hoe gaan we ermee om? Wat kunnen we er concreet mee doen? We zullen kritiek steeds op haar waarde moeten schatten. En dat kritiek - ook van de kant van jongeren - waardevol kan zijn, is buiten kijf.
C. G. Geluk (HGJB)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's