'Gemeente zijn in een mondiale samenleving'
Dr. S. Meyers over:
'Gemeente zijn in een mondiale samenleving'
Het is een geweldig stuk werk dat in dit schrijven voor ons ligt, met vooral knappe analyses. Werk dat gebeuren moest, omdat ik met de samenstellers van het rapport van mening ben dat een kerk die aan de wereld, Gods wereld, voorbijgaat, verarmt en vastloopt in de concentratie op zichzelf ten koste van de naaste.
Anderzijds kan ik niets anders cjoen dan de verbijsterde vraag stellen waarom het hele zelfverstaan van de kerk moet veranderen wil er groter openheid voor mondiale vragen komen. Als dit rapport wordt aangenomen en zou doorwerken is niet alleen de weg naar de wereld opengebroken, maar is de kerk van haar wortels afgesneden. Zij heeft een hoop te doen, maar niets meer te zeggen. Dat God ons met Zijn evangelie de grootste dienst bewezen heeft die wij kennen, een dienst die in geen mensenhart gedacht is, is verschraald tot een actief dienstbetoon van christelijk geëngageerde mensen, waarvan de wortels in het duister liggen, waarvan de motieven ingebed liggen in een soort christelijke ervaring die voor ieder weer anders kan zijn.
Het rapport pretendeert een nieuwe visie te geven. Er staat zoveel in dat ik mij genoodzaakt zie mij te concentreren op twee punten: op het zelfverstaan van de gemeente en op de belijdenis van die gemeente. Het zal dan blijken dat in dit rapport duidelijk consistentie zit. Vooral wanneer men het, zoals ik, excerpeert.
De gemeente
Hoofdstuk 1 geeft ons een beeld van de vermaatschappelijking van de staat en van de pluralisering van de samenleving, met als stelling dat de kerk daaraan niet alleen zelf deel heeft - daar zou ik vrede mee kunnen hebben, hoe weinig het ook onderkend wordt in de praktijk - maar dat de kerk zelf deel is van het probleem. Wij vragen: is het dus het grondprobleem voor de kerk dat haar eigen vermaatschappelijking zo moeilijk verloopt?
Uit hoofdstuk 2 blijkt dan dat dit wel degelijk zo bedoeld is. De kerk heeft zich in een 'christelijk tegenover' te organiseren volgens de communicatiepatronen van de eigen tijd. Anders gezegd: de positieve relatiepatronen in deze wereld staan voor de kerk model.
Hoofdstuk 3 rijkt ons de, basis aan. Terecht wordt gesteld dat de vragen die in een mondiale samenleving op het spel zijn oermenselijke vragen zijn. Men zou wellicht verwachten dat voor deze vragen ingezet wordt in het hart van het evangelie: waar kom ik vandaan, wat bedoelt God met mijn leven in deze wereld, wat heeft het uit te werken, en hoe kan dat, maar nu ontdekken we dat er weer een beroep wordt gedaan op de heerschappij Gods, en dat deze vereenzelvigd wordt met de goede schepping waarop we moeten mikken. De begrippen schepping, bevrijding en verwachting gaan samenvallen binnen een scheppingstheologie die geheel voorbijgaat aan het eigene van de gemeente, nl. dat zij in Christus is. 'Aan' de armen, dus aan de situatie, wordt nu geleerd wat de gemeente is: aan de armen en uit de situatie. Zo gaat het van de randen naar het midden.
Hoofdstuk 4 worstelt dan met de vraag wat het onderscheid dan nog wel is tussen de kerk en andere maatschappelijke organisaties, maar komt daarmee, gezien het voorafgaande, niet verder dan de stelling dat de kerk, in onderscheid tot anderen, geen belangenorganisatie is, en anders gemotiveerd. Mijn vraag: wat onderscheidt de kerk dan van Amnesty International of het Rode Kruis of Greenpeace?
Het is dan ook geheel in de lijn wanneer in hoofdstuk 5 het onderscheid tussen het spreken van de kerk en van het handelen van de kerk als machtinstituut - een variatie op de middeleeuwen - komt weg te vallen.
Hoofdstuk 6 bepaalt ons erbij dat door deze maatschappelijke zelfherziening van de kerk de innerlijke tegenstellingen worden opgevoerd en dat dit ook zo moet. Gelukkig is daar dan de avondmaalsgemeenschap die de eenheid waarborgt. Met mijn woorden: de gemeenschappelijke religieuze ervaring waar de gemeente van leeft.
Ik heb nog nooit gezegd: dit is mijn kerk niet meer, zeker niet naar aanleiding van het atoomschrijven van onze kerk. Als dit rapport, hoe dan ook bijgeschaafd, zal worden aangenomen zeg ik het wèl: wie de breedte niet kan enten op de diepte, kan laten ontspringen aan de bron waar de kerk uit leeft, houdt een verdorde kerk over. Gelukkig maar dat het ook dan de kerk van Christus blijft, van zijn bloed en overwinning, en dat relativeert dit uitsluitend op engagement gebouwd rapport.
Het belijden
Eenzelfde lijn kan worden getrokken wanneer het gaat om het belijden van de kerk.
Stelt hoofdstuk 1 al dat de waarheid ligt binnen de veelheid van het conglomeraat van christelijke tradities, en neemt het afstand van Christen zijn in de Nederlandse Samenleving ten bate van de mondiale, hoofdstuk 2 trekt deze relativerende lijn door.
Naar de woorden die er staan wordt gepleit voor verdieping van de christelijke houding ten opzichte van de wereld, maar naar de inhoud blijkt het communicatiepatroon het allesbeheersende. Het actuele belijden houdt een afscheid in van de bestaande cultuurpatronen, dit afscheid is de beoogde verdieping zelf, en dit komt doordat het belijden exponent is van of bestaande cultuurpatronen - in dat geval moet het verdiept worden - of de vrucht van ontmoeting met anderen. Mijn vraag wordt dan: wat is de inhoud van het belijden nog meer dan de vrucht van intermenselijke ontmoetingen, naar het patroon van de wereld, de neerslag en concretisering ervan? Een situatief gegeven dat sterven moet met het verbleken van de actualiteit?
Hoofdstuk 3 leert ons dan dat maatgevend voor de beoogde communicatie de armen zijn, zij die nooit de eerste aandacht gevangen hebben van de kerk. Daar zit veel waars in, maar onloochenbaar heeft de ontmoeting met de armen op deze wijze, na zo het communicatiepatroon centraal te hebben gesteld, openbaringsbetekenig gekregen. Vandaar dat de opdracht jegens de derde wereld het belijden situatief kan invullen. Wat er naar mijn oordeel hier geheel tussenuit gevallen is is de inhoud van het belijden als de filanthropie Gods, de naastenliefde Gods, die reddend verschenen is, en het liefdesgebod als toetssteen voor ons handelen, begeleid door de tien woorden van Gods wet die de naastenliefde inhoud en karakter geven. Het eigene van de kerk ligt niet in de inhoud van het belijden, maar in het op eigen wijze na-vertolken van het verhaal van Jezus Christus. Hij bestaat alleen op de wijze van ons verhaal dat aan de hand van de armen gevormd wordt. Ik vraag dan: mag de Heere Jezus ook nog Zichzelf zijn? En zijn de armen zo niet het materiaal voor het steeds nieuw te vormen evangelie? Een complete terugkeer naar de vorige eeuw.
Hoofdstuk 4 stelt dan ook onomwonden dat het communicatiesysteem dat door de kerk onderhouden wordt de vorm is van het spreken Gods. Nu de overheid speelbal geworden is van de machten kan men met enige vorm van theocratie niet meer uit de voeten. Dit spoort dan geheel met het wegvallen van de eigensoortige boodschap waar de kerk van leeft. Daarom is niet alleen de staat van zijn ambt ontdaan, overtroefd als hij is door de machten, maar ook de kerk: zij heeft geen woord meer voor de wereld, alleen een eigensoortige ervaring waarvoor zij - op welke grond eigenlijk? - gezag claimt.
Hoofdstuk 5 bevestigt dit alles. De status confessionis is daar waar het kerkelijke communicatief ingesteld handelen vastloopt, niet omdat we niet verder kunnen omdat God het verbiedt, maar omdat we zelf met onze menselijke communicatievorming geen kant meer uit kunnen. Bewust laat men ons achter met een gemeente die wemelt van de sociale en politieke conflicten. Met zovele woorden stelt blz. 51: geen formeel gezag dat ons bindt, maar een maximum aan concreetheid resp. machtsoefening, met alle verwarring van dien. Dat ieder schriftberoep in dit rapport ontbreekt hangt hiermee nauw samen. Het rapport laat ons achter met het beeld van een kerk zonder vast inhoudelijk belijden en zonder wortels die erop mikt een maatschappelijke kracht te zijn in een ontbindende samenleving.
Het laat ons bovenal achter met het verdriet dat over een kerk die denkt dat de diepe sporen van zonde en verwording en menselijke onmacht - ooit zouden kunnen worden gladgestreken door een organisatorische inspanning, die weliswaar religieus is gemotiveerd, maar geen belofte in zich draagt. Mijn persoonlijk verdriet omdat met name 'rechts-orthodox' Nederland de mondiale vragen negeert - en zouden niet juist zij die van de wereldwijde dimensies van zonden en wonden weten de eersten moeten zijn om hier op de bres te staan - dit verdriet wordt verzwaard doordat men onze traditie niet uit de voeten heeft gekund.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1986
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's