Bijbelse lijnen inzake de arbeid
Beroep en beroepsethiek
Zonder de opzet en de mogelijkheid om volledig of ook om origineel te zijn, wil ik enkele bijbelse lijnen inzake de arbeid aangeven. Arbeid heeft te maken met het wezen van de mens als geschapen naar Gods beeld en gelijkenis (Genesis 1 : 26). Bij deze uitdrukking 'beeld Gods' is het van betekenis te bedenken wat in het oude oosten de symboliek van een standbeeld inhield. Wanneer in een bepaald gebied het standbeeld van een koning werd opgericht, wilde dat zeggen: dit gebied staat onder de heerschappij van déze koning. Zo liet bijvoorbeeld farao Ramses II in de dertiende eeuw voor Christus ten noorden van Beiroet, bij de monding van een rivier zijn beeld uitbouwen uit de rotsen. Daarmee proclameerde hij zichzelf als beheerser van dat gebied. Zo heeft de oud-testamentische mens bij het lezen van Gen. 1 : 26 verstaan dat God de mens als Zijn 'standbeeld' in deze wereld, temidden van Zijn schepping plaatst. De mens als beeld Gods vertegenwoordigt de Koning der koningen en is dus geroepen instrument te zijn ten dienste van het koninkrijk Gods. Deze taak kan de mens overigens alléén vervullen als hij aanhankelijk is aan en zich afhankelijk weet van zijn grote Opdrachtgever.
Hier ligt nu het grondpatroon al voor ons: arbeid als opdracht van Gods wege. Arbeid als dienst aan de HEERE, verricht tot de verheerlijking van Zijn Naam. Arbeid als dienst aan de naaste, ook aan onszelf, ook aan de schepping, tot ontplooiing van de schier oneindige veelheid van mogelijkheden die de Schepper daarin gelegd heeft.
De mens in het paradijs krijgt van meet af een hoge opdracht mee, verantwoordelijkheid wordt op zijn schouders gelegd. Dolce far niente, 'zalig niets doen', is nooit een bijbels ideaal geweest! Arbeid vraagt inzet, gaat met inspanning gepaard. Dat is op zichzelf geen vloek, veeleer een zegenrijke uitdaging. Arbeid vloeit dus niet uit de zondeval voort. Arbeid is een creatuurlijk gegeven. De naar Gods beeld geschapen mens is de arbeidende mens.
Arbeid en zondeval
Er is intussen door de zondeval wél wat met de arbeid gebeurd. De arbeid kwam onder de doorwerking van de vloek, zoals de mens daaronder kwam. Hierbij denken we direkt aan de woorden van Gen. 3 : 16-19. Met smart zal de gevallen mens al de dagen van zijn leven van het gevloekte aardrijk eten.
Doornen en distels zal de aardbodem voortbrengen. In het zweet des aanschijns zal het brood gegeven worden. Hier vallen zware schaduwen, hier klinkt het zuchten en kreunen van een ontwrichte schepping door. Arbeid zal voortaan niet meer zonder frustraties gaan. Het is alsof de akker de mens tegenwerkt. Arbeid gaat met weerstanden gepaard. Nu dienen we wel goed te onderscheiden. Er staat dat de aarde om wille van de zondige mens vervloekt werd. Dus niet de mens zélf, ook niet de arbeid zelf werd vervloekt! We mogen dus nooit stellen, dat de arbeid een vloek is en dat verlossing dus zou moeten inhouden dat we van de arbeid worden bevrijd! Verlossing betekent onder meer dat de arbeid weer in oorspronkelijk licht komt te staan. Voorschot daarop en voorteken ervan is de arbeid van christenen, die naar 1 Kor 15 : 58 'niet ijdel is in de Heere'.
Arbeid en rust
Als arbeid ook na de zondeval opdracht van Godswege is gebleven, staat het de mens dus niet vrij om arbeid te weigeren en zijn dagen door te brengen in ledigheid en luiheid. Hij kan werken met zijn handen of met zijn hoofd, hij kan koeien melken of computers programmeren, vuilnis ophalen of boeken schrijven, maar hij (of zij!) heeft een opdracht te vervullen. Toch mag een mens niet opgaan in zijn werk. Als hij een 'workaholic' is, iemand die leeft om te werken, maakt hij van het werk een afgod. De Heere heeft in het sabbatsgebod een duidelijke grens gesteld aan de arbeid. In navolging van de Schepper dient er een geheiligd rythme van arbeid en rust te zijn (Genesis 2:1-3). Het gaat in de sabbat overigens niet alleen om de begrenzing, maar ook om de oriëntatie van onze arbeid. Op de rustdag treden we met heel ons bestaan, heel ons leven en werken, in het voorste gelid voor Gods aangezicht. Oud-testamentisch is elke sabbat een toetsing achteraf en nieuw-testamentisch is elke dag des Heeren een oriëntering van te voren, opdat onze arbeid dienst aan God en dan ook dienst aan de naaste zal zijn.
Het is duidelijk dat hier allerlei actuele vragen rijzen. Rond de glijdende werkweek, de vol continue arbeid, waardoor in onze maatschappij de rustdag al meer in het gedrang komt. Anderzijds rond de vrije zaterdag en de ATV (arbeidstijdverkorting), de pensionering en de VUT (vervroegde uittreding). Hierbij moet wel worden bedacht dat het bijbelse begrip 'arbeid' breder is dan betaalde beroepsarbeid. Prof. dr. J. Douma geeft de volgende brede definitie van arbeid: 'Arbeid is alle verplichtende activiteit die de mens verricht met het oog op zijn levensonderhoud, zijn eigen ontplooiing en de ontplooiing van zijn samenleving. Deze arbeid is een opdracht die we tot Gods eer en tot welzijn van de naaste mogen verrichten uit dank voor Christus' verlossing' (Vrede in de maatschappij, 52). Met 'verplichtend' bedoelt Douma dat de vader die voor zijn gezin bezig is, of de ouderling die voor de kerk werk verricht, verplichtingen nakomen die zij op zich genomen hebben, hoe vrijwillig dat ook gebeurd mag zijn. Van hieruit is het duidelijk dat er naast de beroepsarbeid nog veel zinvolle arbeid verricht mag worden. Wie werkloos is, is dan ook nog niet zonder arbeid. Vandaar dat er ook beter van 'baanloosheid' gesproken kan worden, dan van 'werkloosheid'. Geen betaalde beroepsarbeid te kunnen verrichten en daarom voor het levensonderhoud op een uitkering aangewezen te zijn, is erg genoeg. Maar die situatie behoeft nu ook weer niet zo verlammend te werken dat men moedeloos bij de pakken neer gaat zitten. Er is zoveel dienstverlenend werk te doen dat, ook al wordt het niet geldelijk gehonoreerd, veel bevrediging geeft en zelfs door genade tot Gods eer mag zijn. Overigens roept de tendens naar voortgaande arbeidstijd-verkorting vele principiële bedenkingen op. In deze ben ik het geheel eens met mr. W. Silfhout dat de motieven achter ATV zeer kritisch getoetst dienen te worden. Zit er een vorm van arbeidsschuwheid achter, is er een ideaalbeeld van zo weinig mogelijk beroepsarbeid en zo veel mogelijk vrije tijd? Dat moeten we op grond van de bijbelse gegevens afwijzen. Anderzijds: 'Als een maatregel ter bestrijding van de werkloosheid is ATV aanvaardbaar' (Arbeid als opdracht, 123).
Arbeid en levensonderhoud
Er is vanuit Genesis 2 : 15-17 een verbindingslijn te trekken tussen arbeid en inkomen . De mens in het paradijs mocht vrijelijk eten van alle bomen van de hof op één na. Maar dit voorrecht kan niet worden losgemaakt van de opdracht die er aan voorafgaat: de hof te bouwen en te bewaren. Het voorzien in eigen levensonderhoud is mede het doel van de arbeid. Niet het enige, ook niet het voornaamste doel. We zagen eerder: arbeid is dienst aan God, de naaste, de schepping. Maar in die weg ook dienst aan de arbeidende mens zelf. Hoewel God hem het dagelijks brood geeft, eet de mens brood in de weg van de arbeid. Waarbij de gelovige met Luther mag beseffen dat onze arbeid toch eigenlijk niet anders is dan het vinden en opnemen van Gods gaven.
Heel bekend is het woord uit 2 Thessalonicenzen 3 : 10 'Dat, zo iemand niet wil werken, hij ook niet ete'. Dit woord bevestigt de regel dat een ieder zijn eigen brood moet verdienen. Wie werken kan en dan ook emplooi kan vinden, behoeft niet van de diakonie te leven. Hiermee is het misbruik maken van sociale voorzieningen, maar ook de moderne gedachte van de ontkoppeling van arbeid en inkomen veroordeeld. Wie niet wil werken, zou dat ook niet behoeven te doen. Afgezien van deelname aan het arbeidsproces, zou aan ieder individu een basisinkomen gegarandeerd moeten worden. Dit 'nieuwe arbeidsethos' stoelt op een onbijbelse, optimistische mensvisie. Wanneer de prikkel van het loon wegvalt, valt ook bij velen de motivatie tot de arbeid weg. Dat is niet goed, maar het is wel de realiteit, waarmee rekening gehouden moet worden. Overigens hoede men zich voor het verkeerd citeren van 2 Thess. 3 : 10. Er staat beslist niet 'wie niet werkt, zal ook niet eten'. Het is eenvoudig een zaak van sociale rechtvaardigheid dat de baanloze werkwillige of de arbeidsongeschikte te eten krijgt en bij alle zorgen en teleurstellingen niet ook eens met de zorg voor de leeftocht wordt belast.
Waardering van de arbeid
De arbeid is niet iets vernederends voor de mens. De uitspraak 'werken is voor de dommen' is een domme uitspraak, die verkeerd werkt. Onderwaardering van de arbeid is onjuist. Dat geldt ook van overwaardering, zoals deze bijvoorbeelden het marxisme gevonden wordt Karl Marx meende dat de mens zichzelf door middel van zijn arbeid verwerkelijkt. Van F. Engels verscheen een verhandeling met de titel 'Bijdrage van de arbeid tot de vermenselijking van de aap'. Hier wordt aan de arbeid een heilshistorische betekenis toegeschreven, die in werkelijkheid alleen aan het scheppende werk van de Vader, het verzoenende werk van de Zoon en het verlossende werk van de Heilige Geest toekomt. De arbeid van de christen kan en mag niet staan in het teken van de verwerving van het heil, maar in het teken van ootmoedige dankbaarheid voor de in Christus uit genade geschonken zaligheid.
Het huwelijksformulier spreekt over de arbeid als een 'goddelijk beroep'. Die kwalificatie geldt voor ieder geoorloofd beroep, waarin we een roeping van Gods wege kunnen beleven. Terecht heeft de Reformatie gebroken met de middeleeuwse onderscheiding tussen lichamelijke arbeid en geestelijke arbeid volgens het schema natuur-bovennatuur. De bakker die goed brood bakt is evenzeer met een goddelijk beroep bezig als de predikant die trouw huisbezoek doet. Luther zei het eens zo: 'Als een gewone, grove handwerksman of schoenlapper of smid in zijn huis zit, ook al is hij vuil en vol roet, of al riekt hij kwalijk naar zweet en pek, maar hij denkt bij zichzelf: Mijn God heeft mij geschapen als man en mij een huis, vrouw en kind toebetrouwd, en mij bevolen hen lief te hebben en hen te onderhouden met mijn arbeid - zulk een man gaat men Gods Woord om in zijn hart. En of hij al van buiten stinkt, van binnen is hij louter balsem voor God' (geciteerd bij W. Aalders, (Luther en de angst van het Westen, 61).
Humanisering van de arbeid
Om tenslotte, vanuit het vele dat nog te noemen zou zijn, nog één punt naar voren te halen: terecht wordt er een pleidooi gevoerd voor humanisering van de arbeid. De mens, geschapen naar God beeld, is een verantwoordelijk wezen en ieder individu is uniek. Daarom mag de mens in het arbeidsproces niet gedegradeerd worden tot een uitvoerder van mechanische handelingen, die evenzeer vervangbaar is door een willekeurige ander als een onderdeel van een machine. Het lopende band werk roept dan ook levensgrote ethische vragen op. Het denken en de creativiteit wordt uitgeschakeld, de arbeider krijgt het uiteindelijke produkt waartoe hij een bijdrage heeft geleverd zelfs niet meer onder ogen. Hoe kan er dan nog arbeidsvreugde zijn? Humanisering van de arbeid vraagt ook om mogelijkheden van inspraak, vormen van verantwoordelijkheid voor alle werknemers binnen een onderneming, zonder dat daarmee aan de specifieke verantwoordelijkheid van de bedrijfleiding mag worden tekort gedaan. 'Vermenselijking van het werk wil zeggen, dat de mens er zijn mens-zijn in beleven kan. Vanuit de Bijbel dient op deze humanisering te worden aangedrongen... Inspraak als bijdrage van medewerkers, naar de aard van hun positie in het bedrijf, lijkt ons een zaak die voortvloeit uit het geschapen zijn naar het Beeld van God' (prof. dr. W. H. Velema, Ethiek in bijbels licht, 123).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's