Hereniging leidt niet tot kerkelijke eenheid
Gemeenten geraadpleegd over Samen op Weg
Vorig jaar hebben we in ons blad uitgebreid aandacht gegeven aan de reacties, die vanuit vooral hervormd gereformeerde gemeenten waren opgesteld inzake de voortgang van het proces Samen op Weg. Dit jaar moet immers aan de orde komen, op de te houden combisynode in november, de zogeheten intentieverklaring, waarin beide kerken (moeten) verklaren in staat van hereniging te zijn. De gemeenten werden in de jaren dat het Samen op Weg proces bezig is nu voor het eerst over deze vraag geraadpleegd, alsmede over het aan de hereniging ten grondslag liggende stuk over het kerk zijn, namelijk 'de verklaring van overeenstemming inzake het samen kerk zijn'.
Bij de raadpleging in de gemeenten is nog wel eens de bezorgde vraag uitgesproken of de reacties uit de gemeenten wel serieus genomen zouden worden. Er was argwaan te constateren omdat de gemeenten pas nu, in zo'n laat stadium geraadpleegd werden. Zou het allemaal wel zin hebben te reageren? Wordt de zaak toch niet zó van bovenaf geleid dat de stem van de gemeente(n) niet tot zijn recht kan en zal komen? Vanuit de (wijk)gemeenten werden daarom bijvoorbeeld 160 reacties rechtstreeks naar de synode gezonden, voor 80% overigens van gemeenten die ernstige bezwaren hadden tegen Samen op Weg.
Welnu, die zorg is ten onrechte geweest. Voor de nu komende vergadering van de hervormde synode is namelijk een 'Evaluatierapport Samen op Weg' uitgegeven. Daarin is uitvoerig weergegeven hoe de gemeenten hebben gereageerd op de intentieverklaring, dat wil zeggen op de vraag of Samen op Weg door moet gaan of niet, en ook op de onderscheiden punten van de verklaring van overeenstemming. De commissie, die de reacties vanuit de gemeenten heeft geëvalueerd, heeft, naar uit dit rapport blijkt, het geheel van de reacties grondig verwerkt en overzichtelijk gerangschikt. De rapportage van de reacties geeft een duidelijk beeld van de situatie in de Hervormde Kerk met betrekking tot Samen op Weg. De stem van de gemeente komt duidelijk tot uitdrukking in het voorliggende rapport. In totaal hebben namelijk 991 van de in totaal 1742 predikantsplaatsen gereageerd.
Gegeven de inhoud van het rapport is er maar één conclusie te trekken, namelijk dat de Hervormde Kerk over de vraag of Samen op Weg door moet gaan zeer verdeeld is. De vraag, die overigens daarbij gesteld moet worden, is hoe de synode nu verder handelen moet met de verscheidenheid aan reacties gegeven de grote verschillen in waardering, zowel wat betreft de intentieverklaring als van verklaring van overeenstemming.
De intentieverklaring
Uit het geheel van het rapport kunnen we slechts een beperkte greep doen. Bijgaand treffen de lezers de tabel aan, waarmee het rapport begint en waarin de reacties vanuit de gemeenten op de intentieverklaring zijn gebundeld. De reacties op de vraag of uitgesproken moet worden dat beide kerken in staat van hereniging zijn worden in vier categorieën ingedeeld, namelijk nee-tenzij (dus met voorwaarde), ja-mits (ook op voorwaarde) en ja.
Bij de tabel valt nog het volgende aan te vullen. De commissie, die het geheel rapporteerde, merkt op dat in 32 classes in totaal 1569 stemmen zijn uitgebracht, waarvan de uitslag het volgende resultaat te zien geeft: nee 821 (52%), ja-mits 725%), nee 594 (38%) en nee-tenzij 82 (5%). Maakt de commissie een schatting van het totaal aantal classes, dus met daarbij gerekend de 23 overige classes, dan zou de uitslag zijn geworden: vóór 1621 (60%), voor-mits 152 (6%), tégen 794 (30%) en tegen-tenzij 102 (4%).
Cijfermateriaal kan dor zijn. Hier hebben vve echter wel te maken met sprekende cijfers. Zoals gezegd is de Hervormde Kerk op het punt van Samen op Weg sterk verdeeld. Dat blijkt zowel uit het beeld dat de classes te zien geven als uit het beeld van de gemeenten op zich. Als weliswaar gezegd moet worden dat er een groot verschil is met betrekking tot de grootte van de classes en dat daardoor een vertekend beeld kan optreden — verschillende gemeenten hebben daar in hun reactie ook op gewezen — dan geeft de verhouding vóór en tégen van de gemeenten of van de afgevaardigden naar de classes toch wel een duidelijk beeld. Globaal genomen kan worden gezegd dat tussen dertig en veertig procent van de hervormde gemeenten afwijzend of (een gering deel) onder vóórwaarde afwijzend staat tegenover Samen op Weg. Waarbij dan verder nog de vraag rijst hoe het beeld eruit zou zien als de kerkelijke meelevendheid ook een rol zou spelen. Het zou best eens kunnen zijn dat, als het om de kerkgaande gemeente gaat, meer dan de helft gezocht moet worden in de gemeenten, die afwijzend op het proces reageren.
In vele reacties — en ook in commentaar van de commissie van rapportage daarop — wordt, gegeven de verdeeldheid in de Hervormde Kerk gemaand tot voorzichtigheid, wordt op het gevaar gewezen dat het proces kerkscheidend kan gaan werken, dat twee kerken samen een derde opleveren, en wordt gesuggereerd dat het voorlopig blijven moet bij een federatie van die gemeenten, die echt samen willen en metterdaad al samen gaan.
Het rapport stelt in een commentaar van de commissie dat federatie hoogstens een overgangssituatie kan zijn maar acht het wel noodzakelijk dat de vraag onder ogen wordt gezien of de Gereformeerde Kerken zich niet weer moeten 'invoegen in de hoofdstroom van de Hervormde Kerk', zonder dat dit overigens een knieval van één van beide kerken zou mogen betekenen (de Marewijk in Leiden had overigens ook de suggestie gedaan van het weer terugkeren in de schoot der Hervormde Kerk).
Vraag en antwoord
We kunnen er niet aan denken hier ook maar enigszins verantwoord een doorsnee te geven van de reacties van de commissie op afzonderlijke opmerkingen of suggesties uit gemeenten. Hier volgen slechts enkele voorbeelden. Op de opmerking van de gemeente Hedel dat we lering moeten trekken uit het proces van de geünieerde kerken in Duitsland en België, waar veel interne spaningen zijn, is het antwoord dat wij in Nederland alleen ervaring hebben met het Hersteld Verband.
Op de vraag uit verschillende gemeenten wat de kerk doet als vele gemeenten niet bereid zijn om mee te gaan in het proces, wordt gereageerd met de opmerking dat men geen plaatselijke gemeenten kan dwingen. De synode kan hooguit onderlinge kommunikatie bevorderen. 'Synode, wat u ook besluit, daarbinnen moet ruimte blijven voor bezwaarden en de gebondenheid aan hetgeen u besluit mag niet tot keurslijf worden. Daaruit kan kwaad komen.'
Als enkele gemeenten (Sint Annaland en Harskamp) zeggen dat ze de Hervormde Kerk zullen voortzetten is de reactie: 'twee hervormde kerken zijn ondenkbaar'.
De classis Schiedam schreef dat waar Samen op Weg al in een vergevorderd stadium is de prediking van hervormd-gereformeerde signatuur niet welkom bleek te zijn (bij de Gereformeerden? , v.d.G.), tenzij aanpassing plaats vond inzake liturgie en vrouw in het ambr, enz. De commissie reageert daarop met de opmerking dat de Gereformeerde Bond geen partij is in het proces en de gereformeerde bonders hervormden zijn. Me dunkt dat dit de enige keer is dat de reactie en/óf suggestie van de commissie als de bekende tang op het bekende varken slaat. De vraag betrof niet de Gereformeerde Bond (als partij) maar de hervormd gereformeerde prediking.
Het is op zich verheugend dat het rapport stelt dat geen gemeenten gedwongen mogen worden. Toch blijft de vraag knellen wat er bijvoorbeeld gebeurt met 'weigerachtige' wijkgemeenten in grote of middelgrote 'gemengde' gemeenten. Zullen de centrale organen toch niet óver hen, zónder hen beslissen? Moet niet vooral gevreesd worden dat binnen de Gereformeerde Kerken weinig begrip bestaat voor minderheden, zoals die in de Hervormde Kerk voorkomen? De evaluatiecommissie zegt niet ten onrechte dat in de Hervormde Kerk een groter ervaring voorhanden is met betrekking tot het omgaan met het vraagstuk van de pluraliteit (hoe discutabel dit begrip ook is, v.d.G.) dan in de Gereformeerde Kerken. Er blijkt vaak weinig begrip te bestaan voor die (gereformeerde) opvattingen, die men vroeger vanuit de confessie zelf deelde, maar die men nu goeddeels achter zich heeft gelaten.
Maar de dieperreikende vraag is of de kerken inderdaad wel moeten besluiten tot het 'in staat van hereniging zijn' als een zó groot deel van de hervormde gemeenten tegen is en, naar het zich laat aanzien, dat voorlopig wel zal blijven. Worden bij geforceerde beslissingen de mogelijkheden tot scheiding niet helemaal ingebouwd? Is namelijk eenmaal de beslissing tot het in staat van hereniging zijn genomen dan zal de ene gemeente na de andere (van die gemeenten, die hun stem pro het proces hebben gegeven) zich gaan invoegen in het federatieve patroon, totdat tenslotte een minderheid overblijft van gemeenten die niet willen. Worden die dan tenslotte niet in 'overgangsbepalingen' gemanoeuvreerd, zoals in 1951 ook geschied is bij invoering van de hervormde kerkorde? Maar zou dat niet betekenen dat gemeenten, die sinds jaar en dag gewoon hervormd willen zijn, in een buitengewone situatie terecht komen?
Me dunkt dat de uitslag van de raadpleging van de gemeenten de kerk voor een ernstig dilemma plaatst. Nu geforceerde beslissingen nemen kan betekenen dat op den duur het leed niet te overzien is. Zou het niet beter zijn voorlopig niet verder te gaan dan federatie, of 'in staat van federatief samengaan'?
Het belijden
Vele opmerkingen van velerlei aard zijn ook gemaakt vanuit de gemeenten over de 'Verklaring van overeenstemming inzake het samen kerk zijn'. Wie de weergave van reacties vanuit de gemeenten in ons blad heeft gevolgd weet om welke zaken het dan vaak gaat. Ook nu weer een greep uit het geheel.
Waar is de band met andere kerken van reformatorische origine (Christelijke Gereformeerde Kerken, Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, Gereformeerde Gemeenten)?
Zijn de werkelijke motieven achter Samen op Weg niet de leegloop en de financiële situatie? Is de huidige crisis niet een geloofscrisis? (Marcuskerk, den Haag).
Gaat het beweeglijke van het belijden niet ten koste van het duurzame? (verschillende classes). De belijdenis is statisch, zegt de classis Dordrecht, de formuleringen zijn sinds 1618/1619 niet veranderd. Letterlijk lezen we in het rapport: 'Meerdere classes vinden de wijze waarop over het belijden wordt gesproken een bedenkelijke leer. Het belijden in het S. O. W.-stuk is niet gegrond in een schriftuurlijk bevindelijke prediking, noch in de praktijk der godzaligheid....'
Verschillende gemeenten hebben moeite met de Drie Formulieren van Enigheid, met name met de Dordtse Leerregels. Maar de classis Alblasserdam dringt erop aan te weren al wat de belijdenis weerspreekt.
Komt er een pastorale handreiking voor gemeenten die niet meegaan? (classis Breukelen).
Weren de vier 'kernen', waartoe de verklaring van overeenstemming het belijden terugbrengt, werkelijk wat het belijden weerspreekt? (classis Breukelen).
Wat wordt bedoeld in het deel over de kerk als Lichaam van Christus als in verband met afzonderlijke groepen gesproken wordt over 'kwaadaardige woekeringen'? Zijn dat diegenen die om geloofswille vasthouden aan Schrift en belijdenis? Zijn beide kerkgenootschappen geen kwaadaardige woekeringen?
Is bijbels denken niet ingewisseld voor pragmatisch denken?
Is een uitgewerkte leer van de kerk niet te vinden in art. 27-29 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis en in zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus?
Wat de pluraliteit betreft: er mag wel verscheidenheid zijn in geloofsbeleven maar niet in geloofsinhoud.
Elkaar weersprekende geschriften mogen niet naast elkaar gezet worden, bijvoorbeeld de leer van Arius naast die van Athanasius of de Dordtse Leerregels naast de Remonstrantie uit 1618/1619 (Ede, Wijkgemeente III).
De deelgemeenten moeten blijven; zo wordt dwang voorkomen (Ter Heyde aan Zee).
Moet bij de notie van het verbond het 'van geslacht tot geslacht' niet meer gehonoreerd worden?
Uitvoerig wordt — ten aanzien van de kwestie van een gemeenschappelijke schuldbelijdenis — geciteerd uit een reactie van de gemeente Woubrugge, waarin gevraagd wordt of de Gereformeerde Kerken ten deze niet geloofwaardiger zouden overkomen als ze schuld zouden belijden ten aanzien van de vrijmaking van 1944.
Evaluatie
Het evaluatierapport stelt in een slotbeschouwing dat, hoewel de brieven uit de gemeenten ten aanzien van Samen op Weg in meerderheid positief zijn, via de classes toch veel onuitgesproken bleef wat aan zorgen en bezwaren leeft in de Hervormde Kerk.
Het rapport vat die zorgen samen in enkele momenten: zorg om het belijdend karakter van de kerk van de toekomst, zorg om het voortbestaan van de Hervormde Kerk als zodanig, zorg om het opdringend congregationalisme van kerkelijk gereformeerde zijde en om het volkskerk-karakter van de kerk van de toekomst. Kortom zorg om het voortbestaan van 'de vaderlandse kerk', aldus het rapport.
De commissie zegt er dan bij: 'een direct mikken op hereniging zal, gezien de reakties, niet op korte termijn een uitweg bieden. Wij moeten ons afvragen of onze eerste taak niet deze is, dat wij kaders scheppen, die in de loop van de geschiedenie door de Heilige Geest in dienst genomen worden en ons als kerken van verbondenheid naar eenheid leiden.'
Men ziet, het rapport concludeert uitermate voorzichtig. Met spanning zien we uit naar het verloop van de synode, waar dit evaluatierapport behandeld wordt. Zoals gezegd, de raadpleging van de gemeenten laat zien, dat bij onvoorzichtige behandeling, de kaders zouden kunnen worden geschapen voor een (ongewilde) scheiding, kerkelijk of binnen-kerkelijk. Dat kan en mag toch de bedoeling niet zijn!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's